Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2026-04-15
ECLI:NL:RBGEL:2026:2937
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
16,112 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:2937 text/xml public 2026-04-29T16:20:46 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-04-15 11935666 Uitspraak Bodemzaak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Apeldoorn Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2937 text/html public 2026-04-29T16:19:43 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:2937 Rechtbank Gelderland , 15-04-2026 / 11935666 Vakantiepark. Recreatiewoning. Parkservicebijdrage. Kettingbeding. Opschorting. Eenzijdig wijzigingsbeding niet onredelijk bezwarend. Schending informatieverplichting. RECHTBANK GELDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Apeldoorn Zaaknummer: 11935666 \ CV EXPL 25-3349 Vonnis van 15 april 2026 in de zaak van RECREATIEPARK HET ESMEER B.V. , te Aalst, eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: Het Esmeer, gemachtigde: mr. G. Oudshoorn, tegen 1 [naam gedaagde in conventie / eisende in reconventie 1] , te [woonplaats] , 2. [naam gedaagde in conventie / eisende in reconventie 2] , te [woonplaats] , gedaagde partijen in conventie, eisende partijen in reconventie, hierna afzonderlijk te noemen: [gedaagde in conventie 1] en [gedaagde in conventie 2] en samen te noemen: [de gedaagde in conventie] (in mannelijk enkelvoud), gemachtigde: mr. J.C. Kotteman. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 7 januari 2026, - de conclusie van antwoord in reconventie, - de (eerste) akte overlegging aanvullende producties gedateerd op 23 februari 2026 van de zijde van [de gedaagde in conventie] , - de mondelinge behandeling van 5 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.2. De (tweede) akte overlegging producties gedateerd op 25 februari 2026 van de zijde van [de gedaagde in conventie] is niet tijdig ingediend en wordt daarom, zoals reeds tijdens de mondelinge behandeling is aangekondigd, door de kantonrechter buiten beschouwing gelaten. 1.3. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. Het Esmeer exploiteert een recreatiepark met onder meer 110 recreatiewoningen onder de naam Het Esmeer (hierna: het park). Het park is onderdeel van het concern ‘Topparken’ en beschikt over onder meer een bemande receptie, restaurant met terras, gameroom, fiets- en kajakverhuur, wasfaciliteiten, een steiger bij de jachthaven en een speeltuin. 2.2. Op 27 januari 2022 hebben [voormalig eigenaar 1] en [voormalig eigenaar 1] (hierna: de voormalige eigenaren) een op het park gelegen recreatiewoning gelegen aan het [adres] te Aalst (hierna: de recreatiewoning) aan [de gedaagde in conventie] verkocht. 2.3. Bij factuur van 31 mei 2022 heeft Het Esmeer een bedrag van in totaal € 1.367,74 (incl. btw) aan [de gedaagde in conventie] in rekening gebracht. In de omschrijving van de factuur is vermeld: “OMSCHRIJVING PRIJS TOTAAL (…) Parkbijdrage, 214 dagen à 1.893,18 per jaar € 1.109,97 € 1.109,97 Internet , 214 dagen à 210,00 per jaar € 123,12 € 123,12 CAT, 214 dagen à 120,00 per jaar € 70,36 € 70,36 Restafval, 214 dagen à € 125,00 per jaar € 73,29 € 73,29 Totaal incl. btw € 1.376,74 (…)” [de gedaagde in conventie] heeft dit factuurbedrag betaald. 2.4. Op 1 juni 2022 is de recreatiewoning aan [de gedaagde in conventie] geleverd. In de akte van levering d.d. 1 juni 2022 (hierna: de leveringsakte) is onder meer het volgende bepaald: “(…) BIJZONDERE LASTEN EN BEPERKINGEN Ten aanzien van met betrekking tot het verkochte bestaande bijzondere lasten en beperkingen van civielrechtelijke aard wordt verwezen naar voormelde titel van aankomst waarin onder meer het volgende voorkomt, woordelijk luidende: b. de akte houdende “Algemene bepalingen tevens omvattende het parkreglement Recreatiepark Het Esmeer” (…) (…) d. voormelde titel van aankomst (…) woordelijk luidende als volgt: (…) Kettingbeding Artikel 11. In de koopovereenkomst is ondermeer het navolgende bepaald: (…) 25.7 In de akte van levering zal een ketting-/boetebeding worden opgenomen ondermeer inhoudende dat bij verkoop van het Verkochte de rechtsopvolger(s) onder bijzondere titel de parkservicebijdrage dien(t)(en) te betalen tegen de alsdan geldende tarieven, ook als deze afwijkend is van de huidige tarieven; een en ander nader te redigeren door de projectnotaris. (…)” 2.5. In de Algemene Bepalingen tevens omvattende parkreglement recreatiepark Het Esmeer van 6 augustus 2009 (hierna: het Parkreglement) staat, voor zover voor de beoordeling van het geschil relevant, het volgende: “(…) 3.2.6. dat de Vennootschap, dan wel de Beheerder zorg zal (doen) dragen voor: 3.2.6.1. het algemeen toezicht, de verlichting van wegen en paden, het schoon- en vrijhouden van wegen en paden en het gebruik van de kosteloze faciliteiten. (…) Voor de afvoer van huisvuil dient Koper gebruik te maken van de perscontainer op het park. De daarvoor benodigde munten zijn tegen betaling verkrijgbaar bij de receptie op het park. Voor de afvoer van overig afval (zoals onder andere tuinafval en glas) zal jaarlijks separaat een vergoeding in rekening worden gebracht. (…) 3.2.6.2. de leverantie van water, elektriciteit en gas komen voor rekening van Koper (met opslagpercentage). (…) (…) Verplichtingen voor Koper (…) 4.15. Kosten verbonden aan het gebruik van gas, water, elektriciteit komen voor rekening van Koper (inclusief opslagpercentage), alsmede de zuiveringslasten en zakelijke belastingen, (…) (…) 4.17. Voor de afvoer van huisvuil dient Koper gebruik te maken van de perscontainer op Recreatiepark Het Esmeer. De daarvoor benodigde munten zijn tegen betaling verkrijgbaar bij de receptie op Recreatiepark Het Esmeer. Er wordt een vergoeding in rekening gebracht voor afvoer van restafval ad tweeëntachtig euro (€ 82,00) per jaar per kavel. (…) Deze vergoedingen kunnen jaarlijks worden herzien door de Beheerder. (…)” 2.6. Het Esmeer heeft in de periode vanaf 1 februari 2023 tot en met 1 maart 2025 een bedrag van in totaal € 7.006,94 aan [de gedaagde in conventie] in rekening gebracht voor de jaarlijkse parkservicebijdrage, de (door)levering van internet en nutsvoorzieningen en de afvoer van afval op het park. [de gedaagde in conventie] heeft een bedrag van in totaal € 1.719,76 in mindering op deze factuurbedragen betaald. Het nog opstaande factuurbedrag van in totaal € 5.287,18 heeft hij ook na herhaalde aanmaning onbetaald gelaten. 2.7. [gedaagde in conventie 1] is voorzitter van de Belangenvereniging Het Esmeer (hierna: de Belangenvereniging). Het Esmeer enerzijds en de Belangenvereniging en 39 eigenaren van de recreatiewoningen anderzijds hebben in 2025 een kort geding procedure gevoerd bij de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem (zaaknummer C/05/446042 / KG ZA 25-6). In die procedure vorderde de Belangenvereniging en de eigenaren inzage in de kosten van onder meer de Parkservicebijdragen, gas, water en energie. Bij vonnis in kort geding van 12 maart 2025 heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van Het Esmeer grotendeels afgewezen. 3 Het geschil in conventie 3.1. Het Esmeer vordert dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [de gedaagde in conventie] hoofdelijk zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 6.730,04 (€ 5.587,18 + € 449,87 + € 692,99), althans een bedrag dat de kantonrechter in goede justitie gerechtvaardigd acht en [de gedaagde in conventie] hoofdelijk zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente over de proceskosten. in reconventie 3.2. [de gedaagde in conventie] vordert dat de kantonrechter bij vonnis: 1. voor recht zal verklaren dat artikel 24.3 van de koopovereenkomst en/of artikel 6 lid 2 van het Parkreglement, althans een bepaling op grond waarvan Het Esmeer tot eenzijdige verhoging van de overeengekomen kosten die met de afvoer van restafval gepaard gaan, kan overgaan, in strijd is/zijn met het consumentenrecht, 2.
