Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2026-04-10
ECLI:NL:RBGEL:2026:2830
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
12,024 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:2830 text/xml public 2026-04-30T09:55:16 2026-04-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-04-10 11700671 Uitspraak Bodemzaak NL Nijmegen Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2830 text/html public 2026-04-30T09:54:42 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:2830 Rechtbank Gelderland , 10-04-2026 / 11700671 Overeenkomst tot aanneming van werk en consumentenkoop. Regels consumentenkoop prevaleren. Vordering tot nakoming van gebreken in werk gedeeltelijk toegewezen. Dwangsom gekoppeld. RECHTBANK GELDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Nijmegen Zaaknummer: 11700671 \ CV EXPL 25-1515 Vonnis van 10 april 2026 in de zaak van 1 [naam eiser 1] , te [woonplaats] , hierna te noemen: [eiser 1] 2. [naam eiser 2] , te [woonplaats] , hierna te noemen: [eiser 2] eisende partijen, hierna samen te noemen: [de eiser] (in mannelijk enkelvoud), gemachtigde: mr. R.A. Leukel (ARAG SE Rechtsbijstand), tegen [naam gedaagd bedrijf] B.V. , te [vestigingsplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [de gedaagde] , gemachtigde: mr. V.W.J.H. Kobossen. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 15 augustus 2025 en de daarin genoemde processtukken - de akte overleggen producties, rechtzetting productienummering en eiswijziging van [de eiser] - de mondelinge behandeling van 24 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.2. Na de mondelinge behandeling is de zaak aangehouden voor schikkingsonderhandelingen. Uit de berichten van partijen volgt dat zij geen overeenstemming hebben bereikt. 1.3. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. [de gedaagde] heeft aan [de eiser] een offerte gestuurd met betrekking tot het leveren en plaatsen van een dakkapel, achterdeur, hefschuifpui en draaikiepraam. De offerte staat op naam van [eiser 2] en is op 12 januari 2024 door haar ondertekend. 2.2. Naar aanleiding van de ondertekende offerte heeft [de gedaagde] aan [de eiser] op 15 maart 2024 een opdrachtbevestiging (hierna: de overeenkomst) gestuurd. De opdrachtbevestiging staat op naam van [eiser 2] en de overeengekomen aanneemsom bedraagt € 24.942,00. 2.3. [de eiser] heeft de overeengekomen aanneemsom volledig aan [de gedaagde] betaald. 2.4. Op de overeenkomst zijn de algemene-, leverings- en betalingsvoorwaarden (hierna: algemene voorwaarden) van toepassing. 2.5. Op de website van [de gedaagde] staat verder – voor zover van belang – het volgende vermeld: ‘Garanties 10 jaar op constructie / bouwkundig na montagedatum (zoals opgeleverd) 10 jaar op montage [de gedaagde] na montagedatum (zoals opgeleverd) zonnepanelen naderhand geplaatst garantie uitgesloten 10 jaar op voordeuren Inotherm 10% afbouwend per jaar na montagedatum waarvan afstelwerkzaamheden 3 maanden na plaatsing 8 jaar op kleurechtheid na montagedatum 5 jaar op isolatieglas mits niet beplakt na montagedatum. Condensvorming, thermische breuk etc. uitgesloten. 5 jaar op hang en sluitwerk 20% afbouwend per jaar na montagedatum waarvan afstelwerkzaamheden 3 maanden na plaatsing 2 jaar op Jaloezieën tussen het glas na montagedatum 2 jaar op rolluiken en screens 50% afbouwend per jaar na montagedatum (…)’ 2.6. [de eiser] is, ondanks dat [de gedaagde] een aantal herstelwerkzaamheden heeft uitgevoerd, niet tevreden over de uitgevoerde werkzaamheden. 3 Het geschil 3.1. [de eiser] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, na wijziging van eis: a. volledige en correcte nakoming van de overeenkomst, door [de gedaagde] te bevelen om binnen vier weken na betekening van het vonnis, althans een in redelijkheid vast te stellen termijn, over te gaan tot uitvoering van de volgende (herstel)werkzaamheden en deze af te ronden binnen vier weken daarna, althans een in redelijkheid vast te stellen termijn, te weten het verhelpen van de gebreken en schade van: 1. ratelgeluid bij gebruik van rolluik; 2. pinnen achterdeur; 3. de bolling van het kozijn van de schuifpui, alsmede de hierdoor ontstane lichtkieren bij de plisséhordeur; 4. afmetingen vensterbank; 5. gevolgschade glas; een en ander op straffe van een dwangsom van € 300,00 per dag dat [de gedaagde] niet aan de veroordeling voldoet, met een maximum van € 25.000,00, althans een in redelijkheid vast te stellen bedrag en maximum, voor iedere dag dat [de gedaagde] in gebreke blijft om aan deze veroordeling te voldoen, de buitengerechtelijke kosten van € 559,63 inclusief btw, vermeerderd met wettelijke rente, de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente, de nakosten. 3.2. [de eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [de gedaagde] tekortgeschoten is in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst door de werkzaamheden niet deugdelijk uit te voeren. Daarnaast heeft [de eiser] [de gedaagde] meerdere keren aangesproken op de tekortkomingen, met het verzoek om de overeengekomen werkzaamheden alsnog correct na te komen en de werkzaamheden deugdelijk uit te voeren en af te maken. Hieraan heeft [de gedaagde] niet voldaan. Om die reden vordert [de eiser] nakoming van de overeenkomst, inhoudende dat [de gedaagde] de gebreken aan het werk herstelt en het werk afmaakt. 3.3. [de gedaagde] voert verweer. [de gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [de eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [de eiser] , met veroordeling van [de eiser] in de kosten van deze procedure. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling Ontvankelijkheid [eiser 1] 4.1. [de gedaagde] voert als meest verstrekkende verweer dat [eiser 1] niet-ontvankelijk is in zijn vorderingen, omdat zowel uit de offerte als uit de opdrachtbevestiging blijkt dat [eiser 2] formeel als partij bij de overeenkomst moet worden beschouwd. [eiser 2] heeft de offerte namelijk ondertekend en daarmee het aanbod aanvaard. Om die reden is de opdrachtbevestiging van [de gedaagde] ook aan [eiser 2] gericht. Volgens [de gedaagde] heeft zij dan ook geen contractuele relatie met [eiser 1] . 