Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2026-02-11
ECLI:NL:RBGEL:2026:2993
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
3,868 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:2993 text/xml public 2026-04-30T11:19:15 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-02-11 11938473 \ CV EXPL 25-8497 Uitspraak Bodemzaak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2993 text/html public 2026-04-30T11:16:24 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:2993 Rechtbank Gelderland , 11-02-2026 / 11938473 \ CV EXPL 25-8497 Niet betaalde factuur, deelbetalingen, betlalingsonmacht RECHTBANK GELDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Arnhem Zaaknummer: 11938473 \ CV EXPL 25-8497 Vonnis van 11 februari 2026 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [naam eisend bedrijf] B.V. , gevestigd te [vestigingsplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [de eiser] , gemachtigde: M. Meun, tegen de vennootschap onder firma 1. V.O.F. [naam gedaagd vennootschap] , gevestigd te [vestigingsplaats] , 2. [naam gedaagd vennoot 1] , VENNOOT VAN V.O.F. [naam gedaagd vennootschap] , 3. [naam gedaagd vennoot 2] , VENNOOT VAN V.O.F. [naam gedaagd vennootschap] , beiden wonende te [woonplaats] , gedaagde partijen, hierna gezamenlijk in vrouwelijk enkelvoud te noemen: [de gedaagde] , procederend in persoon. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 8 oktober 2025 met producties A tot en met K, de conclusie van antwoord, de conclusie van repliek met een productie, de conclusie van dupliek. 1.2. Ten slotte is bepaald dat een vonnis zal worden gewezen. 2 De feiten 2.1. [de gedaagde] heeft bij [de eiser] het voer Groei Econom Extra (hierna: het voer) besteld en geleverd gekregen voor een bedrag van € 3.521,16. 2.2. Op 26 februari 2025 heeft [de eiser] een factuur van € 3.876,08 verstuurd voor het geleverde voer en voor buitengerechtelijke incassokosten van een oud dossier. 2.3. [de eiser] heeft [de gedaagde] meermaals, zowel telefonisch, per post als per e-mail, op zijn betalingsverplichting gewezen. Partijen zijn ook een betalingsregeling overeengekomen, maar desondanks heeft [de gedaagde] de factuur niet volledig voldaan. 3 Het geschil 3.1. [de eiser] vordert dat de kantonrechter bij uitvoerbaarheid bij voorraad te verklaren vonnis: [de gedaagde] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 2.662,16, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over het bedrag van € 1.876,08 vanaf 4 oktober 2025, [de gedaagde] veroordeelt in de proceskosten. 3.2. [de eiser] legt aan haar vordering (samengevat) ten grondslag dat [de gedaagde] , zonder geldige reden, de factuur van 26 februari 2025 deels onbetaald heeft gelaten. [de eiser] heeft meermaals op betaling van de factuur gewezen. 3.3. [de gedaagde] voert aan dat [de eiser] in strijd met het recht tweemaal buitengerechtelijke incassokosten aan haar factureert. Daarnaast voert [de gedaagde] aan dat [de eiser] wist dat de betaling van de factuur langer kon duren. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling De vordering 4.1. [de gedaagde] betwist niet dat zij nog een restant-betaling verschuldigd is voor het geleverde voer. Van het totale factuurbedrag van € 3.521,16, heeft [de gedaagde] nadat zij in gebreke was gesteld, € 2.000,00 voldaan. Ook de verschuldigdheid van de over de hoofdsom gevorderde wettelijke handelsrente is niet betwist. Wel voert [de gedaagde] aan dat [de eiser] wist dat de betaling langer kon duren. Voor zover [de gedaagde] hiermee wil aanvoeren dat [de eiser] genoegen zou moeten nemen met betaling op langere termijn, slaagt dit verweer niet. Ook bij betalingsonmacht geldt dat dit, hoe vervelend ook voor [de gedaagde] , geen aanspraak geeft op uitstel van betaling. Deze omstandigheid ligt in de risicosfeer [de gedaagde] en ontslaat hem niet van zijn betalingsverplichtingen uit hoofde van de overeenkomst met [de eiser] . [de gedaagde] is dan ook gehouden tot betaling van de factuur van [de eiser] . Aangezien [de gedaagde] al een bedrag van € 2.000,00 heeft voldaan, zal nader moeten worden bepaald welk bedrag [de gedaagde] nog verschuldigd is. Hiervoor wordt verwezen naar rechtsoverweging 4.4. 4.2. Onderdeel van de factuur van [de eiser] is een bedrag van € 354,92 voor de buitengerechtelijke incassokosten voor een oud dossier. De verschuldigdheid van dit bedrag wordt door [de gedaagde] wel betwist. [de eiser] stelt dat partijen zijn overeengekomen dat [de gedaagde] tezamen met de volgende bestelling van voer, incassokosten voor een ouder dossier zal betalen. Ondanks de betwisting [de gedaagde] blijkt uit de overgelegde correspondentie (productie 1 bij conclusie van repliek) tussen partijen duidelijk dat zij dit zijn overeengekomen. De kantonrechter zal daarom de vordering tot betaling van € 354,92 toewijzen. 