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:2937 text/xml public 2026-04-29T16:20:46 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-04-15 11935666 Uitspraak Bodemzaak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Apeldoorn Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2937 text/html public 2026-04-29T16:19:43 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:2937 Rechtbank Gelderland , 15-04-2026 / 11935666 Vakantiepark. Recreatiewoning. Parkservicebijdrage. Kettingbeding. Opschorting. Eenzijdig wijzigingsbeding niet onredelijk bezwarend. Schending informatieverplichting. RECHTBANK GELDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Apeldoorn Zaaknummer: 11935666 \ CV EXPL 25-3349 Vonnis van 15 april 2026 in de zaak van RECREATIEPARK HET ESMEER B.V. , te Aalst, eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: Het Esmeer, gemachtigde: mr. G. Oudshoorn, tegen 1 [naam gedaagde in conventie / eisende in reconventie 1] , te [woonplaats] , 2. [naam gedaagde in conventie / eisende in reconventie 2] , te [woonplaats] , gedaagde partijen in conventie, eisende partijen in reconventie, hierna afzonderlijk te noemen: [gedaagde in conventie 1] en [gedaagde in conventie 2] en samen te noemen: [de gedaagde in conventie] (in mannelijk enkelvoud), gemachtigde: mr. J.C. Kotteman. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 7 januari 2026, - de conclusie van antwoord in reconventie, - de (eerste) akte overlegging aanvullende producties gedateerd op 23 februari 2026 van de zijde van [de gedaagde in conventie] , - de mondelinge behandeling van 5 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.2. De (tweede) akte overlegging producties gedateerd op 25 februari 2026 van de zijde van [de gedaagde in conventie] is niet tijdig ingediend en wordt daarom, zoals reeds tijdens de mondelinge behandeling is aangekondigd, door de kantonrechter buiten beschouwing gelaten. 1.3. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. Het Esmeer exploiteert een recreatiepark met onder meer 110 recreatiewoningen onder de naam Het Esmeer (hierna: het park). Het park is onderdeel van het concern ‘Topparken’ en beschikt over onder meer een bemande receptie, restaurant met terras, gameroom, fiets- en kajakverhuur, wasfaciliteiten, een steiger bij de jachthaven en een speeltuin. 2.2. Op 27 januari 2022 hebben [voormalig eigenaar 1] en [voormalig eigenaar 1] (hierna: de voormalige eigenaren) een op het park gelegen recreatiewoning gelegen aan het [adres] te Aalst (hierna: de recreatiewoning) aan [de gedaagde in conventie] verkocht. 2.3. Bij factuur van 31 mei 2022 heeft Het Esmeer een bedrag van in totaal € 1.367,74 (incl. btw) aan [de gedaagde in conventie] in rekening gebracht. In de omschrijving van de factuur is vermeld: “OMSCHRIJVING PRIJS TOTAAL (…) Parkbijdrage, 214 dagen à 1.893,18 per jaar € 1.109,97 € 1.109,97 Internet , 214 dagen à 210,00 per jaar € 123,12 € 123,12 CAT, 214 dagen à 120,00 per jaar € 70,36 € 70,36 Restafval, 214 dagen à € 125,00 per jaar € 73,29 € 73,29 Totaal incl. btw € 1.376,74 (…)” [de gedaagde in conventie] heeft dit factuurbedrag betaald. 2.4. Op 1 juni 2022 is de recreatiewoning aan [de gedaagde in conventie] geleverd. In de akte van levering d.d. 1 juni 2022 (hierna: de leveringsakte) is onder meer het volgende bepaald: “(…) BIJZONDERE LASTEN EN BEPERKINGEN Ten aanzien van met betrekking tot het verkochte bestaande bijzondere lasten en beperkingen van civielrechtelijke aard wordt verwezen naar voormelde titel van aankomst waarin onder meer het volgende voorkomt, woordelijk luidende: b. de akte houdende “Algemene bepalingen tevens omvattende het parkreglement Recreatiepark Het Esmeer” (…) (…) d. voormelde titel van aankomst (…) woordelijk luidende als volgt: (…) Kettingbeding Artikel 11. In de koopovereenkomst is ondermeer het navolgende bepaald: (…) 25.7 In de akte van levering zal een ketting-/boetebeding worden opgenomen ondermeer inhoudende dat bij verkoop van het Verkochte de rechtsopvolger(s) onder bijzondere titel de parkservicebijdrage dien(t)(en) te betalen tegen de alsdan geldende tarieven, ook als deze afwijkend is van de huidige tarieven; een en ander nader te redigeren door de projectnotaris. (…)” 2.5. In de Algemene Bepalingen tevens omvattende parkreglement recreatiepark Het Esmeer van 6 augustus 2009 (hierna: het Parkreglement) staat, voor zover voor de beoordeling van het geschil relevant, het volgende: “(…) 3.2.6. dat de Vennootschap, dan wel de Beheerder zorg zal (doen) dragen voor: 3.2.6.1. het algemeen toezicht, de verlichting van wegen en paden, het schoon- en vrijhouden van wegen en paden en het gebruik van de kosteloze faciliteiten. (…) Voor de afvoer van huisvuil dient Koper gebruik te maken van de perscontainer op het park. De daarvoor benodigde munten zijn tegen betaling verkrijgbaar bij de receptie op het park. Voor de afvoer van overig afval (zoals onder andere tuinafval en glas) zal jaarlijks separaat een vergoeding in rekening worden gebracht. (…) 3.2.6.2. de leverantie van water, elektriciteit en gas komen voor rekening van Koper (met opslagpercentage). (…) (…) Verplichtingen voor Koper (…) 4.15. Kosten verbonden aan het gebruik van gas, water, elektriciteit komen voor rekening van Koper (inclusief opslagpercentage), alsmede de zuiveringslasten en zakelijke belastingen, (…) (…) 4.17. Voor de afvoer van huisvuil dient Koper gebruik te maken van de perscontainer op Recreatiepark Het Esmeer. De daarvoor benodigde munten zijn tegen betaling verkrijgbaar bij de receptie op Recreatiepark Het Esmeer. Er wordt een vergoeding in rekening gebracht voor afvoer van restafval ad tweeëntachtig euro (€ 82,00) per jaar per kavel. (…) Deze vergoedingen kunnen jaarlijks worden herzien door de Beheerder. (…)” 2.6. Het Esmeer heeft in de periode vanaf 1 februari 2023 tot en met 1 maart 2025 een bedrag van in totaal € 7.006,94 aan [de gedaagde in conventie] in rekening gebracht voor de jaarlijkse parkservicebijdrage, de (door)levering van internet en nutsvoorzieningen en de afvoer van afval op het park. [de gedaagde in conventie] heeft een bedrag van in totaal € 1.719,76 in mindering op deze factuurbedragen betaald. Het nog opstaande factuurbedrag van in totaal € 5.287,18 heeft hij ook na herhaalde aanmaning onbetaald gelaten. 2.7. [gedaagde in conventie 1] is voorzitter van de Belangenvereniging Het Esmeer (hierna: de Belangenvereniging). Het Esmeer enerzijds en de Belangenvereniging en 39 eigenaren van de recreatiewoningen anderzijds hebben in 2025 een kort geding procedure gevoerd bij de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem (zaaknummer C/05/446042 / KG ZA 25-6). In die procedure vorderde de Belangenvereniging en de eigenaren inzage in de kosten van onder meer de Parkservicebijdragen, gas, water en energie. Bij vonnis in kort geding van 12 maart 2025 heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van Het Esmeer grotendeels afgewezen. 3 Het geschil in conventie 3.1. Het Esmeer vordert dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [de gedaagde in conventie] hoofdelijk zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 6.730,04 (€ 5.587,18 + € 449,87 + € 692,99), althans een bedrag dat de kantonrechter in goede justitie gerechtvaardigd acht en [de gedaagde in conventie] hoofdelijk zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente over de proceskosten. in reconventie 3.2. [de gedaagde in conventie] vordert dat de kantonrechter bij vonnis: 1. voor recht zal verklaren dat artikel 24.3 van de koopovereenkomst en/of artikel 6 lid 2 van het Parkreglement, althans een bepaling op grond waarvan Het Esmeer tot eenzijdige verhoging van de overeengekomen kosten die met de afvoer van restafval gepaard gaan, kan overgaan, in strijd is/zijn met het consumentenrecht, 2.