4.2. [de eiser] heeft daarop gesteld dat [eiser 1] en [eiser 2] vóór 2019 in gemeenschap van goederen zijn getrouwd en dat de overeenkomst met [de gedaagde] daarom in de huwelijksgemeenschap valt. 4.3. De kantonrechter overweegt als volgt. [de gedaagde] heeft het verweer van [de eiser] niet (gemotiveerd) weersproken. Dit betekent dat [de eiser] zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de overeenkomst die [eiser 2] met [de gedaagde] is aangegaan in de huwelijksgemeenschap valt en dat [eiser 1] ontvankelijk is in zijn vorderingen. Het verweer van [de gedaagde] faalt om die reden. Kwalificatie van de overeenkomst 4.4. De kantonrechter stelt voorop dat de overeenkomst tussen partijen een gemengde overeenkomst van aanneming van werk en consumentenkoop. Voor consumentenkoop en overeenkomst tot aanneming van werk gelden afwijkende regels ten aanzien van de door partijen aangevoerde rechtsgronden, zodat de kwalificatie relevant is voor de beoordeling van de vorderingen . Bij samenloop van aanneming van werk en consumentenkoop volgt uit artikel 7:5 lid 4 BW dat bij levering van roerende zaken de regels van consumentenkoop prevaleren boven de regels van aanneming van werk, ingeval de regels met elkaar strijdig zijn. De kantonrechter zal hieronder per gesteld gebrek beoordelen of [de gedaagde] gehouden is deze te herstellen. Rolluik 4.5. [de eiser] stelt dat het rolluik op de kleine slaapkamer bij normaal gebruik een abnormaal ratelend geluid maakt. Ondanks meerdere herstelpogingen door [de gedaagde] is het gebrek niet verholpen, aldus [de eiser] Hij mag als consument verwachten dat het rolluik naar behoren functioneert, zonder storend geluid. Hij verwijst daarbij naar de garantiebepalingen van [de gedaagde] die op haar website staan vermeld en waarop staat dat op rolluiken een garantie van 2 jaar geldt. 4.6. [de gedaagde] voert als verweer dat het rolluik door leverancier [leverancier] (hierna: [leverancier] ) is geleverd.
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:2830 text/xml public 2026-04-30T09:55:16 2026-04-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-04-10 11700671 Uitspraak Bodemzaak NL Nijmegen Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2830 text/html public 2026-04-30T09:54:42 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:2830 Rechtbank Gelderland , 10-04-2026 / 11700671 Overeenkomst tot aanneming van werk en consumentenkoop. Regels consumentenkoop prevaleren. Vordering tot nakoming van gebreken in werk gedeeltelijk toegewezen. Dwangsom gekoppeld. RECHTBANK GELDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Nijmegen Zaaknummer: 11700671 \ CV EXPL 25-1515 Vonnis van 10 april 2026 in de zaak van 1 [naam eiser 1] , te [woonplaats] , hierna te noemen: [eiser 1] 2. [naam eiser 2] , te [woonplaats] , hierna te noemen: [eiser 2] eisende partijen, hierna samen te noemen: [de eiser] (in mannelijk enkelvoud), gemachtigde: mr. R.A. Leukel (ARAG SE Rechtsbijstand), tegen [naam gedaagd bedrijf] B.V. , te [vestigingsplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [de gedaagde] , gemachtigde: mr. V.W.J.H. Kobossen. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 15 augustus 2025 en de daarin genoemde processtukken - de akte overleggen producties, rechtzetting productienummering en eiswijziging van [de eiser] - de mondelinge behandeling van 24 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.2. Na de mondelinge behandeling is de zaak aangehouden voor schikkingsonderhandelingen. Uit de berichten van partijen volgt dat zij geen overeenstemming hebben bereikt. 1.3. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. [de gedaagde] heeft aan [de eiser] een offerte gestuurd met betrekking tot het leveren en plaatsen van een dakkapel, achterdeur, hefschuifpui en draaikiepraam. De offerte staat op naam van [eiser 2] en is op 12 januari 2024 door haar ondertekend. 2.2. Naar aanleiding van de ondertekende offerte heeft [de gedaagde] aan [de eiser] op 15 maart 2024 een opdrachtbevestiging (hierna: de overeenkomst) gestuurd. De opdrachtbevestiging staat op naam van [eiser 2] en de overeengekomen aanneemsom bedraagt € 24.942,00. 2.3. [de eiser] heeft de overeengekomen aanneemsom volledig aan [de gedaagde] betaald. 2.4. Op de overeenkomst zijn de algemene-, leverings- en betalingsvoorwaarden (hierna: algemene voorwaarden) van toepassing. 2.5. Op de website van [de gedaagde] staat verder – voor zover van belang – het volgende vermeld: ‘Garanties 10 jaar op constructie / bouwkundig na montagedatum (zoals opgeleverd) 10 jaar op montage [de gedaagde] na montagedatum (zoals opgeleverd) zonnepanelen naderhand geplaatst garantie uitgesloten 10 jaar op voordeuren Inotherm 10% afbouwend per jaar na montagedatum waarvan afstelwerkzaamheden 3 maanden na plaatsing 8 jaar op kleurechtheid na montagedatum 5 jaar op isolatieglas mits niet beplakt na montagedatum. Condensvorming, thermische breuk etc. uitgesloten. 5 jaar op hang en sluitwerk 20% afbouwend per jaar na montagedatum waarvan afstelwerkzaamheden 3 maanden na plaatsing 2 jaar op Jaloezieën tussen het glas na montagedatum 2 jaar op rolluiken en screens 50% afbouwend per jaar na montagedatum (…)’ 2.6. [de eiser] is, ondanks dat [de gedaagde] een aantal herstelwerkzaamheden heeft uitgevoerd, niet tevreden over de uitgevoerde werkzaamheden. 