Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2026-01-07
ECLI:NL:RBGEL:2026:2985
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
4,001 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:2985 text/xml public 2026-04-30T11:03:49 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-01-07 11605248 CV EXPL 25-741 Uitspraak Bodemzaak NL Zutphen Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2985 text/html public 2026-04-29T12:50:52 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:2985 Rechtbank Gelderland , 07-01-2026 / 11605248 CV EXPL 25-741 Onderhouds- en meldkamerabonnement voor alarminstallatie woning van consument. Prijswijzigingsbeding is oneerlijk. RECHTBANK GELDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Zutphen Zaaknummer: 11605248 \ CV EXPL 25-741 Vonnis van 7 januari 2026 in de zaak van [naam eisend bedrijf] B.V. , te [vestigingsplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [de eiser] , gemachtigde: mr. R. Zwiers, tegen [naam gedaagde] , te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [de gedaagde] , procederend in persoon. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 22 oktober 2025 - de akte van [de eiser] - de akte van [de gedaagde] . 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De verdere beoordeling 2.1. In het tussenvonnis is overwogen dat het prijswijzigingsbeding vermoedelijk oneerlijk is en dat de kantonrechter voornemens is het beding te vernietigen. Partijen zijn daarom in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de (on)eerlijkheid van het prijswijzigingsbeding en de voorgenomen vernietiging hiervan. Hetgeen [de eiser] naar voren heeft gebracht leidt echter niet tot een ander oordeel. Dit zal hierna worden toegelicht. 2.2. [de eiser] heeft onder meer aangevoerd dat bij de beoordeling van de (on)eerlijkheid van het prijswijzigingsbeding belang moet worden gehecht aan het feit dat [de gedaagde] de prijsverhogingen jarenlang zonder protest heeft geaccepteerd. Dit betoog faalt. 2.3. De kantonrechter moet ambtshalve toetsen of het prijswijzigingsbeding in de overeenkomst oneerlijk is, zelfs als [de gedaagde] tegen dit onderdeel van het geschil tussen partijen geen bezwaren heeft geuit. De consument dient volgens de richtlijn namelijk beschermd te worden tegen oneerlijke bedingen die zijn opgenomen in standaardovereenkomsten voor diensten die zij afnemen om te voorkomen dat het evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van de partijen aanzienlijk wordt verstoord. Of [de gedaagde] al dan niet heeft geprotesteerd tegen de doorgevoerde prijsverhogingen van de afgelopen jaren is in dit verband niet relevant. 2.4. Verder heeft [de eiser] samengevat aangevoerd dat het prijswijzigingsbeding ten tijde van het sluiten van de overeenkomst in 2008 voldoende transparant en specifiek was. Volgens haar moest de term ‘algemene prijsindexcijfer’ destijds worden opgevat als een verwijzing naar de door het CBS gepubliceerde consumentenprijsindex (CPI). Ook merkt [de eiser] op dat de wijze waarop de prijswijziging tot stand kwam kenbaar was voor [de gedaagde] aangezien [de eiser] jarenlang een verhoging van 2,5% tot 3% heeft aangehouden. Die verhogingen waren volgens [de eiser] steeds gebaseerd op de CPI van het CBS en de verhogingen die aan [de eiser] vanuit de meldkamer(s) werden opgelegd. Ook dit betoog wordt niet gevolgd. 2.5. Uit de richtlijn en vaste rechtspraak van het Europese Hof van Justitie volgt dat het bij de beantwoording van de vraag of een prijswijzigingsbeding oneerlijk is, van belang is of het beding transparant is, het beding op de blauwe lijst behorende bij de richtlijn staat vermeld en of in het beding de reden waarom of de wijze waarop de genoemde kosten worden aangepast staan vermeld, zodat de consument op basis van duidelijke en begrijpelijke criteria eventuele wijzigingen van de kosten kan voorzien. Ook is van belang of de consument het recht heeft om de overeenkomst te beëindigen in geval van daadwerkelijke wijziging van de kosten. 