Volledig
voor recht zal verklaren dat er geen beding in de tussen Het Esmeer en [de gedaagde in conventie] gesloten overeenkomst is op basis waarvan Het Esmeer aan [de gedaagde in conventie] de gevorderde bedragen aan ‘internet’ in rekening mag brengen, dan wel voor recht zal verklaren dat een beding op grond waarvan Het Esmeer over de daadwerkelijk voor ‘internet’ gemaakte kosten een ‘opslag’ mag vorderen, in strijd is met het consumentenrecht, 3. voor recht zal verklaren dat artikel 25.4 van de koopovereenkomst en/of artikel 3.2.6.2. van de Algemene Bepalingen (tevens omvattende (het) Parkreglement recreatiepark) op basis waarvan Het Esmeer over de aan het gebruik van gas, water en elektriciteit verbonden kosten een opslagpercentage aan [de gedaagde in conventie] in rekening brengt, in strijd is/zijn met het consumentenrecht, indien en voor zover de kantonrechter oordeelt dat Het Esmeer een bedrag van [de gedaagde in conventie] aan parkservicebijdrage en/of energiekosten te vorderen heeft: 4. voor recht zal verklaren dat [de gedaagde in conventie] deze op hen rustende betalingsverplichting(en) rechtsgeldig hebben opgeschort. zowel in conventie als in reconventie 3.3. Partijen voeren over en weer verweer. [de gedaagde in conventie] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Het Esmeer, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Het Esmeer. Het Esmeer concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [de gedaagde in conventie] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [de gedaagde in conventie] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de gedaagde in conventie] in de kosten van deze procedure en de nakosten. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling in conventie en in reconventie 4.1. Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld. 4.2. In deze procedure gaat het om de vraag of [de gedaagde in conventie] de door Het Esmeer in rekening gebrachte kosten voor de jaarlijkse parkservicebijdrage, de afvoer van afval en de (door)levering van internet en gas, water en licht is verschuldigd. Deze posten zullen hierna afzonderlijk worden besproken. Parkservicebijdrage 4.3. Het Esmeer maakt aanspraak op betaling van de door [de gedaagde in conventie] sinds 2023 onbetaald gebleven jaarlijkse parkservicebijdrage. Blijkens de door Het Esmeer overgelegde facturen gaat het hierbij om een bedrag van in totaal € 4.651,52 en ziet dit bedrag op de periode van 1 februari 2023 tot en met 1 maart 2025. 4.4. In de leveringsakte van 1 juni 2022 is een kettingbeding opgenomen (zie hiervoor 2.4.). Daarin is bepaald dat de koper (in dit geval [de gedaagde in conventie] ) zich jegens Het Esmeer verbindt om een vaste jaarlijkse parkservicebijdrage te betalen tegen de alsdan geldende tarieven, ook als die afwijken van de huidige tarieven. [de gedaagde in conventie] is derhalve op grond van het kettingbeding een jaarlijkse parkservicebijdrage aan Het Esmeer verschuldigd. Dit is in zoverre tussen partijen ook niet in geschil. [de gedaagde in conventie] betwist echter de hoogte van de door hem verschuldigde parkservicebijdrage. Hij voert daartoe aan dat die hoogte niet expliciet door partijen is overeengekomen terwijl dat volgens hem wel is vereist. Volgens [de gedaagde in conventie] is namelijk in artikel 24.2 van de koopovereenkomst bepaald dat de hoogte van de parkservicebijdrage in een door de koper voor akkoord getekende bijlage moet zijn vastgelegd. Omdat een dergelijke getekende bijlage onderbreekt, is het door Het Esmeer vastgestelde tarief niet expliciet tussen partijen overeengekomen en is [de gedaagde in conventie] niet de door Het Esmeer jaarlijks vastgestelde parkservicebijdrage verschuldigd maar uitsluitend een redelijke jaarlijkse vergoeding. Die redelijke vergoeding is aanzienlijk lager dan de door Het Esmeer vastgestelde vergoeding, aldus [de gedaagde in conventie] 4.5. [de gedaagde in conventie] wordt niet in zijn standpunt gevolgd. In het kettingbeding in de leveringsakte van 1 juni 2022 is immers bepaald dat [de gedaagde in conventie] een jaarlijkse parkservicebijdrage is verschuldigd tegen de alsdan geldende tarieven. Volgens deze bepaling in het kettingbeding hoeft de koper van een recreatiewoning dus niet expliciet in te stemmen met de hoogte van de door Het Esmeer vastgestelde parkservicebijdrage. Dat in artikel 24.2 van de koopovereenkomst voor wat betreft de hoogte van de parkservicebijdrage wordt verwezen naar een door de koper voor akkoord te tekenen bijlage, maakt dit niet anders. Allereerst is niet gesteld of gebleken dat artikel 24.2 van de koopovereenkomst – die tussen [de gedaagde in conventie] en de voormalige eigenaren tot stand is gekomen – onderdeel uitmaakt van het kettingbeding en daarmee onderdeel is geworden van de rechtsverhouding tussen Het Esmeer en [de gedaagde in conventie] Daar komt bij dat ook als er veronderstellenderwijs wel van wordt uitgegaan dat dit artikel onderdeel uitmaakt van het kettingbeding, het enkele ontbreken van een handtekening van [de gedaagde in conventie] op een bijlage (in dit geval een tarievenblad) niet betekent dat hij daarom niet is gebonden aan de hoogte van de door Het Esmeer vastgestelde parkservicebijdrage. Het voorschrift dat de koper een bijlage dient te ondertekenen kan in dit geval niet anders worden uitgelegd en begrepen dan dat dit slechts een formeel vormvereiste is om zekerheid te verschaffen dat de koper van een recreatiewoning is geïnformeerd over de hoogte van de daarin vermelde tarieven. Het Esmeer heeft onweersproken gesteld dat [de gedaagde in conventie] het tarievenblad voorafgaand aan de levering van de recreatiewoning heeft ontvangen. Ook heeft [de gedaagde in conventie] voorafgaand aan de levering de factuur van 31 mei 2022 (zie hiervoor 2.3.) ontvangen waarin de tarieven, waaronder de hoogte van de parkservicebijdrage voor dat jaar, zijn vermeld. [de gedaagde in conventie] heeft vervolgens dit factuurbedrag betaald en heeft daartegen niet gereclameerd. Daarmee heeft hij de verschuldigdheid van de hoogte van de door Het Esmeer vastgestelde parkservicebijdrage erkend. Het enkele feit dat [de gedaagde in conventie] geen handtekening heeft geplaatst op het door hem ontvangen tarievenblad, betekent dus, anders dan [de gedaagde in conventie] meent, niet dat hij daarom niet is gebonden aan de daarin vermelde tarieven. Het verweer van [de gedaagde in conventie] op dit punt faalt dan ook. 4.6. Het voorgaande betekent dat de vordering die strekt tot betaling van de parkservicebijdrage ter hoogte van € 4.651,52 toewijsbaar is. Afval 4.7. Het Esmeer maakt blijkens de overgelegde facturen aanspraak op betaling van een bedrag van in totaal € 527,23 wegens de kosten voor het afvoeren van afval over de periode van 1 februari 2023 tot en met 1 maart 2025. 4.8. [de gedaagde in conventie] voert verweer tegen de hoogte van het door Het Esmeer in rekening gebrachte tarief voor de afvoer van afval. Hij voert daartoe aan dat zowel artikel 24.3 van de koopovereenkomst als artikel 6 lid 2 van het Parkreglement moeten worden vernietigd omdat deze bedingen, zo stelt hij, oneerlijk zijn. Het Esmeer is namelijk op grond van deze bedingen gerechtigd het vaste tarief voor de afvoer van afval eenzijdig te wijzen zonder dat zij daarvoor een geldige reden hoeft te geven. Als gevolg van de vernietiging mag Het Esmeer het vaste bedrag voor de afvoer van afval ter hoogte van € 82,00 niet verhogen en is [de gedaagde in conventie] uitstuitend dit bedrag per jaar verschuldigd, aldus [de gedaagde in conventie] 4.9. Vooropgesteld wordt dat Het Esmeer zich in dit geval niet op artikel 24.3 van de koopovereenkomst of artikel 6 lid 2 van de het Parkreglement beroept maar op artikel 4.17 van het Parkreglement (zie hiervoor 2.5.). Voor zover [de gedaagde in conventie] beoogt te stellen dat het beding in dit artikel onredelijk bezwarend is en daarom moet worden vernietigd, wordt overwogen als volgt. 4.10. Allereerst moet worden beoordeeld of het beding in artikel 4.17 van het Parkreglement is te beschouwen als een algemene voorwaarde als bedoeld in artikel 6:231 BW.