3 Het geschil 3.1. [de eiser] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, na wijziging van eis: a. volledige en correcte nakoming van de overeenkomst, door [de gedaagde] te bevelen om binnen vier weken na betekening van het vonnis, althans een in redelijkheid vast te stellen termijn, over te gaan tot uitvoering van de volgende (herstel)werkzaamheden en deze af te ronden binnen vier weken daarna, althans een in redelijkheid vast te stellen termijn, te weten het verhelpen van de gebreken en schade van: 1. ratelgeluid bij gebruik van rolluik; 2. pinnen achterdeur; 3. de bolling van het kozijn van de schuifpui, alsmede de hierdoor ontstane lichtkieren bij de plisséhordeur; 4. afmetingen vensterbank; 5. gevolgschade glas; een en ander op straffe van een dwangsom van € 300,00 per dag dat [de gedaagde] niet aan de veroordeling voldoet, met een maximum van € 25.000,00, althans een in redelijkheid vast te stellen bedrag en maximum, voor iedere dag dat [de gedaagde] in gebreke blijft om aan deze veroordeling te voldoen, de buitengerechtelijke kosten van € 559,63 inclusief btw, vermeerderd met wettelijke rente, de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente, de nakosten. 3.2. [de eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [de gedaagde] tekortgeschoten is in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst door de werkzaamheden niet deugdelijk uit te voeren. Daarnaast heeft [de eiser] [de gedaagde] meerdere keren aangesproken op de tekortkomingen, met het verzoek om de overeengekomen werkzaamheden alsnog correct na te komen en de werkzaamheden deugdelijk uit te voeren en af te maken. Hieraan heeft [de gedaagde] niet voldaan. Om die reden vordert [de eiser] nakoming van de overeenkomst, inhoudende dat [de gedaagde] de gebreken aan het werk herstelt en het werk afmaakt. 3.3. [de gedaagde] voert verweer. [de gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [de eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [de eiser] , met veroordeling van [de eiser] in de kosten van deze procedure. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling Ontvankelijkheid [eiser 1] 4.1. [de gedaagde] voert als meest verstrekkende verweer dat [eiser 1] niet-ontvankelijk is in zijn vorderingen, omdat zowel uit de offerte als uit de opdrachtbevestiging blijkt dat [eiser 2] formeel als partij bij de overeenkomst moet worden beschouwd. [eiser 2] heeft de offerte namelijk ondertekend en daarmee het aanbod aanvaard. Om die reden is de opdrachtbevestiging van [de gedaagde] ook aan [eiser 2] gericht. Volgens [de gedaagde] heeft zij dan ook geen contractuele relatie met [eiser 1] . 4.2. [de eiser] heeft daarop gesteld dat [eiser 1] en [eiser 2] vóór 2019 in gemeenschap van goederen zijn getrouwd en dat de overeenkomst met [de gedaagde] daarom in de huwelijksgemeenschap valt. 4.3. De kantonrechter overweegt als volgt. [de gedaagde] heeft het verweer van [de eiser] niet (gemotiveerd) weersproken. Dit betekent dat [de eiser] zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de overeenkomst die [eiser 2] met [de gedaagde] is aangegaan in de huwelijksgemeenschap valt en dat [eiser 1] ontvankelijk is in zijn vorderingen. Het verweer van [de gedaagde] faalt om die reden. Kwalificatie van de overeenkomst 4.4. De kantonrechter stelt voorop dat de overeenkomst tussen partijen een gemengde overeenkomst van aanneming van werk en consumentenkoop. Voor consumentenkoop en overeenkomst tot aanneming van werk gelden afwijkende regels ten aanzien van de door partijen aangevoerde rechtsgronden, zodat de kwalificatie relevant is voor de beoordeling van de vorderingen . Bij samenloop van aanneming van werk en consumentenkoop volgt uit artikel 7:5 lid 4 BW dat bij levering van roerende zaken de regels van consumentenkoop prevaleren boven de regels van aanneming van werk, ingeval de regels met elkaar strijdig zijn. De kantonrechter zal hieronder per gesteld gebrek beoordelen of [de gedaagde] gehouden is deze te herstellen. Rolluik 4.5. [de eiser] stelt dat het rolluik op de kleine slaapkamer bij normaal gebruik een abnormaal ratelend geluid maakt. Ondanks meerdere herstelpogingen door [de gedaagde] is het gebrek niet verholpen, aldus [de eiser] Hij mag als consument verwachten dat het rolluik naar behoren functioneert, zonder storend geluid. Hij verwijst daarbij naar de garantiebepalingen van [de gedaagde] die op haar website staan vermeld en waarop staat dat op rolluiken een garantie van 2 jaar geldt. 4.6. [de gedaagde] voert als verweer dat het rolluik door leverancier [leverancier] (hierna: [leverancier] ) is geleverd.
Volledig
[leverancier] heeft per mail het volgende over het ratelende geluid aangegeven: ‘De vraag was, waar het tikkende geluid van een van de rolluiken vandaan komt. Dit is de kunststof ophangveer met aluminium pinnetjes. Aan deze ophangveer wordt bij het omhoog / omlaag gaan van het rolluik mom de as gebogen. Door het rekken en strekken van de ophangveer, kan dit geluid ontstaan. Dit is eigen aan het product. Het geluid van de ophangveer valt buiten garantie. Aangezien dit geluid geen invloed heeft op de werking van het rolluik.’ Daarnaast beroept [de gedaagde] zich op artikel 5 van de van toepassing zijnde algemene voorwaarden, waarin het volgende is bepaald: ‘Op alle door leverancier geleverde materialen wordt de bijbehorende schriftelijke fabrieksgarantie gegeven. Leverancier staat in voor nalevering van de garantiebepalingen.’ Volgens [de gedaagde] is er gelet op het voorgaande dan ook geen sprake van een gebrek dat aan [de gedaagde] is toe te rekenen. 4.7. De kantonrechter overweegt als volgt. Op grond van artikel 7:17 BW moet het rolluik aan de overeenkomst beantwoorden. In het tweede lid van dat artikel is bepaald dat een zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt indien zij, mede gelet op de aard van de zaak en de mededelingen die de verkoper over de zaak heeft gedaan, niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. Als dit het geval is, is sprake van non-conformiteit. Naar het oordeel van de kantonrechter levert het ratelgeluid van het rolluik geen non-conformiteit op in de zin van artikel 7:17 BW. Het ratelgeluid staat het normaal gebruik van het rolluik namelijk niet in de weg; het rolluik functioneert naar behoren en houdt warmte en zonlicht tegen. Bovendien heeft de leverancier van het rolluik verklaard dat het geluid eigen is aan het product. Weliswaar heeft [de eiser] daartegenin gebracht dat zij thuis nog een rolluik heeft van dezelfde leverancier, dat dat rolluik geen ratelgeluid maakt en dat een derde partij ook heeft geconcludeerd dat het ratelgeluid niet normaal is, maar van dat laatste ontbreekt iedere onderbouwing. De vordering tot herstel van het ratelgeluid bij het rolluik wijst de kantonrechter daarom af. Pinnen achterdeur 4.8. Vast staat dat in eerste instantie een pin in de achterdeur ontbrak. Om die reden heeft [de gedaagde] op 3 september 2024 een nieuwe pin in de achterdeur gemonteerd en heeft [de eiser] naar aanleiding van deze herstelwerkzaamheden een bon ondertekend waarop het volgende is vermeld: ‘Hierbij bevestig ik dat de service/reparatiewerkzaamheden tot mijn volle tevredenheid zijn uitgevoerd.’ 