2.6. Zoals in het tussenvonnis al is overwogen voldoet het beding niet aan het transparantievereiste en staat het beding (onder punt 1, sub j en l) op de blauwe lijst. Het beding bevat geen concrete beschrijving van de wijze waarop de prijs wordt aangepast en/of specifieke verwijzing naar de door het CBS gepubliceerde CPI. Het beding verwijst alleen in algemene termen naar ‘de jaarlijkse prijsindexering (algemene prijsindexcijfer’. Het is niet zonder meer duidelijk welk algemeen prijsindexcijfer hiermee wordt bedoeld. Volgens [de eiser] verwijst het beding naar de CPI van de CBS, maar tegelijkertijd stelt [de eiser] dat het beding ook ziet op de verhogingen die aan [de eiser] vanuit de meldkamer(s) (zoals externe kosten en loonkostenstijgingen) worden opgelegd. Dit volgt zoals gezegd niet expliciet uit het beding. Bovendien rijmt dit ook niet met de stelling van [de eiser] dat het beding alleen verwijst naar de CPI van het CBS. Dit alles maakt dat het ten tijde van het sluiten van de overeenkomst niet duidelijk was welke criteria er precies zouden worden gehanteerd bij de berekening van de prijswijziging. [de gedaagde] was dan ook niet in staat te begrijpen hoe de prijswijzing in de praktijk zou worden berekend en welke, mogelijk aanzienlijke, economische gevolgen het beding voor hem kon hebben. Daar komt bij dat het beding evenmin rept over de reden waarom de genoemde kosten worden aangepast en de mogelijkheid tot opzegging van de overeenkomst in geval van een kostenwijziging. 2.7. De conclusie is dat het prijswijzigingsbeding oneerlijk is en dat dit daarom wordt vernietigd. De vernietiging heeft tot gevolg dat het prijswijzigingsbeding buiten toepassing blijft en er dus geen prijsverhogingen mochten worden doorgevoerd. Dit betekent concreet dat de in het verleden toegepaste en betaalde verhogingen onverschuldigd zijn betaald en dat [de gedaagde] over het jaar 2024 alleen de oorspronkelijke abonnementskosten over de periode van 1 januari 2024 tot 1 juli 2024 ad (363,00 / 2 =) € 181,50 verschuldigd is. [de gedaagde] zal daarom worden veroordeeld tot betaling van dit bedrag. Omdat [de gedaagde] te laat is met de betaling, moet hij ook de wettelijke rente hierover betalen. De wettelijke rente zal, zoals gevorderd, worden toegewezen vanaf 13 maart 2025. 2.8. Dat [de eiser] door de vernietiging van het oneerlijke beding overigens nadeel ondervindt, zoals zij heeft aangevoerd, doet aan het voorgaande niet af. Het doel van de richtlijn is namelijk om oneerlijke bedingen uit overeenkomsten met consumenten te laten verdwijnen en eerlijke concurrentie tussen handelaren te bevorderen. Om dat doel te bereiken dienen sancties onder meer afschrikkend en doeltreffend te zijn. Verwacht wordt dat de handelaar ( [de eiser] ) daardoor wordt aangezet verandering te bewerkstelligen, zoals aanpassing of verwijdering van oneerlijke bedingen in haar voorwaarden. Eventuele (financiële) nadelen van een vernietiging van een oneerlijk beding zijn een bijeffect om dit hogere doel te realiseren. 2.9. [de eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat [de gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. [de eiser] heeft aan [de gedaagde] een aanmaning verstuurd die niet voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. In de aanmaning is namelijk geen betalingstermijn van veertien dagen gegeven die ingaat op de dag na ontvangst van de aanmaning door [de gedaagde] . Dit is wel vereist op grond van artikel 6:96 lid 6 BW. De gevorderde vergoeding zal daarom worden afgewezen. 2.10. Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 3 De beslissing De kantonrechter 3.1.