Volledig
voor recht zal verklaren dat er geen beding in de tussen Het Esmeer en [de gedaagde in conventie] gesloten overeenkomst is op basis waarvan Het Esmeer aan [de gedaagde in conventie] de gevorderde bedragen aan ‘internet’ in rekening mag brengen, dan wel voor recht zal verklaren dat een beding op grond waarvan Het Esmeer over de daadwerkelijk voor ‘internet’ gemaakte kosten een ‘opslag’ mag vorderen, in strijd is met het consumentenrecht, 3. voor recht zal verklaren dat artikel 25.4 van de koopovereenkomst en/of artikel 3.2.6.2. van de Algemene Bepalingen (tevens omvattende (het) Parkreglement recreatiepark) op basis waarvan Het Esmeer over de aan het gebruik van gas, water en elektriciteit verbonden kosten een opslagpercentage aan [de gedaagde in conventie] in rekening brengt, in strijd is/zijn met het consumentenrecht, indien en voor zover de kantonrechter oordeelt dat Het Esmeer een bedrag van [de gedaagde in conventie] aan parkservicebijdrage en/of energiekosten te vorderen heeft: 4. voor recht zal verklaren dat [de gedaagde in conventie] deze op hen rustende betalingsverplichting(en) rechtsgeldig hebben opgeschort. zowel in conventie als in reconventie 3.3. Partijen voeren over en weer verweer. [de gedaagde in conventie] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Het Esmeer, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Het Esmeer. Het Esmeer concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [de gedaagde in conventie] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [de gedaagde in conventie] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de gedaagde in conventie] in de kosten van deze procedure en de nakosten. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling in conventie en in reconventie 4.1. Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld. 4.2. In deze procedure gaat het om de vraag of [de gedaagde in conventie] de door Het Esmeer in rekening gebrachte kosten voor de jaarlijkse parkservicebijdrage, de afvoer van afval en de (door)levering van internet en gas, water en licht is verschuldigd. Deze posten zullen hierna afzonderlijk worden besproken. Parkservicebijdrage 4.3. Het Esmeer maakt aanspraak op betaling van de door [de gedaagde in conventie] sinds 2023 onbetaald gebleven jaarlijkse parkservicebijdrage. Blijkens de door Het Esmeer overgelegde facturen gaat het hierbij om een bedrag van in totaal € 4.651,52 en ziet dit bedrag op de periode van 1 februari 2023 tot en met 1 maart 2025. 4.4. In de leveringsakte van 1 juni 2022 is een kettingbeding opgenomen (zie hiervoor 2.4.). Daarin is bepaald dat de koper (in dit geval [de gedaagde in conventie] ) zich jegens Het Esmeer verbindt om een vaste jaarlijkse parkservicebijdrage te betalen tegen de alsdan geldende tarieven, ook als die afwijken van de huidige tarieven. [de gedaagde in conventie] is derhalve op grond van het kettingbeding een jaarlijkse parkservicebijdrage aan Het Esmeer verschuldigd. Dit is in zoverre tussen partijen ook niet in geschil. [de gedaagde in conventie] betwist echter de hoogte van de door hem verschuldigde parkservicebijdrage. Hij voert daartoe aan dat die hoogte niet expliciet door partijen is overeengekomen terwijl dat volgens hem wel is vereist. Volgens [de gedaagde in conventie] is namelijk in artikel 24.2 van de koopovereenkomst bepaald dat de hoogte van de parkservicebijdrage in een door de koper voor akkoord getekende bijlage moet zijn vastgelegd. Omdat een dergelijke getekende bijlage onderbreekt, is het door Het Esmeer vastgestelde tarief niet expliciet tussen partijen overeengekomen en is [de gedaagde in conventie] niet de door Het Esmeer jaarlijks vastgestelde parkservicebijdrage verschuldigd maar uitsluitend een redelijke jaarlijkse vergoeding. Die redelijke vergoeding is aanzienlijk lager dan de door Het Esmeer vastgestelde vergoeding, aldus [de gedaagde in conventie] 4.5. [de gedaagde in conventie] wordt niet in zijn standpunt gevolgd. In het kettingbeding in de leveringsakte van 1 juni 2022 is immers bepaald dat [de gedaagde in conventie] een jaarlijkse parkservicebijdrage is verschuldigd tegen de alsdan geldende tarieven. Volgens deze bepaling in het kettingbeding hoeft de koper van een recreatiewoning dus niet expliciet in te stemmen met de hoogte van de door Het Esmeer vastgestelde parkservicebijdrage. Dat in artikel 24.2 van de koopovereenkomst voor wat betreft de hoogte van de parkservicebijdrage wordt verwezen naar een door de koper voor akkoord te tekenen bijlage, maakt dit niet anders. Allereerst is niet gesteld of gebleken dat artikel 24.2 van de koopovereenkomst – die tussen [de gedaagde in conventie] en de voormalige eigenaren tot stand is gekomen – onderdeel uitmaakt van het kettingbeding en daarmee onderdeel is geworden van de rechtsverhouding tussen Het Esmeer en [de gedaagde in conventie] Daar komt bij dat ook als er veronderstellenderwijs wel van wordt uitgegaan dat dit artikel onderdeel uitmaakt van het kettingbeding, het enkele ontbreken van een handtekening van [de gedaagde in conventie] op een bijlage (in dit geval een tarievenblad) niet betekent dat hij daarom niet is gebonden aan de hoogte van de door Het Esmeer vastgestelde parkservicebijdrage. Het voorschrift dat de koper een bijlage dient te ondertekenen kan in dit geval niet anders worden uitgelegd en begrepen dan dat dit slechts een formeel vormvereiste is om zekerheid te verschaffen dat de koper van een recreatiewoning is geïnformeerd over de hoogte van de daarin vermelde tarieven. Het Esmeer heeft onweersproken gesteld dat [de gedaagde in conventie] het tarievenblad voorafgaand aan de levering van de recreatiewoning heeft ontvangen. Ook heeft [de gedaagde in conventie] voorafgaand aan de levering de factuur van 31 mei 2022 (zie hiervoor 2.3.) ontvangen waarin de tarieven, waaronder de hoogte van de parkservicebijdrage voor dat jaar, zijn vermeld. [de gedaagde in conventie] heeft vervolgens dit factuurbedrag betaald en heeft daartegen niet gereclameerd. Daarmee heeft hij de verschuldigdheid van de hoogte van de door Het Esmeer vastgestelde parkservicebijdrage erkend. Het enkele feit dat [de gedaagde in conventie] geen handtekening heeft geplaatst op het door hem ontvangen tarievenblad, betekent dus, anders dan [de gedaagde in conventie] meent, niet dat hij daarom niet is gebonden aan de daarin vermelde tarieven. Het verweer van [de gedaagde in conventie] op dit punt faalt dan ook. 4.6. Het voorgaande betekent dat de vordering die strekt tot betaling van de parkservicebijdrage ter hoogte van € 4.651,52 toewijsbaar is. Afval 4.7. Het Esmeer maakt blijkens de overgelegde facturen aanspraak op betaling van een bedrag van in totaal € 527,23 wegens de kosten voor het afvoeren van afval over de periode van 1 februari 2023 tot en met 1 maart 2025. 4.8. [de gedaagde in conventie] voert verweer tegen de hoogte van het door Het Esmeer in rekening gebrachte tarief voor de afvoer van afval. Hij voert daartoe aan dat zowel artikel 24.3 van de koopovereenkomst als artikel 6 lid 2 van het Parkreglement moeten worden vernietigd omdat deze bedingen, zo stelt hij, oneerlijk zijn. Het Esmeer is namelijk op grond van deze bedingen gerechtigd het vaste tarief voor de afvoer van afval eenzijdig te wijzen zonder dat zij daarvoor een geldige reden hoeft te geven. Als gevolg van de vernietiging mag Het Esmeer het vaste bedrag voor de afvoer van afval ter hoogte van € 82,00 niet verhogen en is [de gedaagde in conventie] uitstuitend dit bedrag per jaar verschuldigd, aldus [de gedaagde in conventie] 4.9. Vooropgesteld wordt dat Het Esmeer zich in dit geval niet op artikel 24.3 van de koopovereenkomst of artikel 6 lid 2 van de het Parkreglement beroept maar op artikel 4.17 van het Parkreglement (zie hiervoor 2.5.). Voor zover [de gedaagde in conventie] beoogt te stellen dat het beding in dit artikel onredelijk bezwarend is en daarom moet worden vernietigd, wordt overwogen als volgt. 4.10. Allereerst moet worden beoordeeld of het beding in artikel 4.17 van het Parkreglement is te beschouwen als een algemene voorwaarde als bedoeld in artikel 6:231 BW.
