Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2026-02-04
ECLI:NL:RBGEL:2026:2790
Civiel recht; Arbeidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
8,144 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:2790 text/xml public 2026-04-29T14:13:46 2026-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-02-04 11984159 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Arnhem Civiel recht; Arbeidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2790 text/html public 2026-04-29T14:12:55 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:2790 Rechtbank Gelderland , 04-02-2026 / 11984159 Uitleg vaststellingsovereenkomst RECHTBANK GELDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Arnhem Zaaknummer / rekestnummer: 11984159 \ HA VERZ 25-181 Beschikking van 4 februari 2026 in de zaak van [naam verzoekend vennootschap] VOF gevestigd te [vestigingsplaats] verzoekende partij in het verzoek verwerende partij in het tegenverzoek hierna te noemen: [de verzoeker in het verzoek] procederend in persoon tegen [naam verweerder] wonende te [woonplaats] verwerende partij in het verzoek verzoekende partij in het tegenverzoek hierna te noemen: [de verweerder in het verzoek] procederend in persoon 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift - het verweerschrift - de mondelinge behandeling van 6 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.2. De beschikking is bepaald op vandaag. 2 De feiten 2.1. [de verweerder in het verzoek] is op 1 januari 2024 bij [de verzoeker in het verzoek] in dienst getreden in de functie van kantoormedewerker op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, eindigend op 31 december 2024. Het brutoloon bedroeg € 3.452,23 per maand, vermeerderd met een vakantietoeslag van 8% per jaar. 2.2. Op 29 november 2024 is de arbeidsovereenkomst met een jaar verlengd, tot 31 december 2025. Per 1 januari 2025 is er een inflatiecorrectie van 4% toegepast op het loon van [de verweerder in het verzoek] . Laatstelijk bedroeg het loon van [de verweerder in het verzoek] € 3.590,32 bruto per maand. 2.3. Op 17 september 2025 heeft [de verzoeker in het verzoek] [de verweerder in het verzoek] te kennen gegeven de arbeidsovereenkomst niet te gaan verlengen. [de verzoeker in het verzoek] heeft [de verweerder in het verzoek] de mogelijkheid gegeven om 1) door te werken tot einde arbeidsovereenkomst of 2) vrijgesteld te worden van werkzaamheden met behoud van loon. [de verweerder in het verzoek] koos voor de vrijstelling. 2.4. Dit is op 25 september 2025 door [de verzoeker in het verzoek] als volgt schriftelijk vastgelegd: “Zoals vastgesteld in je arbeidsovereenkomst loopt jouw contract van rechtswege af op 31 december 2025 . Wij hebben besloten dit contract niet te verlengen. Tot aan de einddatum ben je vrijgesteld van werk. Mocht je vóór 31 december 2025 een andere baan vinden, dan beëindigen wij de arbeidsovereenkomst graag eerder in overleg met jou, per de datum van indiensttreding bij je nieuwe werkgever. Uiteraard zorgen wij ervoor dat alle openstaande zaken, inclusief vakantiedagen en eindafrekening, correct worden afgehandeld.” [de verweerder in het verzoek] heeft dit stuk voor gezien en akkoord ondertekend. 2.5. Op of omstreeks 27 oktober 2025 is [de verweerder in het verzoek] voor 24 uur per week gestart bij het Liemers College ter vervanging van een conciërge die door langdurige ziekte was uitgevallen. Het betreft een tijdelijke parttime functie. 2.6. Bij brief van 4 november 2025 heeft [de verzoeker in het verzoek] [de verweerder in het verzoek] aangeschreven. In de brief staat: In ons gesprek op 17 september hebben wij aangegeven het contract niet te verlengen. Op 25 september heb jij aangegeven niet meer te willen terugkeren naar de werkvloer. Wij hebben je daarop, uit coulance en zoals door jou gewenst, vrijgesteld van werk met behoud van salaris, zodat je in alle rust de tijd had om een nieuwe baan te vinden. Deze vrijstelling was nadrukkelijk bedoeld als ondersteuning bij het zoeken naar ander werk, niet als een volledige vrijstelling van verplichtingen of een periode van betaald verlof. In de