4.9. [de eiser] stelt zich op het standpunt dat [de gedaagde] de herstelwerkzaamheden niet deugdelijk heeft uitgevoerd omdat een of meerdere pinnen in de achterdeur (bij normaal gebruik) zijn losgekomen en vermoedelijk in de deur zijn gevallen. De ondertekening van de servicebon van 3 september 2024 zag op het opnieuw plaatsen van de pin en doet niet af aan de omstandigheid dat de werkzaamheden niet deugdelijk zijn uitgevoerd. Bovendien geldt op grond van de garantiebepalingen van [de gedaagde] een garantie van 5 jaar op hang- en sluitwerk, aldus [de eiser] 4.10. De kantonrechter overweegt als volgt. [de eiser] heeft voldoende gesteld en door middel van video’s onderbouwd dat er een losse pin in de achterdeur zit. Dat de losse pinnen in de deur niet normaal zijn, is niet (gemotiveerd) door [de gedaagde] betwist. Naar het oordeel van de kantonrechter staat het daarmee vast dat sprake is van een gebrek wat [de eiser] niet hoeft te verwachten. De omstandigheid dat [de eiser] akkoord heeft getekend voor de montage van de pin in de achterdeur doet daar niets aan af. De ondertekening van dit formulier zag namelijk, zoals [de eiser] ook stelt, op de omstandigheid dat [de gedaagde] een pin in de achterdeur heeft gemonteerd, dus in feite herstel van het vorige gebrek nu opnieuw een gebrek is ontstaan omdat de pin er alweer uit is gevallen. Bovendien heeft [de gedaagde] op de zitting aangegeven dat het een kleine moeite is om het betreffende probleem op te lossen. De vordering tot herstel van de (losse) pinnen in de achterdeur wordt daarom toegewezen. Kozijn van de schuifpui en plisséhordeur 4.11. Volgens [de eiser] staan de zijkanten van het kozijn van de schuifpui bol. Doordat het kozijn niet vlak is gemonteerd, sluit de – op zichzelf rechte – hordeur niet goed aan waardoor lichtkieren ontstaan, aldus [de eiser] 4.12. [de gedaagde] voert als verweer dat de leverancier van de schuifpui en de hor op 7 augustus 2024 bij [de eiser] thuis is geweest en dat zij het gebrek reeds hebben hersteld. Zij verwijst daarbij naar een mail van de leverancier waarin de leverancier schrijft: ‘Volgens het rapport van onze service ploeg is uw klacht nu opgelost. Ik sluit het daarom af.’ Volgens [de gedaagde] is de klacht dus afgehandeld en zij merkt daarbij op dat een opening van maximaal 2 mm moet worden getolereerd. [de gedaagde] betwist dan ook dat er sprake is van een gebrek. 4.13. [de eiser] heeft daarop gesteld dat het gebrek niet is verholpen. Het enige wat de leverancier heeft gedaan is het aanbrengen van wat kit. Dit is slechts een tijdelijke lapmaatregel en neemt de oorzaak van het probleem niet weg, aldus [de eiser] Het kozijn staat nog steeds bol. Daarnaast zijn door [de gedaagde] onder de dorpel van de schuifpui bakstenen weggehakt. Deze bakstenen waren juist aangebracht door de eigen aannemer van [de eiser] ten behoeve van de stabiliteit. Deze zijn door [de gedaagde] weggehaald om de schuifpui te kunnen plaatsen, maar dit is naderhand niet meer hersteld. Daarnaast hangt de schuifpui ook maar aan één of twee banden, zonder volledige ondersteuning van de dorpel en is er ook geen bok ter ondersteuning onder de schuifpui geplaatst. Bovendien geldt op grond van de garantiebepalingen een garantie van 10 jaar op constructie en bouwkundig, aldus [de eiser] 4.14. De kantonrechter overweegt als volgt. Door [de gedaagde] is niet (gemotiveerd) betwist dat het kitten van de kieren slechts een tijdelijke oplossing is geweest. Daarbij geldt dat [de eiser] gemotiveerd gesteld en onderbouwd heeft dat de lichtkieren bij de plisséhordeur een andere oorzaak hebben. Uit de overgelegde foto’s kan naar het oordeel van de kantonrechter in voldoende mate worden afgeleid dat [de gedaagde] de schuifpui niet op een juiste manier heeft geplaatst. Er ontbreken stenen onder de dorpel van de schuifpui en door [de gedaagde] is niet weersproken dat zij deze stenen voor het plaatsen van de schuifpui heeft weggehakt en dit vervolgens niet meer heeft hersteld. Ook is door haar niet weersproken dat de schuifpui maar aan één of twee banden hangt zonder volledige ondersteuning en dat er geen bok is geplaatst. [de gedaagde] kan zich gelet op het voorgaande dan ook niet verschuilen achter haar verweer dat een serviceploeg, die volgens [de eiser] bovendien geen Nederlands en Engels sprak, op locatie is geweest om de problemen met de lichtkieren van de plisséhordeur te verhelpen en dat aan [de gedaagde] is meegedeeld dat de klachten zijn verholpen. Uit de niet (gemotiveerd) betwiste stellingen van [de eiser] en de daarbij overgelegde foto’s blijkt namelijk anders. De vordering tot herstel van de bolling van het kozijn van de schuifpui en de lichtkeuren bij de plisséhordeur wordt dan ook toegewezen. Vensterbank 4.15. [de eiser] stelt zich verder op het standpunt dat [de gedaagde] een verkeerde maat vensterbank heeft geleverd voor de dakkapel. Zij heeft een vensterbank geleverd van 4 meter terwijl de binnenbreedte van de dakkapel 4,487 meter is. Dat [de gedaagde] de vensterbank heeft ingemeten blijkt uit de opdrachtbevestiging. Daarin staat het volgende vermeld: ‘Wij vragen u niet om te tekenen ten behoeve van maatvoering, het technische inmeten hebben wij zelf verzorgd.’ Daarnaast staat in de opdrachtbevestiging vermeld dat [de gedaagde] een vensterbank levert ‘t.b.v.