Volledig
Uit artikel 6:231 BW volgt dat algemene voorwaarden bedingen zijn die zijn opgesteld teneinde in een aantal overeenkomsten te worden opgenomen, met uitzondering van bedingen die de kern van de prestaties aangegeven voor zover deze laatstgenoemde bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd (de zogenoemde kernbedingen). 4.11. Het begrip kernbeding moet volgens vaste jurisprudentie strikt worden uitgelegd. Het gaat daarbij om essentialia van de overeenkomst, zonder welke de overeenkomst niet tot stand komt omdat de verbintenissen dan niet voldoende bepaalbaar zijn. De bepaling dat Het Esmeer de hoogte van de kosten voor het afvoeren van restafval jaarlijks kan herzien is niet een van de essentialia van de overeenkomst. Deze bepaling kon immers ook zonder een dergelijke wijzigingsbevoegdheid tot stand komen. Aldus is geen sprake van een kernbeding. Aangezien Het Esmeer bovendien het beding op meerdere overeenkomsten van toepassing heeft verklaard, is sprake van een algemene voorwaarde in de zin van artikel 6:231 BW. 4.12. Op grond van artikel 6:233 aanhef en onder a BW is een beding in de algemene voorwaarden vernietigbaar indien het, gelet op de aard en de overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de voorwaarden tot stand zijn gekomen, de wederzijds kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval onredelijk bezwarend is voor de wederpartij. Omdat [de gedaagde in conventie] is aan te merken als een consument, is in dit geval bij de toepassing van die open norm de EG-richtlijn 93/13/EEG van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de Richtlijn) van belang. Op grond van artikel 3 lid 1 van de Richtlijn wordt een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. 4.13. De kantonrechter is van oordeel dat artikel 4.17 van het Parkreglement niet kan worden aangemerkt als een oneerlijk beding en niet onredelijk bezwarend is in de zin van artikel 6:233 aanhef en onder a BW. Daarvoor zijn de volgende omstandigheden redengevend. In artikel 4.17 van het Parkreglement is onder meer de bevoegdheid voor Het Esmeer opgenomen dat zij de door de eigenaren van de recreatiewoningen te betalen vergoeding voor de afvoer van huis- en restafval jaarlijks kan herzien. Hiermee wordt beoogd dat Het Esmeer rekening kan houden met jaarlijks veranderende omstandigheden, zoals een wijziging van de afvalstoffenheffing maar ook van gewijzigde opvattingen en inzichten (waaronder het afschaffen van het muntensysteem voor de afvoer van huisvuil). Dat Het Esmeer deze mogelijkheid wil hebben is zeer wel verdedigbaar mede gelet op het feit dat sprake is van een overeenkomst voor onbepaalde tijd en het feit dat toekomstige ontwikkelingen onvoorspelbaar zijn. Dat Het Esmeer als beheerder van het park bij de vaststelling van de hoogte van de jaarlijkse vergoeding een eigen afweging kan maken, maakt nog niet dat het beding oneerlijk is. Dit geldt temeer omdat Het Esmeer ook bij aanvang van de overeenkomst de hoogte van de vergoeding zelf vaststelt en de koper van een recreatiewoning ook dan daarbij geen inspraak heeft. In die zin is voormelde bevoegdheid dus niets anders dan hetgeen partijen al zijn overeengekomen. [de gedaagde in conventie] heeft bovendien de mogelijkheid om zich aan de gevolgen van het eenzijdig wijzigen van het tarief te onttrekken door de recreatiewoning te verkopen. Van een aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen is dus geen sprake. 4.14. Uit het voorgaande blijkt dat voor vernietiging van artikel 4.17 van het Parkreglement geen aanleiding bestaat. De door [de gedaagde in conventie] in dit verband in reconventie gevorderde verklaring voor recht (zie hiervoor 3.2. onder 1.) zal daarom worden afgewezen. 4.15. [de gedaagde in conventie] is op grond van artikel 4.17 van het Parkreglement, welk beding onverkort van toepassing is, gehouden om het door Het Esmeer vastgestelde tarief te betalen. De vordering in conventie die strekt tot betaling van het bedrag van € 527,23 is derhalve toewijsbaar. Internet 4.16. Het Esmeer maakt blijkens de door haar overgelegde facturen aanspraak op betaling van een bedrag van in totaal € 543,87 voor de kosten van de (door)levering van internet over de periode van 1 februari 2023 tot en met 1 maart 2025. 4.17. Partijen verschillen van mening over de vraag of tussen partijen een overeenkomst bestaat op grond waarvan [de gedaagde in conventie] is gehouden om aan Het Esmeer een vergoeding te betalen voor de (door)levering van internet. De stelplicht en bewijslast van het bestaan van deze overeenkomst rusten op Het Esmeer omdat zij zich op de rechtsgevolgen daarvan beroept. Het Esmeer heeft daartoe de factuur van 31 mei 2022 overgelegd. In die factuur heeft zij voorafgaand aan de levering van de recreatiewoning een bedrag van in totaal € 123,12 aan [de gedaagde in conventie] in rekening gebracht voor de levering van internet gedurende 214 dagen. In de factuur is tevens vermeld dat de totale kosten van het internet € 210,00 per jaar bedragen. [de gedaagde in conventie] heeft deze factuur, zonder protest, betaald. Niet in geschil is voorts dat [de gedaagde in conventie] gebruik heeft gemaakt van het door Het Esmeer geleverde internet. Daarmee heeft [de gedaagde in conventie] de verschuldigdheid van voormeld bedrag voor de levering van internet erkend. In zoverre faalt het verweer van [de gedaagde in conventie] 4.18. [de gedaagde in conventie] is gelet op het voorgaande voor de levering van internet een bedrag van € 210,00 per jaar en dus € 17,50 per maand aan Het Esmeer verschuldigd. Het Esmeer maakt in deze procedure echter aanspraak op een bedrag van € 543,87 over een periode van 25 maanden. Dat is gemiddeld € 21,75 per maand. Niet gesteld of gebleken is waarom [de gedaagde in conventie] een hoger maandelijks tarief dan € 17,50 is verschuldigd voor de levering van internet. De vordering die strekt tot betaling van de levering van internet is dan ook toewijsbaar tot een bedrag van € 437,50 (€ 17,50 x 25 maanden) en ligt voor het overige, als onvoldoende onderbouwd, voor afwijzing gereed. 4.19. Het verweer van [de gedaagde in conventie] dat Het Esmeer in strijd handelt met het consumentenrecht omdat zij niet op duidelijke en begrijpelijke wijze informatie over de totaalprijs van de te leveren dienst (in dit geval de levering van internet) heeft verstrekt, faalt. Het verweer wordt aldus begrepen dat [de gedaagde in conventie] meent dat Het Esmeer in strijd met de informatieverplichting van artikel 6:230m lid 1 aanhef en sub e BW heeft gehandeld. Zoals hiervoor echter reeds is overwogen, was [de gedaagde in conventie] voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst door toezending van de factuur van 31 mei 2022 in kennis gesteld van de hoogte van de kosten voor het internet. Daarmee heeft Het Esmeer tijdig op duidelijke en begrijpelijke wijze informatie verstrekt over de hoogte van de prijs van het internet. Van een schending van de informatieverplichting is dus geen sprake. De in dit verband door [de gedaagde in conventie] in reconventie gevorderde verklaring voor recht (zie hiervoor 3.2. onder 2.) zal dan ook worden afgewezen. Gas, water en elektra 4.20. Het Esmeer maakt op grond van artikel 3.2.6.2 van het Parkreglement aanspraak op betaling van een bedrag van in totaal € 2.824,32 voor de doorlevering van de nutsvoorzieningen en de daarover berekende opslag over de periode van 5 november 2022 tot en met 18 november 2024. Op dit bedrag strekt een totaalbedrag van € 1.540,00 in mindering wegens de reeds aan [de gedaagde in conventie] in rekening gebrachte voorschotten. Het Esmeer vordert in deze procedure derhalve nog betaling van een bedrag van € 1.284,32. 4.21. [de gedaagde in conventie] erkent dat hij de daadwerkelijke verbruikskosten is verschuldigd.