vaststellingsovereenkomst is opgenomen dat, indien je vóór 31 december 2025 een andere baan zou vinden, partijen met elkaar in overleg zouden treden om het dienstverband bij [de verzoeker in het verzoek] eerder te beëindigen. Dat “in overleg” impliceert dat jij dit aan ons meldt en we samen een beëindigingsdatum afspreken. Wij hebben via derden moeten vernemen dat je inmiddels een tijdelijke functie hebt aanvaard bij het Liemers College. Dat is uiteraard positief, wij gunnen je van harte deze nieuwe stap. Tegelijkertijd constateren wij dat je dit niet met ons hebt afgestemd, terwijl dat op grond van de gemaakte afspraken wel de bedoeling was. Daarmee handel je in formeel gezien niet in de geest van e afspraak en ook niet in lijn met het principe van goed werknemerschap (artikel 7:611 BW), waarin wederzijds respect, openheid en redelijkheid centraal staan. We begrijpen uiteraard dat jij je salaris wilt veiligstellen met het oog op een eventuele toekomstige WW-uitkering, en dat je jouw werkzaamheden bij het Liemers College wellicht ziet als een vorm van “snuffelstage”. Wij willen je daarin zeker niet tegenwerken, integendeel, wij gunnen je van harte een goede overgang naar een volgende stap. Wel vinden wij dat in zo’n situatie overleg vanzelfsprekend en wenselijk is. Alleen door open te communiceren kunnen wij ook meedenken en constructief meewerken aan een correcte afronding. Belangrijk om te benadrukken is dat de vrijstelling van werk geen vrijbrief is om zonder overleg andere betaalde werkzaamheden te verrichten of zogenoemde “bijbaantjes” te accepteren, al dan niet zwart. Zolang de arbeidsovereenkomst met [de verzoeker in het verzoek] nog loopt en je salaris wordt doorbetaald, verwachten wij dat je ons hierover vooraf informeert. Dit is niet alleen een kwestie van goed overleg, maar ook van wederzijds vertrouwen en correcte nalevering van de afspraken die wij samen hebben gemaakt. Om de situatie correct af te wikkelen, vragen wij je om uiterlijk binnen drie werkdagen na dagtekening van deze brief schriftelijk te laten weten welke van de onderstaande opties jouw voorkeur heeft: 1. Je hervat per direct je werkzaamheden bij [de verzoeker in het verzoek] ; 2. Je bevestigt dat je bij het Liemers College werkzaam bent en stemt in met beëindiging van je arbeidsovereenkomst bij [de verzoeker in het verzoek] per de datum waarop dat dienstverband is ingegaan; 3. De uren die je bij het Liemers College werkt worden door [de verzoeker in het verzoek] bij het Liemers College in rekening gebracht, zodat je salaris bij ons ongewijzigd kan blijven; 4. Wij korten jouw salaris bij [de verzoeker in het verzoek] met de uren die jij bij het Liemers College werkt. Totdat hierover duidelijkheid bestaat, behouden wij ons het recht voor om het salaris (gedeeltelijk) op te schorten of te verrekenen, gezien het feit dat er mogelijk sprake is van gelijktijdige inkomsten uit ander werk. Wij hopen dat we dit samen op een nette en respectvolle manier kunnen afronden, in lijn met de openheid en het vertrouwen waarmee wij je destijds vrijstelling hebben verleend. 2.7. Op 6 november 2025 heeft [de verweerder in het verzoek] daar bij brief als volgt op gereageerd: Ik heb op 25 november mondeling gekozen voor de vrijstelling van werkzaamheden, zoals ook door [de verzoeker in het verzoek] schriftelijk is bevestigd. In deze bevestiging is tevens de eerdere bepaling opgenomen dat, indien ik vóór 31 december 2025 een andere baan zou vinden, partijen “in overleg” zouden treden over een eventuele eerdere beëindiging van het dienstverband. Deze formulering impliceert nadrukkelijk geen automatische of verplichte beëindiging van het contract. Tot op heden heb ik niet ingestemd met een eerdere beëindiging, noch is een afzonderlijke beëindigingsovereenkomst gesloten. Mijn arbeidsovereenkomst loopt derhalve onverkort door tot 31 december 2025, en ik heb recht op volledige doorbetaling van loon gedurende deze periode. De werkzaamheden die ik tijdelijk verricht bij het Liemers College zijn buiten de werkkring van [de verzoeker in het verzoek] en vormen geen concurrentie of belangenverstrengeling.