Volledig
[leverancier] heeft per mail het volgende over het ratelende geluid aangegeven: ‘De vraag was, waar het tikkende geluid van een van de rolluiken vandaan komt. Dit is de kunststof ophangveer met aluminium pinnetjes. Aan deze ophangveer wordt bij het omhoog / omlaag gaan van het rolluik mom de as gebogen. Door het rekken en strekken van de ophangveer, kan dit geluid ontstaan. Dit is eigen aan het product. Het geluid van de ophangveer valt buiten garantie. Aangezien dit geluid geen invloed heeft op de werking van het rolluik.’ Daarnaast beroept [de gedaagde] zich op artikel 5 van de van toepassing zijnde algemene voorwaarden, waarin het volgende is bepaald: ‘Op alle door leverancier geleverde materialen wordt de bijbehorende schriftelijke fabrieksgarantie gegeven. Leverancier staat in voor nalevering van de garantiebepalingen.’ Volgens [de gedaagde] is er gelet op het voorgaande dan ook geen sprake van een gebrek dat aan [de gedaagde] is toe te rekenen. 4.7. De kantonrechter overweegt als volgt. Op grond van artikel 7:17 BW moet het rolluik aan de overeenkomst beantwoorden. In het tweede lid van dat artikel is bepaald dat een zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt indien zij, mede gelet op de aard van de zaak en de mededelingen die de verkoper over de zaak heeft gedaan, niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. Als dit het geval is, is sprake van non-conformiteit. Naar het oordeel van de kantonrechter levert het ratelgeluid van het rolluik geen non-conformiteit op in de zin van artikel 7:17 BW. Het ratelgeluid staat het normaal gebruik van het rolluik namelijk niet in de weg; het rolluik functioneert naar behoren en houdt warmte en zonlicht tegen. Bovendien heeft de leverancier van het rolluik verklaard dat het geluid eigen is aan het product. Weliswaar heeft [de eiser] daartegenin gebracht dat zij thuis nog een rolluik heeft van dezelfde leverancier, dat dat rolluik geen ratelgeluid maakt en dat een derde partij ook heeft geconcludeerd dat het ratelgeluid niet normaal is, maar van dat laatste ontbreekt iedere onderbouwing. De vordering tot herstel van het ratelgeluid bij het rolluik wijst de kantonrechter daarom af. Pinnen achterdeur 4.8. Vast staat dat in eerste instantie een pin in de achterdeur ontbrak. Om die reden heeft [de gedaagde] op 3 september 2024 een nieuwe pin in de achterdeur gemonteerd en heeft [de eiser] naar aanleiding van deze herstelwerkzaamheden een bon ondertekend waarop het volgende is vermeld: ‘Hierbij bevestig ik dat de service/reparatiewerkzaamheden tot mijn volle tevredenheid zijn uitgevoerd.’ 4.9. [de eiser] stelt zich op het standpunt dat [de gedaagde] de herstelwerkzaamheden niet deugdelijk heeft uitgevoerd omdat een of meerdere pinnen in de achterdeur (bij normaal gebruik) zijn losgekomen en vermoedelijk in de deur zijn gevallen. De ondertekening van de servicebon van 3 september 2024 zag op het opnieuw plaatsen van de pin en doet niet af aan de omstandigheid dat de werkzaamheden niet deugdelijk zijn uitgevoerd. Bovendien geldt op grond van de garantiebepalingen van [de gedaagde] een garantie van 5 jaar op hang- en sluitwerk, aldus [de eiser] 4.10. De kantonrechter overweegt als volgt. [de eiser] heeft voldoende gesteld en door middel van video’s onderbouwd dat er een losse pin in de achterdeur zit. Dat de losse pinnen in de deur niet normaal zijn, is niet (gemotiveerd) door [de gedaagde] betwist. Naar het oordeel van de kantonrechter staat het daarmee vast dat sprake is van een gebrek wat [de eiser] niet hoeft te verwachten. De omstandigheid dat [de eiser] akkoord heeft getekend voor de montage van de pin in de achterdeur doet daar niets aan af. De ondertekening van dit formulier zag namelijk, zoals [de eiser] ook stelt, op de omstandigheid dat [de gedaagde] een pin in de achterdeur heeft gemonteerd, dus in feite herstel van het vorige gebrek nu opnieuw een gebrek is ontstaan omdat de pin er alweer uit is gevallen. Bovendien heeft [de gedaagde] op de zitting aangegeven dat het een kleine moeite is om het betreffende probleem op te lossen. De vordering tot herstel van de (losse) pinnen in de achterdeur wordt daarom toegewezen. Kozijn van de schuifpui en plisséhordeur 4.11. Volgens [de eiser] staan de zijkanten van het kozijn van de schuifpui bol. Doordat het kozijn niet vlak is gemonteerd, sluit de – op zichzelf rechte – hordeur niet goed aan waardoor lichtkieren ontstaan, aldus [de eiser] 4.12. [de gedaagde] voert als verweer dat de leverancier van de schuifpui en de hor op 7 augustus 2024 bij [de eiser] thuis is geweest en dat zij het gebrek reeds hebben hersteld. Zij verwijst daarbij naar een mail van de leverancier waarin de leverancier schrijft: ‘Volgens het rapport van onze service ploeg is uw klacht nu opgelost. Ik sluit het daarom af.’ Volgens [de gedaagde] is de klacht dus afgehandeld en zij merkt daarbij op dat een opening van maximaal 2 mm moet worden getolereerd. [de gedaagde] betwist dan ook dat er sprake is van een gebrek. 4.13. [de eiser] heeft daarop gesteld dat het gebrek niet is verholpen. Het enige wat de leverancier heeft gedaan is het aanbrengen van wat kit. Dit is slechts een tijdelijke lapmaatregel en neemt de oorzaak van het probleem niet weg, aldus [de eiser] Het kozijn staat nog steeds bol. Daarnaast zijn door [de gedaagde] onder de dorpel van de schuifpui bakstenen weggehakt. Deze bakstenen waren juist aangebracht door de eigen aannemer van [de eiser] ten behoeve van de stabiliteit. Deze zijn door [de gedaagde] weggehaald om de schuifpui te kunnen plaatsen, maar dit is naderhand niet meer hersteld. Daarnaast hangt de schuifpui ook maar aan één of twee banden, zonder volledige ondersteuning van de dorpel en is er ook geen bok ter ondersteuning onder de schuifpui geplaatst. Bovendien geldt op grond van de garantiebepalingen een garantie van 10 jaar op constructie en bouwkundig, aldus [de eiser] 4.14. De kantonrechter