Volledig
Uit artikel 6:231 BW volgt dat algemene voorwaarden bedingen zijn die zijn opgesteld teneinde in een aantal overeenkomsten te worden opgenomen, met uitzondering van bedingen die de kern van de prestaties aangegeven voor zover deze laatstgenoemde bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd (de zogenoemde kernbedingen). 4.11. Het begrip kernbeding moet volgens vaste jurisprudentie strikt worden uitgelegd. Het gaat daarbij om essentialia van de overeenkomst, zonder welke de overeenkomst niet tot stand komt omdat de verbintenissen dan niet voldoende bepaalbaar zijn. De bepaling dat Het Esmeer de hoogte van de kosten voor het afvoeren van restafval jaarlijks kan herzien is niet een van de essentialia van de overeenkomst. Deze bepaling kon immers ook zonder een dergelijke wijzigingsbevoegdheid tot stand komen. Aldus is geen sprake van een kernbeding. Aangezien Het Esmeer bovendien het beding op meerdere overeenkomsten van toepassing heeft verklaard, is sprake van een algemene voorwaarde in de zin van artikel 6:231 BW. 4.12. Op grond van artikel 6:233 aanhef en onder a BW is een beding in de algemene voorwaarden vernietigbaar indien het, gelet op de aard en de overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de voorwaarden tot stand zijn gekomen, de wederzijds kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval onredelijk bezwarend is voor de wederpartij. Omdat [de gedaagde in conventie] is aan te merken als een consument, is in dit geval bij de toepassing van die open norm de EG-richtlijn 93/13/EEG van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de Richtlijn) van belang. Op grond van artikel 3 lid 1 van de Richtlijn wordt een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. 4.13. De kantonrechter is van oordeel dat artikel 4.17 van het Parkreglement niet kan worden aangemerkt als een oneerlijk beding en niet onredelijk bezwarend is in de zin van artikel 6:233 aanhef en onder a BW. Daarvoor zijn de volgende omstandigheden redengevend. In artikel 4.17 van het Parkreglement is onder meer de bevoegdheid voor Het Esmeer opgenomen dat zij de door de eigenaren van de recreatiewoningen te betalen vergoeding voor de afvoer van huis- en restafval jaarlijks kan herzien. Hiermee wordt beoogd dat Het Esmeer rekening kan houden met jaarlijks veranderende omstandigheden, zoals een wijziging van de afvalstoffenheffing maar ook van gewijzigde opvattingen en inzichten (waaronder het afschaffen van het muntensysteem voor de afvoer van huisvuil). Dat Het Esmeer deze mogelijkheid wil hebben is zeer wel verdedigbaar mede gelet op het feit dat sprake is van een overeenkomst voor onbepaalde tijd en het feit dat toekomstige ontwikkelingen onvoorspelbaar zijn. Dat Het Esmeer als beheerder van het park bij de vaststelling van de hoogte van de jaarlijkse vergoeding een eigen afweging kan maken, maakt nog niet dat het beding oneerlijk is. Dit geldt temeer omdat Het Esmeer ook bij aanvang van de overeenkomst de hoogte van de vergoeding zelf vaststelt en de koper van een recreatiewoning ook dan daarbij geen inspraak heeft. In die zin is voormelde bevoegdheid dus niets anders dan hetgeen partijen al zijn overeengekomen. [de gedaagde in conventie] heeft bovendien de mogelijkheid om zich aan de gevolgen van het eenzijdig wijzigen van het tarief te onttrekken door de recreatiewoning te verkopen. Van een aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen is dus geen sprake. 4.14. Uit het voorgaande blijkt dat voor vernietiging van artikel 4.17 van het Parkreglement geen aanleiding bestaat. De door [de gedaagde in conventie] in dit verband in reconventie gevorderde verklaring voor recht (zie hiervoor 3.2. onder 1.) zal daarom worden afgewezen. 4.15. [de gedaagde in conventie] is op grond van artikel 4.17 van het Parkreglement, welk beding onverkort van toepassing is, gehouden om het door Het Esmeer vastgestelde tarief te betalen. De vordering in conventie die strekt tot betaling van het bedrag van € 527,23 is derhalve toewijsbaar. Internet 4.16. Het Esmeer maakt blijkens de door haar overgelegde facturen aanspraak op betaling van een bedrag van in totaal € 543,87 voor de kosten van de (door)levering van internet over de periode van 1 februari 2023 tot en met 1 maart 2025. 4.17. Partijen verschillen van mening over de vraag of tussen partijen een overeenkomst bestaat op grond waarvan [de gedaagde in conventie] is gehouden om aan Het Esmeer een vergoeding te betalen voor de (door)levering van internet. De stelplicht en bewijslast van het bestaan van deze overeenkomst rusten op Het Esmeer omdat zij zich op de rechtsgevolgen daarvan beroept. Het Esmeer heeft daartoe de factuur van 31 mei 2022 overgelegd. In die factuur heeft zij voorafgaand aan de levering van de recreatiewoning een bedrag van in totaal € 123,12 aan [de gedaagde in conventie] in rekening gebracht voor de levering van internet gedurende 214 dagen. In de factuur is tevens vermeld dat de totale kosten van het internet € 210,00 per jaar bedragen. [de gedaagde in conventie] heeft deze factuur, zonder protest, betaald. Niet in geschil is voorts dat [de gedaagde in conventie] gebruik heeft gemaakt van het door Het Esmeer geleverde internet. Daarmee heeft [de gedaagde in conventie] de verschuldigdheid van voormeld bedrag voor de levering van internet erkend. In zoverre faalt het verweer van [de gedaagde in conventie] 4.18. [de gedaagde in conventie] is gelet op het voorgaande voor de levering van internet een bedrag van € 210,00 per jaar en dus € 17,50 per maand aan Het Esmeer verschuldigd. Het Esmeer maakt in deze procedure echter aanspraak op een bedrag van € 543,87 over een periode van 25 maanden. Dat is gemiddeld € 21,75 per maand. Niet gesteld of gebleken is waarom [de gedaagde in conventie] een hoger maandelijks tarief dan € 17,50 is verschuldigd voor de levering van internet. De vordering die strekt tot betaling van de levering van internet is dan ook toewijsbaar tot een bedrag van € 437,50 (€ 17,50 x 25 maanden) en ligt voor het overige, als onvoldoende onderbouwd, voor afwijzing gereed. 4.19. Het verweer van [de gedaagde in conventie] dat Het Esmeer in strijd handelt met het consumentenrecht omdat zij niet op duidelijke en begrijpelijke wijze informatie over de totaalprijs van de te leveren dienst (in dit geval de levering van internet) heeft verstrekt, faalt. Het verweer wordt aldus begrepen dat [de gedaagde in conventie] meent dat Het Esmeer in strijd met de informatieverplichting van artikel 6:230m lid 1 aanhef en sub e BW heeft gehandeld. Zoals hiervoor echter reeds is overwogen, was [de gedaagde in conventie] voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst door toezending van de factuur van 31 mei 2022 in kennis gesteld van de hoogte van de kosten voor het internet. Daarmee heeft Het Esmeer tijdig op duidelijke en begrijpelijke wijze informatie verstrekt over de hoogte van de prijs van het internet. Van een schending van de informatieverplichting is dus geen sprake. De in dit verband door [de gedaagde in conventie] in reconventie gevorderde verklaring voor recht (zie hiervoor 3.2. onder 2.) zal dan ook worden afgewezen. Gas, water en elektra 4.20. Het Esmeer maakt op grond van artikel 3.2.6.2 van het Parkreglement aanspraak op betaling van een bedrag van in totaal € 2.824,32 voor de doorlevering van de nutsvoorzieningen en de daarover berekende opslag over de periode van 5 november 2022 tot en met 18 november 2024. Op dit bedrag strekt een totaalbedrag van € 1.540,00 in mindering wegens de reeds aan [de gedaagde in conventie] in rekening gebrachte voorschotten. Het Esmeer vordert in deze procedure derhalve nog betaling van een bedrag van € 1.284,32. 4.21. [de gedaagde in conventie] erkent dat hij de daadwerkelijke verbruikskosten is verschuldigd.