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:2790 text/xml public 2026-04-29T14:13:46 2026-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-02-04 11984159 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Arnhem Civiel recht; Arbeidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2790 text/html public 2026-04-29T14:12:55 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:2790 Rechtbank Gelderland , 04-02-2026 / 11984159 Uitleg vaststellingsovereenkomst RECHTBANK GELDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Arnhem Zaaknummer / rekestnummer: 11984159 \ HA VERZ 25-181 Beschikking van 4 februari 2026 in de zaak van [naam verzoekend vennootschap] VOF gevestigd te [vestigingsplaats] verzoekende partij in het verzoek verwerende partij in het tegenverzoek hierna te noemen: [de verzoeker in het verzoek] procederend in persoon tegen [naam verweerder] wonende te [woonplaats] verwerende partij in het verzoek verzoekende partij in het tegenverzoek hierna te noemen: [de verweerder in het verzoek] procederend in persoon 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift - het verweerschrift - de mondelinge behandeling van 6 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.2. De beschikking is bepaald op vandaag. 2 De feiten 2.1. [de verweerder in het verzoek] is op 1 januari 2024 bij [de verzoeker in het verzoek] in dienst getreden in de functie van kantoormedewerker op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, eindigend op 31 december 2024. Het brutoloon bedroeg € 3.452,23 per maand, vermeerderd met een vakantietoeslag van 8% per jaar. 2.2. Op 29 november 2024 is de arbeidsovereenkomst met een jaar verlengd, tot 31 december 2025. Per 1 januari 2025 is er een inflatiecorrectie van 4% toegepast op het loon van [de verweerder in het verzoek] . Laatstelijk bedroeg het loon van [de verweerder in het verzoek] € 3.590,32 bruto per maand. 2.3. Op 17 september 2025 heeft [de verzoeker in het verzoek] [de verweerder in het verzoek] te kennen gegeven de arbeidsovereenkomst niet te gaan verlengen. [de verzoeker in het verzoek] heeft [de verweerder in het verzoek] de mogelijkheid gegeven om 1) door te werken tot einde arbeidsovereenkomst of 2) vrijgesteld te worden van werkzaamheden met behoud van loon. [de verweerder in het verzoek] koos voor de vrijstelling. 2.4. Dit is op 25 september 2025 door [de verzoeker in het verzoek] als volgt schriftelijk vastgelegd: “Zoals vastgesteld in je arbeidsovereenkomst loopt jouw contract van rechtswege af op 31 december 2025 . Wij hebben besloten dit contract niet te verlengen. Tot aan de einddatum ben je vrijgesteld van werk. Mocht je vóór 31 december 2025 een andere baan vinden, dan beëindigen wij de arbeidsovereenkomst graag eerder in overleg met jou, per de datum van indiensttreding bij je nieuwe werkgever. Uiteraard zorgen wij ervoor dat alle openstaande zaken, inclusief vakantiedagen en eindafrekening, correct worden afgehandeld.” [de verweerder in het verzoek] heeft dit stuk voor gezien en akkoord ondertekend. 2.5. Op of omstreeks 27 oktober 2025 is [de verweerder in het verzoek] voor 24 uur per week gestart bij het Liemers College ter vervanging van een conciërge die door langdurige ziekte was uitgevallen. Het betreft een tijdelijke parttime functie. 2.6. Bij brief van 4 november 2025 heeft [de verzoeker in het verzoek] [de verweerder in het verzoek] aangeschreven. In de brief staat: In ons gesprek op 17 september hebben wij aangegeven het contract niet te verlengen. Op 25 september heb jij aangegeven niet meer te willen terugkeren naar de werkvloer. Wij hebben je daarop, uit coulance en zoals door jou gewenst, vrijgesteld van werk met behoud van salaris, zodat je in alle rust de tijd had om een nieuwe baan te vinden. Deze vrijstelling was nadrukkelijk bedoeld als ondersteuning bij het zoeken naar ander werk, niet als een volledige vrijstelling van verplichtingen of een periode van betaald verlof. In de vaststellingsovereenkomst is opgenomen dat, indien je vóór 31 december 2025 een andere baan zou vinden, partijen met elkaar in overleg zouden treden om het dienstverband bij [de verzoeker in het verzoek] eerder te beëindigen. Dat “in overleg” impliceert dat jij dit aan ons meldt en we samen een beëindigingsdatum afspreken. Wij hebben via derden moeten vernemen dat je inmiddels een tijdelijke functie hebt aanvaard bij het Liemers College. Dat is uiteraard positief, wij gunnen je van harte deze nieuwe stap. Tegelijkertijd constateren wij dat je dit niet met ons hebt afgestemd, terwijl dat op grond van de gemaakte afspraken wel de bedoeling was. Daarmee handel je in formeel gezien niet in de geest van e afspraak en ook niet in lijn met het principe van goed werknemerschap (artikel 7:611 BW), waarin wederzijds respect, openheid en redelijkheid centraal staan. We begrijpen uiteraard dat jij je salaris wilt veiligstellen met het oog op een eventuele toekomstige WW-uitkering, en