overweegt als volgt. Door [de gedaagde] is niet (gemotiveerd) betwist dat het kitten van de kieren slechts een tijdelijke oplossing is geweest. Daarbij geldt dat [de eiser] gemotiveerd gesteld en onderbouwd heeft dat de lichtkieren bij de plisséhordeur een andere oorzaak hebben. Uit de overgelegde foto’s kan naar het oordeel van de kantonrechter in voldoende mate worden afgeleid dat [de gedaagde] de schuifpui niet op een juiste manier heeft geplaatst. Er ontbreken stenen onder de dorpel van de schuifpui en door [de gedaagde] is niet weersproken dat zij deze stenen voor het plaatsen van de schuifpui heeft weggehakt en dit vervolgens niet meer heeft hersteld. Ook is door haar niet weersproken dat de schuifpui maar aan één of twee banden hangt zonder volledige ondersteuning en dat er geen bok is geplaatst. [de gedaagde] kan zich gelet op het voorgaande dan ook niet verschuilen achter haar verweer dat een serviceploeg, die volgens [de eiser] bovendien geen Nederlands en Engels sprak, op locatie is geweest om de problemen met de lichtkieren van de plisséhordeur te verhelpen en dat aan [de gedaagde] is meegedeeld dat de klachten zijn verholpen. Uit de niet (gemotiveerd) betwiste stellingen van [de eiser] en de daarbij overgelegde foto’s blijkt namelijk anders. De vordering tot herstel van de bolling van het kozijn van de schuifpui en de lichtkeuren bij de plisséhordeur wordt dan ook toegewezen. Vensterbank 4.15. [de eiser] stelt zich verder op het standpunt dat [de gedaagde] een verkeerde maat vensterbank heeft geleverd voor de dakkapel. Zij heeft een vensterbank geleverd van 4 meter terwijl de binnenbreedte van de dakkapel 4,487 meter is. Dat [de gedaagde] de vensterbank heeft ingemeten blijkt uit de opdrachtbevestiging. Daarin staat het volgende vermeld: ‘Wij vragen u niet om te tekenen ten behoeve van maatvoering, het technische inmeten hebben wij zelf verzorgd.’ Daarnaast staat in de opdrachtbevestiging vermeld dat [de gedaagde] een vensterbank levert ‘t.b.v.
Volledig
montage dakkapel.’ [de gedaagde] heeft de dakkapel zelf gemaakt, was op de hoogte van het feit dat de vensterbank bedoeld was voor de dakkapel en is dus verantwoordelijk voor de juiste maatvoering, aldus [de eiser] Daarbij merkt [de eiser] op dat zelfs als [de gedaagde] de vensterbank niet zou hebben ingemeten, zij als professioneel aannemer had moeten weten dat een vensterbank van 4 meter tekort is voor de dakkapel van 4,487 meter. In dat geval had [de gedaagde] dus een waarschuwingsplicht zoals bedoeld in artikel 7:754 BW. 4.16. [de gedaagde] betwist dat zij de vensterbank heeft ingemeten. Zij voert aan dat in de door [de eiser] ondertekende opdrachtbevestiging is bepaald dat [de gedaagde] een vensterbank met een lengte van 4 meter en diepte van 25 cm aan [de eiser] zou leveren. Er is volgens [de gedaagde] expliciet gecontracteerd op bestelling en zij heeft geleverd conform hetgeen [de eiser] heeft besteld. Verder beroept [de gedaagde] zich op een bepaling in de opdrachtbevestiging waarin staat vermeld: ‘Algemeen (…) 13. Ter hoogte van eventuele tussenpanelen in uw nieuwe dakkapel dient u zelf ná montage van de dakkapel een houtskeletbouw-wand te plaatsen ter versteviging van de constructie van uw nieuwe dakkapel.’ Met andere woorden voert [de gedaagde] aan dat [de eiser] nog een houtskeletbouw-wand moet plaatsen en dat de vensterbank dan wel lang genoeg is voor in de dakkapel, aldus [de gedaagde] . 4.17. De kantonrechter acht het van doorslaggevend belang dat in de opdrachtbevestiging het volgende is vermeld: ‘Wij vragen u niet om te tekenen ten behoeve van maatvoering, het technische inmeten hebben wij zelf verzorgd.’ Naar het oordeel van de kantonrechter staat het met deze bepaling vast dat [de gedaagde] de vensterbank heeft ingemeten, althans had moeten inmeten en dat [de eiser] niet heeft getekend voor de maatvoering. Om die reden faalt het verweer van [de gedaagde] dat [de eiser] de opdrachtbevestiging heeft ondertekend en daarmee akkoord is gegaan met de afmetingen van de vensterbank. Daarbij geldt dat van een professionele partij zoals [de gedaagde] , ook al zou zij de vensterbank niet hebben ingemeten en hebben gecontracteerd op bestelling, verwacht mag worden dat zij bij [de eiser] had geïnformeerd hoe en waar [de eiser] de vensterbank wilde plaatsen. [de gedaagde] kan zich niet verschuilen achter het verweer dat [de eiser] de vensterbank ook voor iemand anders had kunnen bestellen en ook had zij er niet zomaar vanuit mogen gaan dat [de eiser] na montage van de dakkapel een houtskeletbouw-wand zou plaatsen. Met andere woorden had [de gedaagde] aan [de eiser] moeten vragen of [de eiser] van plan was om er een wandje tussen te plaatsen of dat het een geheel zou worden en op basis van die informatie [de eiser] moeten waarschuwen voor eventuele onjuistheden in de maatvoering van de vensterbank. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat [de gedaagde] niet heeft voldaan aan haar waarschuwingsplicht en dat de verkeerde maatvoering van de vensterbank aan haar te wijten is. Het voorgaande betekent dat de vordering tot herstel van de vensterbank wordt toegewezen. Glas schuifpui 4.18. Vast staat dat [de eiser] op 9 juni 2024 krassen aan de binnenzijde van het rechterraam van de schuifpui heeft gemeld bij [de gedaagde] en dat de schuifpui in mei 2024 bij [de eiser] is geplaatst. Op 10 juni 2024 heeft [de gedaagde] gereageerd dat, indien het geen plaksel is, zij dit kan uitzetten bij haar leverancier. [de eiser] stelt dat de krassen op het raam van de schuifpui een gebrek opleveren en dat [de gedaagde] dit gebrek moet herstellen. 