4.3. Verder vordert [de eiser] betaling van buitengerechtelijke incassokosten van € 581,41. Deze vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [de eiser] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. De kantonrechter zal het bedrag dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief van € 512,61. 4.4. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, blijkt dat [de gedaagde] nog een bedrag van € 3.876,08 aan hoofdsom (voer en overeengekomen buitengerechtelijke incassokosten gemaakt in een oude procedure) aan [de eiser] verschuldigd is. Ook is [de gedaagde] een bedrag van € 512,61 aan buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd. Hiermee is [de gedaagde] in totaal nog een bedrag van € 4.397,69 aan [de eiser] verschuldigd. Op zowel 12 juni 2025 als 1 september 2025 heeft [de gedaagde] een bedrag van steeds € 1.000,00 voldaan (in totaal € 2 000,00). Deze betaling zal op grond van artikel 6:44 Burgerlijk Wetboek eerst in mindering wordt gebracht van de buitengerechtelijke incassokosten, vervolgens op de verschuldigde rente en daarna op de hoofdsom. De kantonrechter zal aldus een bedrag van € 2.397,69 toewijzen. De proceskosten 4.5. [de gedaagde] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [de eiser] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 122,16 - griffierecht € 514,00 - salaris gemachtigde € 506,00 (2 punten × € 253,00) - nakosten € 126,50 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.268,66 Uitvoerbaarheid bij voorraad 4.6. De veroordeling in dit vonnis wordt, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Dit betekent dat deze uitspraak geldt, totdat in een eventueel hoger beroep anders is beslist. 5 De beslissing De kantonrechter 5.1. veroordeelt [de gedaagde] hoofdelijk om aan [de eiser] een bedrag van € 2.397,69 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf 13 maart 2025 (datum verzuim) tot de dag van volledige betaling, 5.2. veroordeelt [de gedaagde] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.268,66, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [de gedaagde] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [de gedaagde] ook de kosten van betekening betalen, 5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 5.4. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. M.L. Braaksma, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026, in tegenwoordigheid van de griffier. 68348 66349
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:2993 text/xml public 2026-04-30T11:19:15 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-02-11 11938473 \ CV EXPL 25-8497 Uitspraak Bodemzaak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2993 text/html public 2026-04-30T11:16:24 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:2993 Rechtbank Gelderland , 11-02-2026 / 11938473 \ CV EXPL 25-8497 Niet betaalde factuur, deelbetalingen, betlalingsonmacht RECHTBANK GELDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Arnhem Zaaknummer: 11938473 \ CV EXPL 25-8497 Vonnis van 11 februari 2026 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [naam eisend bedrijf] B.V. , gevestigd te [vestigingsplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [de eiser] , gemachtigde: M. Meun, tegen de vennootschap onder firma 1. V.O.F. [naam gedaagd vennootschap] , gevestigd te [vestigingsplaats] , 2. [naam gedaagd vennoot 1] , VENNOOT VAN V.O.F. [naam gedaagd vennootschap] , 3. [naam gedaagd vennoot 2] , VENNOOT VAN V.O.F. [naam gedaagd vennootschap] , beiden wonende te [woonplaats] , gedaagde partijen, hierna gezamenlijk in vrouwelijk enkelvoud te noemen: [de gedaagde] , procederend in persoon. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 8 oktober 2025 met producties A tot en met K, de conclusie van antwoord, de conclusie van repliek met een productie, de conclusie van dupliek. 1.2. Ten slotte is bepaald dat een vonnis zal worden gewezen. 2 De feiten 2.1. [de gedaagde] heeft bij [de eiser] het voer Groei Econom Extra (hierna: het voer) besteld en geleverd gekregen voor een bedrag van € 3.521,16. 2.2. Op 26 februari 2025 heeft [de eiser] een factuur van € 3.876,08 verstuurd voor het geleverde voer en voor buitengerechtelijke incassokosten van een oud dossier. 2.3. [de eiser] heeft [de gedaagde] meermaals, zowel telefonisch, per post als per e-mail, op zijn betalingsverplichting gewezen. Partijen zijn ook een betalingsregeling overeengekomen, maar desondanks heeft [de gedaagde] de factuur niet volledig voldaan. 3 Het geschil 3.1. [de eiser] vordert dat de kantonrechter bij uitvoerbaarheid bij voorraad te verklaren vonnis: [de gedaagde] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 2.662,16, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over het bedrag van € 1.876,08 vanaf 4 oktober 2025, [de gedaagde] veroordeelt in de proceskosten. 