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:2985 text/xml public 2026-04-30T11:03:49 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-01-07 11605248 CV EXPL 25-741 Uitspraak Bodemzaak NL Zutphen Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2985 text/html public 2026-04-29T12:50:52 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:2985 Rechtbank Gelderland , 07-01-2026 / 11605248 CV EXPL 25-741 Onderhouds- en meldkamerabonnement voor alarminstallatie woning van consument. Prijswijzigingsbeding is oneerlijk. RECHTBANK GELDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Zutphen Zaaknummer: 11605248 \ CV EXPL 25-741 Vonnis van 7 januari 2026 in de zaak van [naam eisend bedrijf] B.V. , te [vestigingsplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [de eiser] , gemachtigde: mr. R. Zwiers, tegen [naam gedaagde] , te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [de gedaagde] , procederend in persoon. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 22 oktober 2025 - de akte van [de eiser] - de akte van [de gedaagde] . 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De verdere beoordeling 2.1. In het tussenvonnis is overwogen dat het prijswijzigingsbeding vermoedelijk oneerlijk is en dat de kantonrechter voornemens is het beding te vernietigen. Partijen zijn daarom in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de (on)eerlijkheid van het prijswijzigingsbeding en de voorgenomen vernietiging hiervan. Hetgeen [de eiser] naar voren heeft gebracht leidt echter niet tot een ander oordeel. Dit zal hierna worden toegelicht. 2.2. [de eiser] heeft onder meer aangevoerd dat bij de beoordeling van de (on)eerlijkheid van het prijswijzigingsbeding belang moet worden gehecht aan het feit dat [de gedaagde] de prijsverhogingen jarenlang zonder protest heeft geaccepteerd. Dit betoog faalt. 2.3. De kantonrechter moet ambtshalve toetsen of het prijswijzigingsbeding in de overeenkomst oneerlijk is, zelfs als [de gedaagde] tegen dit onderdeel van het geschil tussen partijen geen bezwaren heeft geuit. De consument dient volgens de richtlijn namelijk beschermd te worden tegen oneerlijke bedingen die zijn opgenomen in standaardovereenkomsten voor diensten die zij afnemen om te voorkomen dat het evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van de partijen aanzienlijk wordt verstoord. Of [de gedaagde] al dan niet heeft geprotesteerd tegen de doorgevoerde prijsverhogingen van de afgelopen jaren is in dit verband niet relevant. 2.4. Verder heeft [de eiser] samengevat aangevoerd dat het prijswijzigingsbeding ten tijde van het sluiten van de overeenkomst in 2008 voldoende transparant en specifiek was. Volgens haar moest de term ‘algemene prijsindexcijfer’ destijds worden opgevat als een verwijzing naar de door het CBS gepubliceerde consumentenprijsindex (CPI). Ook merkt [de eiser] op dat de wijze waarop de prijswijziging tot stand kwam kenbaar was voor [de gedaagde] aangezien [de eiser] jarenlang een verhoging van 2,5% tot 3% heeft aangehouden. Die verhogingen waren volgens [de eiser] steeds gebaseerd op de CPI van het CBS en de verhogingen die aan [de eiser] vanuit de meldkamer(s) werden opgelegd. Ook dit betoog wordt niet gevolgd. 2.5. Uit de richtlijn en vaste rechtspraak van het Europese Hof van Justitie volgt dat het bij de beantwoording van de vraag of een prijswijzigingsbeding oneerlijk is, van belang is of het beding transparant is, het beding op de blauwe lijst behorende bij de richtlijn staat vermeld en of in het beding de reden waarom of de wijze waarop de genoemde kosten worden aangepast staan vermeld, zodat de consument op basis van duidelijke en begrijpelijke criteria eventuele wijzigingen van de kosten kan voorzien. Ook is van belang of de consument het recht heeft om de overeenkomst te beëindigen in geval van daadwerkelijke wijziging van de kosten. 