4.19. [de gedaagde] voert als verweer dat de melding over de krassen ruim 3 weken nadat de schuifpui bij [de eiser] is geplaatst is binnengekomen en dat [de eiser] dus niet binnen een redelijke termijn heeft geklaagd. Daarnaast voert [de gedaagde] aan dat glas een kwetsbaar natuurproduct, waardoor een Europese Richtlijn is opgesteld in de vorm van en NEN-norm (NEN-EN 1279) met betrekking tot krassen en andere beschadigingen welke als acceptabel dan wel onacceptabel moeten worden beschouwd. Daarbij geldt dat sommige verschijnselen wel zichtbaar kunnen zijn op het glasoppervlak, maar deze niet meegenomen mogen worden in de visuele beoordeling van het glas en het geen redenen zijn tot afkeur. Daaronder vallen kleur, kleurverschillen, interferentie (kleurvlekken) condensvorming op het glas en barometrische invloeden, aldus [de gedaagde] . [de gedaagde] geeft daarbij aan dat [de eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat de krassen op de schuifpui van [de eiser] een gebrek opleveren die [de gedaagde] moet herstellen. 4.20. De kantonrechter overweegt als volgt. Het verweer van [de gedaagde] dat [de eiser] niet binnen een redelijke termijn heeft geklaagd snijdt geen hout. In artikel 7:23 BW is – voor zover van belang – bepaald dat bij een consumentenkoop de kennisgeving binnen bekwame tijd na de ontdekking moet geschieden, waarbij een kennisgeving binnen een termijn van twee maanden na de ontdekking tijdig is. Vast staat dat de schuifpui in mei 2024 is geplaatst en dat [de eiser] in juni 2024 een schademelding heeft gedaan met betrekking tot de krassen op het raam van de schuifpui. Daarmee staat vast dat [de eiser] tijdig heeft geklaagd. Daarnaast leveren de krassen naar het oordeel van de kantonrechter non-conformiteit op. [de eiser] hoeft immers niet te verwachten dat een nieuw geplaatste schuifpui met nieuwe ramen krassen bevat. De krassen hebben zich binnen één jaar na aflevering/plaatsing van de schuifpui geopenbaard. Op grond van artikel 7:18a lid 2 BW wordt daarom vermoed dat deze krassen al bij aflevering aanwezig zijn geweest, tenzij [de gedaagde] anders aantoont of de aard van de zaak of de aard van de afwijking zich daartegen verzet. [de gedaagde] heeft niet aangetoond dat de krassen na plaatsing van de schuifpui zelf door [de eiser] of een derde zijn veroorzaakt. [de gedaagde] heeft weliswaar aangevoerd en onderbouwd dat niet elke beschadiging of kras een gebrek oplevert, maar zij heeft niet aangetoond dat de specifieke krassen waarvan [de eiser] herstel vordert geen non-conformiteit opleveren in de zin van artikel 7:17 BW. Het is namelijk niet gebleken dat [de gedaagde] of een deskundige bij [de eiser] is langs geweest om de krassen te beoordelen. Dit betekent dat naar het oordeel van de kantonrechter de zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt en dat [de gedaagde] gehouden is de krassen op de ramen van de schuifpui te herstellen. Deze vordering wordt dan ook toegewezen. Termijn voor nakoming 4.21. De kantonrechter veroordeelt [de gedaagde] om tot herstel van de gebreken over te gaan zoals hiervoor toegewezen binnen vier weken na betekening van het vonnis. Deze werkzaamheden moet [de gedaagde] vervolgens afronden binnen vier weken daarna. Op de termijn voor nakoming is door [de gedaagde] geen verweer gevoerd en de kantonrechter acht deze termijnen, zoals door [de eiser] gevorderd, ook niet onredelijk. Dwangsom 4.22. De gevorderde dwangsom als prikkel tot nakoming wordt ook toegewezen, maar wel gematigd. De kantonrechter bepaalt de hoogte van de dwangsom op € 100,00 per dag met een maximum van € 25.000,00. Buitengerechtelijke kosten 4.23. [de eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De hoofdvordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) omdat het een vordering van onbepaalde waarde betreft. De kantonrechter zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-Integraal 2013, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. Dit betekent dat een bedrag van € 559,63 aan buitengerechtelijke kosten inclusief btw kan worden toegewezen. De wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten wordt toegewezen zoals in de beslissing vermeld. Proceskosten 4.24. [de gedaagde] wordt grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.
Volledig
montage dakkapel.’ [de gedaagde] heeft de dakkapel zelf gemaakt, was op de hoogte van het feit dat de vensterbank bedoeld was voor de dakkapel en is dus verantwoordelijk voor de juiste maatvoering, aldus [de eiser] Daarbij merkt [de eiser] op dat zelfs als [de gedaagde] de vensterbank niet zou hebben ingemeten, zij als professioneel aannemer had moeten weten dat een vensterbank van 4 meter tekort is voor de dakkapel van 4,487 meter. In dat geval had [de gedaagde] dus een waarschuwingsplicht zoals bedoeld in artikel 7:754 BW. 4.16. [de gedaagde] betwist dat zij de vensterbank heeft ingemeten. Zij voert aan dat in de door [de eiser] ondertekende opdrachtbevestiging is bepaald dat [de gedaagde] een vensterbank met een lengte van 4 meter en diepte van 25 cm aan [de eiser] zou leveren. Er is volgens [de gedaagde] expliciet gecontracteerd op bestelling en zij heeft geleverd conform hetgeen [de eiser] heeft besteld. Verder beroept [de gedaagde] zich op een bepaling in de opdrachtbevestiging waarin staat vermeld: ‘Algemeen (…) 13. Ter hoogte van eventuele tussenpanelen in uw nieuwe dakkapel dient u zelf ná montage van de dakkapel een houtskeletbouw-wand te plaatsen ter versteviging van de constructie van uw nieuwe dakkapel.’ Met andere woorden voert [de gedaagde] aan dat [de eiser] nog een houtskeletbouw-wand moet plaatsen en dat de vensterbank dan wel lang genoeg is voor in de dakkapel, aldus [de gedaagde] . 4.17. De kantonrechter acht het van doorslaggevend belang dat in de opdrachtbevestiging het volgende is vermeld: ‘Wij vragen u niet om te tekenen ten behoeve van maatvoering, het technische inmeten hebben wij zelf verzorgd.’ Naar het oordeel van de kantonrechter staat het met deze bepaling vast dat [de gedaagde] de vensterbank heeft ingemeten, althans had moeten inmeten en dat [de eiser] niet heeft getekend voor de maatvoering. Om die reden faalt het verweer van [de gedaagde] dat [de eiser] de opdrachtbevestiging heeft ondertekend en daarmee akkoord is gegaan met de afmetingen van de vensterbank. Daarbij geldt dat van een professionele partij zoals [de gedaagde] , ook al zou zij de vensterbank niet hebben ingemeten en hebben gecontracteerd op bestelling, verwacht mag worden dat zij bij [de eiser] had geïnformeerd hoe en waar [de eiser] de vensterbank wilde plaatsen. [de gedaagde] kan zich niet verschuilen achter het verweer dat [de eiser] de vensterbank ook voor iemand anders had kunnen bestellen en ook had zij er niet zomaar vanuit mogen gaan dat [de eiser] na montage van de dakkapel een houtskeletbouw-wand zou plaatsen. Met andere woorden had [de gedaagde] aan [de eiser] moeten vragen of [de eiser] van plan was om er een wandje tussen te plaatsen of dat het een geheel zou worden en op basis van die informatie [de eiser] moeten waarschuwen voor eventuele onjuistheden in de maatvoering van de vensterbank. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat [de gedaagde] niet heeft voldaan aan haar waarschuwingsplicht en dat de verkeerde maatvoering van de vensterbank aan haar te wijten is. Het voorgaande betekent dat de vordering tot herstel van de vensterbank wordt toegewezen. Glas schuifpui 4.18. Vast staat dat [de eiser] op 9 juni 2024 krassen aan de binnenzijde van het rechterraam van de schuifpui heeft gemeld bij [de gedaagde] en dat de schuifpui in mei 2024 bij [de eiser] is geplaatst. Op 10 juni 2024 heeft [de gedaagde] gereageerd dat, indien het geen plaksel is, zij dit kan uitzetten bij haar leverancier. [de eiser] stelt dat de krassen op het raam van de schuifpui een gebrek opleveren en dat [de gedaagde] dit gebrek moet herstellen. 4.19. [de gedaagde] voert als verweer dat de melding over de krassen ruim 3 weken nadat de schuifpui bij [de eiser] is geplaatst is binnengekomen en dat [de eiser] dus niet binnen een redelijke termijn heeft geklaagd. Daarnaast voert [de gedaagde] aan dat glas een kwetsbaar natuurproduct, waardoor een Europese Richtlijn is opgesteld in de vorm van en NEN-norm (NEN-EN 1279) met betrekking tot krassen en andere beschadigingen welke als acceptabel dan wel onacceptabel moeten worden beschouwd. Daarbij geldt dat sommige verschijnselen wel zichtbaar kunnen zijn op het glasoppervlak, maar deze niet meegenomen mogen worden in de visuele beoordeling van het glas en het geen redenen zijn tot afkeur. Daaronder vallen kleur, kleurverschillen, interferentie (kleurvlekken) condensvorming op het glas en barometrische invloeden, aldus [de gedaagde] . [de gedaagde] geeft daarbij aan dat [de eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat de krassen op de schuifpui van [de eiser] een gebrek opleveren die [de gedaagde] moet herstellen. 4.20. De kantonrechter overweegt als volgt. Het verweer van [de gedaagde] dat [de eiser] niet binnen een redelijke termijn heeft geklaagd snijdt geen hout. In artikel 7:23 BW is – voor zover van belang – bepaald dat bij een consumentenkoop de kennisgeving binnen bekwame tijd na de ontdekking moet geschieden, waarbij een kennisgeving binnen een termijn van twee maanden na de ontdekking tijdig is. Vast staat dat de schuifpui in mei 2024 is geplaatst en dat [de eiser] in juni 2024 een schademelding heeft gedaan met betrekking tot de krassen op het raam van de schuifpui. Daarmee staat vast dat [de eiser] tijdig heeft geklaagd. Daarnaast leveren de krassen naar het oordeel van de kantonrechter non-conformiteit op. [de eiser] hoeft immers niet te verwachten dat een nieuw geplaatste schuifpui met nieuwe ramen krassen bevat. De krassen hebben zich binnen één jaar na aflevering/plaatsing van de schuifpui geopenbaard. Op grond van artikel 7:18a lid 2 BW wordt daarom vermoed dat deze krassen al bij aflevering aanwezig zijn geweest, tenzij [de gedaagde] anders aantoont of de aard van de zaak of de aard van de afwijking zich daartegen verzet. [de gedaagde] heeft niet aangetoond dat de krassen na plaatsing van de schuifpui zelf door [de eiser] of een derde zijn veroorzaakt. [de gedaagde] heeft weliswaar aangevoerd en onderbouwd dat niet elke beschadiging of kras een gebrek oplevert, maar zij heeft niet aangetoond dat de specifieke krassen waarvan [de eiser] herstel vordert geen non-conformiteit opleveren in de zin van artikel 7:17 BW. Het is namelijk niet gebleken dat [de gedaagde] of een deskundige bij [de eiser] is langs geweest om de krassen te beoordelen. Dit betekent dat naar het oordeel van de kantonrechter de zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt en dat [de gedaagde] gehouden is de krassen op de ramen van de schuifpui te herstellen. Deze vordering wordt dan ook toegewezen. Termijn voor nakoming 4.21. De kantonrechter veroordeelt [de gedaagde] om tot herstel van de gebreken over te gaan zoals hiervoor toegewezen binnen vier weken na betekening van het vonnis. Deze werkzaamheden moet [de gedaagde] vervolgens afronden binnen vier weken daarna. Op de termijn voor nakoming is door [de gedaagde] geen verweer gevoerd en de kantonrechter acht deze termijnen, zoals door [de eiser] gevorderd, ook niet onredelijk. Dwangsom 4.22. De gevorderde dwangsom als prikkel tot nakoming wordt ook toegewezen, maar wel gematigd. De kantonrechter bepaalt de hoogte van de dwangsom op € 100,00 per dag met een maximum van € 25.000,00. Buitengerechtelijke kosten 4.23. [de eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De hoofdvordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) omdat het een vordering van onbepaalde waarde betreft. De kantonrechter zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-Integraal 2013, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. Dit betekent dat een bedrag van € 559,63 aan buitengerechtelijke kosten inclusief btw kan worden toegewezen. De wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten wordt toegewezen zoals in de beslissing vermeld. Proceskosten 4.24. [de gedaagde] wordt grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.