3.2. [de eiser] legt aan haar vordering (samengevat) ten grondslag dat [de gedaagde] , zonder geldige reden, de factuur van 26 februari 2025 deels onbetaald heeft gelaten. [de eiser] heeft meermaals op betaling van de factuur gewezen. 3.3. [de gedaagde] voert aan dat [de eiser] in strijd met het recht tweemaal buitengerechtelijke incassokosten aan haar factureert. Daarnaast voert [de gedaagde] aan dat [de eiser] wist dat de betaling van de factuur langer kon duren. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling De vordering 4.1. [de gedaagde] betwist niet dat zij nog een restant-betaling verschuldigd is voor het geleverde voer. Van het totale factuurbedrag van € 3.521,16, heeft [de gedaagde] nadat zij in gebreke was gesteld, € 2.000,00 voldaan. Ook de verschuldigdheid van de over de hoofdsom gevorderde wettelijke handelsrente is niet betwist. Wel voert [de gedaagde] aan dat [de eiser] wist dat de betaling langer kon duren. Voor zover [de gedaagde] hiermee wil aanvoeren dat [de eiser] genoegen zou moeten nemen met betaling op langere termijn, slaagt dit verweer niet. Ook bij betalingsonmacht geldt dat dit, hoe vervelend ook voor [de gedaagde] , geen aanspraak geeft op uitstel van betaling. Deze omstandigheid ligt in de risicosfeer [de gedaagde] en ontslaat hem niet van zijn betalingsverplichtingen uit hoofde van de overeenkomst met [de eiser] . [de gedaagde] is dan ook gehouden tot betaling van de factuur van [de eiser] . Aangezien [de gedaagde] al een bedrag van € 2.000,00 heeft voldaan, zal nader moeten worden bepaald welk bedrag [de gedaagde] nog verschuldigd is. Hiervoor wordt verwezen naar rechtsoverweging 4.4. 4.2. Onderdeel van de factuur van [de eiser] is een bedrag van € 354,92 voor de buitengerechtelijke incassokosten voor een oud dossier. De verschuldigdheid van dit bedrag wordt door [de gedaagde] wel betwist. [de eiser] stelt dat partijen zijn overeengekomen dat [de gedaagde] tezamen met de volgende bestelling van voer, incassokosten voor een ouder dossier zal betalen. Ondanks de betwisting [de gedaagde] blijkt uit de overgelegde correspondentie (productie 1 bij conclusie van repliek) tussen partijen duidelijk dat zij dit zijn overeengekomen. De kantonrechter zal daarom de vordering tot betaling van € 354,92 toewijzen. 4.3. Verder vordert [de eiser] betaling van buitengerechtelijke incassokosten van € 581,41. Deze vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [de eiser] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. De kantonrechter zal het bedrag dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief van € 512,61. 4.4. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, blijkt dat [de gedaagde] nog een bedrag van € 3.876,08 aan hoofdsom (voer en overeengekomen buitengerechtelijke incassokosten gemaakt in een oude procedure) aan [de eiser] verschuldigd is. Ook is [de gedaagde] een bedrag van € 512,61 aan buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd. Hiermee is [de gedaagde] in totaal nog een bedrag van € 4.397,69 aan [de eiser] verschuldigd. Op zowel 12 juni 2025 als 1 september 2025 heeft [de gedaagde] een bedrag van steeds € 1.000,00 voldaan (in totaal € 2 000,00). Deze betaling zal op grond van artikel 6:44 Burgerlijk Wetboek eerst in mindering wordt gebracht van de buitengerechtelijke incassokosten, vervolgens op de verschuldigde rente en daarna op de hoofdsom. De kantonrechter zal aldus een bedrag van € 2.397,69 toewijzen. De proceskosten 4.5. [de gedaagde] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [de eiser] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 122,16 - griffierecht € 514,00 - salaris gemachtigde € 506,00 (2 punten × € 253,00) - nakosten € 126,50 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.268,66 Uitvoerbaarheid bij voorraad 4.6. De veroordeling in dit vonnis wordt, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Dit betekent dat deze uitspraak geldt, totdat in een eventueel hoger beroep anders is beslist. 5 De beslissing De kantonrechter 5.1. veroordeelt [de gedaagde] hoofdelijk om aan [de eiser] een bedrag van € 2.397,69 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf 13 maart 2025 (datum verzuim) tot de dag van volledige betaling, 5.2. veroordeelt [de gedaagde] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.268,66, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [de gedaagde] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [de gedaagde] ook de kosten van betekening betalen, 5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 5.4. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. M.L. Braaksma, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026, in tegenwoordigheid van de griffier. 68348 66349