2.6. Zoals in het tussenvonnis al is overwogen voldoet het beding niet aan het transparantievereiste en staat het beding (onder punt 1, sub j en l) op de blauwe lijst. Het beding bevat geen concrete beschrijving van de wijze waarop de prijs wordt aangepast en/of specifieke verwijzing naar de door het CBS gepubliceerde CPI. Het beding verwijst alleen in algemene termen naar ‘de jaarlijkse prijsindexering (algemene prijsindexcijfer’. Het is niet zonder meer duidelijk welk algemeen prijsindexcijfer hiermee wordt bedoeld. Volgens [de eiser] verwijst het beding naar de CPI van de CBS, maar tegelijkertijd stelt [de eiser] dat het beding ook ziet op de verhogingen die aan [de eiser] vanuit de meldkamer(s) (zoals externe kosten en loonkostenstijgingen) worden opgelegd. Dit volgt zoals gezegd niet expliciet uit het beding. Bovendien rijmt dit ook niet met de stelling van [de eiser] dat het beding alleen verwijst naar de CPI van het CBS. Dit alles maakt dat het ten tijde van het sluiten van de overeenkomst niet duidelijk was welke criteria er precies zouden worden gehanteerd bij de berekening van de prijswijziging. [de gedaagde] was dan ook niet in staat te begrijpen hoe de prijswijzing in de praktijk zou worden berekend en welke, mogelijk aanzienlijke, economische gevolgen het beding voor hem kon hebben. Daar komt bij dat het beding evenmin rept over de reden waarom de genoemde kosten worden aangepast en de mogelijkheid tot opzegging van de overeenkomst in geval van een kostenwijziging. 2.7. De conclusie is dat het prijswijzigingsbeding oneerlijk is en dat dit daarom wordt vernietigd. De vernietiging heeft tot gevolg dat het prijswijzigingsbeding buiten toepassing blijft en er dus geen prijsverhogingen mochten worden doorgevoerd. Dit betekent concreet dat de in het verleden toegepaste en betaalde verhogingen onverschuldigd zijn betaald en dat [de gedaagde] over het jaar 2024 alleen de oorspronkelijke abonnementskosten over de periode van 1 januari 2024 tot 1 juli 2024 ad (363,00 / 2 =) € 181,50 verschuldigd is. [de gedaagde] zal daarom worden veroordeeld tot betaling van dit bedrag. Omdat [de gedaagde] te laat is met de betaling, moet hij ook de wettelijke rente hierover betalen. De wettelijke rente zal, zoals gevorderd, worden toegewezen vanaf 13 maart 2025. 2.8. Dat [de eiser] door de vernietiging van het oneerlijke beding overigens nadeel ondervindt, zoals zij heeft aangevoerd, doet aan het voorgaande niet af. Het doel van de richtlijn is namelijk om oneerlijke bedingen uit overeenkomsten met consumenten te laten verdwijnen en eerlijke concurrentie tussen handelaren te bevorderen. Om dat doel te bereiken dienen sancties onder meer afschrikkend en doeltreffend te zijn. Verwacht wordt dat de handelaar ( [de eiser] ) daardoor wordt aangezet verandering te bewerkstelligen, zoals aanpassing of verwijdering van oneerlijke bedingen in haar voorwaarden. Eventuele (financiële) nadelen van een vernietiging van een oneerlijk beding zijn een bijeffect om dit hogere doel te realiseren. 2.9. [de eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat [de gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. [de eiser] heeft aan [de gedaagde] een aanmaning verstuurd die niet voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. In de aanmaning is namelijk geen betalingstermijn van veertien dagen gegeven die ingaat op de dag na ontvangst van de aanmaning door [de gedaagde] . Dit is wel vereist op grond van artikel 6:96 lid 6 BW. De gevorderde vergoeding zal daarom worden afgewezen. 2.10. Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 3 De beslissing De kantonrechter 3.1.