Volledig
[de gedaagde in conventie] betwist echter dat hij over deze kosten nog een opslag is verschuldigd. [de gedaagde in conventie] voert daartoe aan dat artikel 3.2.6.2. van het Parkreglement een oneerlijk beding is en als onredelijk bezwarend moet worden aangemerkt omdat Het Esmeer op grond van dat beding bevoegd is eenzijdig het opslagpercentage te verhogen. 4.22. De kantonrechter is van oordeel dat artikel 3.2.6.2 van het Parkreglement niet kan worden aangemerkt als een oneerlijk beding en daarom niet onredelijk bezwarend is in de zin van artikel 6:233 BW. Daarvoor zijn de volgende omstandigheden redengevend. Op grond van artikel 3.2.6.2. van het Parkreglement is Het Esmeer bevoegd om naast de daadwerkelijke verbruikskosten die door de netbeheerder en de drinkwaterleverancier aan Het Esmeer in rekening zijn gebracht, een opslag over deze kosten aan de eigenaren van de recreatiewoningen in rekening te brengen. Hiermee wordt beoogd dat Het Esmeer tevens de door haar extra te maken kosten die de doorlevering van de nutsvoorzieningen met zich brengen – zoals de afschrijving van het eigen elektriciteitsnetwerk, transportkosten, kosten van meetdiensten, onderhoudskosten, administratieve kosten en renteverlies – aan de eigenaren kan doorbelasten. Het kennelijke doel van deze regeling is een voor Het Esmeer werkbare en rendabele situatie te creëren. Dit is niet kennelijk onredelijk. Het enkele feit dat Het Esmeer als beheerder van het park eenzijdig de hoogte van de opslag kan bepalen en daarbij een eigen afweging kan maken, maakt nog niet dat het beding oneerlijk is. Ook hier geldt dat [de gedaagde in conventie] de mogelijkheid heeft om zich aan de gevolgen van het eenzijdig vaststellen van het opslagpercentage kan onttrekken door de recreatiewoning te verkopen. Van een aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen is derhalve geen sprake. 4.23. [de gedaagde in conventie] voert subsidiair aan dat Het Esmeer de op haar rustende informatieverplichting schendt door in de precontractuele fase niet op duidelijke en begrijpelijke wijze tot verstrekken van informatie omtrent de over de diensten (of zaken) te berekenen opslag (en dus ook de totaalprijs van de te leveren dienst) over te gaan (artikel 6:230m BW). 4.24. In dit geval is sprake van een overeenkomst tussen een handelaar (Het Esmeer) en een consument ( [de gedaagde in conventie] ) die is gesloten buiten de verkoopruimte. Daarom rusten op Het Esmeer de informatieverplichtingen die zijn neergelegd in artikel 6:230m BW. Op grond van artikel 6:230m lid 1 sub e BW moet de volledige prijs van het product of de dienst worden weergegeven. Dit betreft de prijs inclusief alle eventuele bijkomende kosten en belastingen. Het Esmeer heeft niet aangetoond dat hieraan is voldaan omdat zij niet voorafgaand aan het tot stand komen van de overeenkomst informatie heeft verstrekt over de wijze waarop op het opslagpercentage is vastgesteld en uit welke componenten dit percentage is opgebouwd. Daarmee is niet aan artikel 6:230m lid 1 sub e BW voldaan, zodat Het Esmeer deze (essentiële) informatieverplichting heeft geschonden. De door [de gedaagde in conventie] in reconventie gevorderde verklaring voor recht zoals hiervoor is weergegeven onder 3.2. onder 3. zal daarom worden toegewezen zoals hierna in de beslissing is vermeld. 4.25. De kantonrechter zal gelet op het voorgaande de overeenkomst met toepassing van de sanctierichtlijn (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) gedeeltelijk vernietigen in die zin dat de betalingsverplichting van [de gedaagde in conventie] voor wat betreft de betaling van de nutsvoorzieningen wordt verminderd met 20%. Dit leidt ertoe dat dat [de gedaagde in conventie] nog een bedrag voor de kosten van de doorlevering van de nutsvoorzieningen is verschuldigd van € 2.259,46 (0,80 x € 2.824,32). Hierop strekken de reeds door [de gedaagde in conventie] betaalde voorschotbedragen van € 1.540,00 in mindering. De vordering in conventie die strekt tot betaling van de doorlevering van de nutsvoorzieningen is dan ook toewijsbaar tot een bedrag van € 719,46. Tussenconclusie 4.26. Het voorgaande leidt tot de tussenconclusie dat de door Het Esmeer gevorderde hoofdsom toewijsbaar is tot een bedrag van € 6.335,71 (€ 4.651,52 + € 527,23 + € 437,50 + € 719,46). Op dit bedrag strekt een door [de gedaagde in conventie] betaald bedrag van in totaal € 1.719,76 (€ 1.471,29 + € 238,47) in mindering. Daarmee resteert een hoofdsom van € 4.615,95. In geschil is of deze hoofdsom wel opeisbaar is. [de gedaagde in conventie] beroept zich namelijk op opschorting met diverse tegenvorderingen die hij stelt te hebben op Het Esmeer. Daarover wordt overwogen als volgt. Opschorting 4.27. Op grond van het algemene opschortingsrecht van artikel 6:52 BW is een schuldenaar (in dit geval [de gedaagde in conventie] ) bevoegd om de nakoming van zijn verbintenis op te schorten als: - hij een opeisbare tegenvordering heeft op de schuldeiser (in dit geval Het Esmeer) en - tussen die vordering en de verbintenis voldoende samenhang bestaat om deze opschorting te rechtvaardigen. 4.28. Eerst zal worden beoordeeld of [de gedaagde in conventie] (een) tegenvordering(en) heeft op Het Esmeer. 4.29. [de gedaagde in conventie] stelt allereerst dat zij een tegenvordering op Het Esmeer heeft omdat zij volgens [de gedaagde in conventie] tekortschiet in de nakoming van de verplichtingen tot het uitvoeren van werkzaamheden waartoe zij gehouden is. Volgens [de gedaagde in conventie] spant Het Esmeer zich onvoldoende in om de wegen en paden in het park vrij te houden en voldoet de stroominstallatie niet aan de geldende normen en creëert deze installatie een brandgevaarlijke situatie. Gelet op de betwisting van deze stellingen door Het Esmeer, had het op de weg van [de gedaagde in conventie] gelegen deze stellingen nader te onderbouwen. Die onderbouwing ontbreekt echter. Niet gebleken is dan ook dat Het Esmeer de op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen en daarom is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst. Van een tegenvordering van [de gedaagde in conventie] op Het Esmeer op dit punt is dan ook geen sprake. 4.30. [de gedaagde in conventie] stelt ten slotte dat zij recht heeft op inzage in de wijze waarop Het Esmeer de jaarlijks door haar ontvangen teruggaaf energiebelasting aanwendt. 4.31. Nog daargelaten de vraag of op Het Esmeer de verplichting rust om de door [de gedaagde in conventie] verlangde rekening en verantwoording af te leggen, blijkt uit de stukken dat Het Esmeer reeds inzage heeft gegeven in de wijze waarop zij de teruggaaf energiebelasting jaarlijks aanwendt. Uit het vonnis in kort geding van 12 maart 2025 in de procedure tussen Het Esmeer en de Belangenvereniging blijkt immers dat Het Esmeer de beslissingen op de teruggaaf van de Belastingdienst over de jaren 2021 tot en met 2024 aan [de gedaagde in conventie] heeft verstrekt, althans nog zal verstrekken. Uit productie 9 van de zijde van Het Esmeer blijkt voorts dat zij jaarlijks aan de eigenaren van de recreatiewoningen inzichtelijk maakt welk bedrag zij in verband met de teruggaaf energiebelasting in mindering brengt op de elektriciteitskosten. Door [de gedaagde in conventie] is niet, althans onvoldoende duidelijk, toegelicht welke inzage Het Esmeer volgens hem nog meer dient te verstrekken. Van een tegenvordering op dit punt is dus niet gebleken. 4.32. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep op opschorting faalt. De door [de gedaagde in conventie] in reconventie gevorderde verklaring voor recht dat hij de op hem rustende betalingsverplichting(en) rechtsgeldig heeft opgeschort, zal daarom worden afgewezen. De vordering van Het Esmeer is opeisbaar. Slotsom 4.33. De slotsom is dat de gevorderde hoofdsom zal worden toegewezen tot een bedrag van € 4.615,95. De niet betwiste wettelijke rente daarover tot de datum van de dagvaarding zal eveneens worden toegewezen zoals hierna in de beslissing is vermeld.
Volledig
[de gedaagde in conventie] betwist echter dat hij over deze kosten nog een opslag is verschuldigd. [de gedaagde in conventie] voert daartoe aan dat artikel 3.2.6.2. van het Parkreglement een oneerlijk beding is en als onredelijk bezwarend moet worden aangemerkt omdat Het Esmeer op grond van dat beding bevoegd is eenzijdig het opslagpercentage te verhogen. 4.22. De kantonrechter is van oordeel dat artikel 3.2.6.2 van het Parkreglement niet kan worden aangemerkt als een oneerlijk beding en daarom niet onredelijk bezwarend is in de zin van artikel 6:233 BW. Daarvoor zijn de volgende omstandigheden redengevend. Op grond van artikel 3.2.6.2. van het Parkreglement is Het Esmeer bevoegd om naast de daadwerkelijke verbruikskosten die door de netbeheerder en de drinkwaterleverancier aan Het Esmeer in rekening zijn gebracht, een opslag over deze kosten aan de eigenaren van de recreatiewoningen in rekening te brengen. Hiermee wordt beoogd dat Het Esmeer tevens de door haar extra te maken kosten die de doorlevering van de nutsvoorzieningen met zich brengen – zoals de afschrijving van het eigen elektriciteitsnetwerk, transportkosten, kosten van meetdiensten, onderhoudskosten, administratieve kosten en renteverlies – aan de eigenaren kan doorbelasten. Het kennelijke doel van deze regeling is een voor Het Esmeer werkbare en rendabele situatie te creëren. Dit is niet kennelijk onredelijk. Het enkele feit dat Het Esmeer als beheerder van het park eenzijdig de hoogte van de opslag kan bepalen en daarbij een eigen afweging kan maken, maakt nog niet dat het beding oneerlijk is. Ook hier geldt dat [de gedaagde in conventie] de mogelijkheid heeft om zich aan de gevolgen van het eenzijdig vaststellen van het opslagpercentage kan onttrekken door de recreatiewoning te verkopen. Van een aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen is derhalve geen sprake. 4.23. [de gedaagde in conventie] voert subsidiair aan dat Het Esmeer de op haar rustende informatieverplichting schendt door in de precontractuele fase niet op duidelijke en begrijpelijke wijze tot verstrekken van informatie omtrent de over de diensten (of zaken) te berekenen opslag (en dus ook de totaalprijs van de te leveren dienst) over te gaan (artikel 6:230m BW). 4.24. In dit geval is sprake van een overeenkomst tussen een handelaar (Het Esmeer) en een consument ( [de gedaagde in conventie] ) die is gesloten buiten de verkoopruimte. Daarom rusten op Het Esmeer de informatieverplichtingen die zijn neergelegd in artikel 6:230m BW. Op grond van artikel 6:230m lid 1 sub e BW moet de volledige prijs van het product of de dienst worden weergegeven. Dit betreft de prijs inclusief alle eventuele bijkomende kosten en belastingen. Het Esmeer heeft niet aangetoond dat hieraan is voldaan omdat zij niet voorafgaand aan het tot stand komen van de overeenkomst informatie heeft verstrekt over de wijze waarop op het opslagpercentage is vastgesteld en uit welke componenten dit percentage is opgebouwd. Daarmee is niet aan artikel 6:230m lid 1 sub e BW voldaan, zodat Het Esmeer deze (essentiële) informatieverplichting heeft geschonden. De door [de gedaagde in conventie] in reconventie gevorderde verklaring voor recht zoals hiervoor is weergegeven onder 3.2. onder 3. zal daarom worden toegewezen zoals hierna in de beslissing is vermeld. 4.25. De kantonrechter zal gelet op het voorgaande de overeenkomst met toepassing van de sanctierichtlijn (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) gedeeltelijk vernietigen in die zin dat de betalingsverplichting van [de gedaagde in conventie] voor wat betreft de betaling van de nutsvoorzieningen wordt verminderd met 20%. Dit leidt ertoe dat dat [de gedaagde in conventie] nog een bedrag voor de kosten van de doorlevering van de nutsvoorzieningen is verschuldigd van € 2.259,46 (0,80 x € 2.824,32). Hierop strekken de reeds door [de gedaagde in conventie] betaalde voorschotbedragen van € 1.540,00 in mindering. De vordering in conventie die strekt tot betaling van de doorlevering van de nutsvoorzieningen is dan ook toewijsbaar tot een bedrag van € 719,46. Tussenconclusie 4.26. Het voorgaande leidt tot de tussenconclusie dat de door Het Esmeer gevorderde hoofdsom toewijsbaar is tot een bedrag van € 6.335,71 (€ 4.651,52 + € 527,23 + € 437,50 + € 719,46). Op dit bedrag strekt een door [de gedaagde in conventie] betaald bedrag van in totaal € 1.719,76 (€ 1.471,29 + € 238,47) in mindering. Daarmee resteert een hoofdsom van € 4.615,95. In geschil is of deze hoofdsom wel opeisbaar is. [de gedaagde in conventie] beroept zich namelijk op opschorting met diverse tegenvorderingen die hij stelt te hebben op Het Esmeer. Daarover wordt overwogen als volgt. Opschorting 4.27. Op grond van het algemene opschortingsrecht van artikel 6:52 BW is een schuldenaar (in dit geval [de gedaagde in conventie] ) bevoegd om de nakoming van zijn verbintenis op te schorten als: - hij een opeisbare tegenvordering heeft op de schuldeiser (in dit geval Het Esmeer) en - tussen die vordering en de verbintenis voldoende samenhang bestaat om deze opschorting te rechtvaardigen. 4.28. Eerst zal worden beoordeeld of [de gedaagde in conventie] (een) tegenvordering(en) heeft op Het Esmeer. 4.29. [de gedaagde in conventie] stelt allereerst dat zij een tegenvordering op Het Esmeer heeft omdat zij volgens [de gedaagde in conventie] tekortschiet in de nakoming van de verplichtingen tot het uitvoeren van werkzaamheden waartoe zij gehouden is. Volgens [de gedaagde in conventie] spant Het Esmeer zich onvoldoende in om de wegen en paden in het park vrij te houden en voldoet de stroominstallatie niet aan de geldende normen en creëert deze installatie een brandgevaarlijke situatie. Gelet op de betwisting van deze stellingen door Het Esmeer, had het op de weg van [de gedaagde in conventie] gelegen deze stellingen nader te onderbouwen. Die onderbouwing ontbreekt echter. Niet gebleken is dan ook dat Het Esmeer de op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen en daarom is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst. Van een tegenvordering van [de gedaagde in conventie] op Het Esmeer op dit punt is dan ook geen sprake. 4.30. [de gedaagde in conventie] stelt ten slotte dat zij recht heeft op inzage in de wijze waarop Het Esmeer de jaarlijks door haar ontvangen teruggaaf energiebelasting aanwendt. 4.31. Nog daargelaten de vraag of op Het Esmeer de verplichting rust om de door [de gedaagde in conventie] verlangde rekening en verantwoording af te leggen, blijkt uit de stukken dat Het Esmeer reeds inzage heeft gegeven in de wijze waarop zij de teruggaaf energiebelasting jaarlijks aanwendt. Uit het vonnis in kort geding van 12 maart 2025 in de procedure tussen Het Esmeer en de Belangenvereniging blijkt immers dat Het Esmeer de beslissingen op de teruggaaf van de Belastingdienst over de jaren 2021 tot en met 2024 aan [de gedaagde in conventie] heeft verstrekt, althans nog zal verstrekken. Uit productie 9 van de zijde van Het Esmeer blijkt voorts dat zij jaarlijks aan de eigenaren van de recreatiewoningen inzichtelijk maakt welk bedrag zij in verband met de teruggaaf energiebelasting in mindering brengt op de elektriciteitskosten. Door [de gedaagde in conventie] is niet, althans onvoldoende duidelijk, toegelicht welke inzage Het Esmeer volgens hem nog meer dient te verstrekken. Van een tegenvordering op dit punt is dus niet gebleken. 4.32. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep op opschorting faalt. De door [de gedaagde in conventie] in reconventie gevorderde verklaring voor recht dat hij de op hem rustende betalingsverplichting(en) rechtsgeldig heeft opgeschort, zal daarom worden afgewezen. De vordering van Het Esmeer is opeisbaar. Slotsom 4.33. De slotsom is dat de gevorderde hoofdsom zal worden toegewezen tot een bedrag van € 4.615,95. De niet betwiste wettelijke rente daarover tot de datum van de dagvaarding zal eveneens worden toegewezen zoals hierna in de beslissing is vermeld.