dat je jouw werkzaamheden bij het Liemers College wellicht ziet als een vorm van “snuffelstage”. Wij willen je daarin zeker niet tegenwerken, integendeel, wij gunnen je van harte een goede overgang naar een volgende stap. Wel vinden wij dat in zo’n situatie overleg vanzelfsprekend en wenselijk is. Alleen door open te communiceren kunnen wij ook meedenken en constructief meewerken aan een correcte afronding. Belangrijk om te benadrukken is dat de vrijstelling van werk geen vrijbrief is om zonder overleg andere betaalde werkzaamheden te verrichten of zogenoemde “bijbaantjes” te accepteren, al dan niet zwart. Zolang de arbeidsovereenkomst met [de verzoeker in het verzoek] nog loopt en je salaris wordt doorbetaald, verwachten wij dat je ons hierover vooraf informeert. Dit is niet alleen een kwestie van goed overleg, maar ook van wederzijds vertrouwen en correcte nalevering van de afspraken die wij samen hebben gemaakt. Om de situatie correct af te wikkelen, vragen wij je om uiterlijk binnen drie werkdagen na dagtekening van deze brief schriftelijk te laten weten welke van de onderstaande opties jouw voorkeur heeft: 1. Je hervat per direct je werkzaamheden bij [de verzoeker in het verzoek] ; 2. Je bevestigt dat je bij het Liemers College werkzaam bent en stemt in met beëindiging van je arbeidsovereenkomst bij [de verzoeker in het verzoek] per de datum waarop dat dienstverband is ingegaan; 3. De uren die je bij het Liemers College werkt worden door [de verzoeker in het verzoek] bij het Liemers College in rekening gebracht, zodat je salaris bij ons ongewijzigd kan blijven; 4. Wij korten jouw salaris bij [de verzoeker in het verzoek] met de uren die jij bij het Liemers College werkt. Totdat hierover duidelijkheid bestaat, behouden wij ons het recht voor om het salaris (gedeeltelijk) op te schorten of te verrekenen, gezien het feit dat er mogelijk sprake is van gelijktijdige inkomsten uit ander werk. Wij hopen dat we dit samen op een nette en respectvolle manier kunnen afronden, in lijn met de openheid en het vertrouwen waarmee wij je destijds vrijstelling hebben verleend. 2.7. Op 6 november 2025 heeft [de verweerder in het verzoek] daar bij brief als volgt op gereageerd: Ik heb op 25 november mondeling gekozen voor de vrijstelling van werkzaamheden, zoals ook door [de verzoeker in het verzoek] schriftelijk is bevestigd. In deze bevestiging is tevens de eerdere bepaling opgenomen dat, indien ik vóór 31 december 2025 een andere baan zou vinden, partijen “in overleg” zouden treden over een eventuele eerdere beëindiging van het dienstverband. Deze formulering impliceert nadrukkelijk geen automatische of verplichte beëindiging van het contract. Tot op heden heb ik niet ingestemd met een eerdere beëindiging, noch is een afzonderlijke beëindigingsovereenkomst gesloten. Mijn arbeidsovereenkomst loopt derhalve onverkort door tot 31 december 2025, en ik heb recht op volledige doorbetaling van loon gedurende deze periode. De werkzaamheden die ik tijdelijk verricht bij het Liemers College zijn buiten de werkkring van [de verzoeker in het verzoek] en vormen geen concurrentie of belangenverstrengeling.
Volledig
Bovendien is er geen bepaling in mijn arbeidsovereenkomst die dergelijke nevenwerkzaamheden verbiedt. Het (gedeeltelijk) opschorten of verrekenen van mijn salaris is juridisch niet toegestaan, zolang het dienstverband voortduurt en er geen schriftelijke beëindigingsovereenkomst tot stand is gekomen. 3 Het verzoek en het verweer 3.1. [de verzoeker in het verzoek] verzoekt de kantonrechter om vast te stellen dat [de verweerder in het verzoek] heeft gehandeld in strijd met de arbeidsovereenkomst en het beginsel van goed werknemerschap en te bepalen dat [de verzoeker in het verzoek] gerechtigd is het loon vanaf 27 oktober 2025 geheel of gedeeltelijk op te schorten of te verrekenen, met veroordeling van [de verweerder in het verzoek] in de proceskosten. 3.2. Aan haar verzoeken heeft [de verzoeker in het verzoek] ten grondslag gelegd dat [de verweerder in het verzoek] zonder overleg elders betaald werk heeft verricht tijdens een periode van vrijstelling van werk met behoud van loon. Hierdoor heeft hij in strijd gehandeld met de gemaakte afspraken in de vaststellingsovereenkomst en het beginsel van goed werknemerschap. [de verzoeker in het verzoek] was daarom gerechtigd om het loon geheel of gedeeltelijk op te schorten in de zin van artikel 6:52 BW. 3.3. [de verweerder in het verzoek] voert verweer waarop hierna, voor zover van belang, nader zal worden ingegaan. 4 Het tegenverzoek en het verweer 4.1. [de verweerder in het verzoek] verzoekt in het tegenverzoek, [de verzoeker in het verzoek] te veroordelen tot betaling van: het achterstallig loon van november en december 2025 van € 3.590,32 bruto per maand; de eindejaarsuitkering van € 828,48; het vakantiegeld; 7 vakantiedagen; de wettelijke verhoging; de wettelijke rente; de transitievergoeding van € 2.392,00 bruto; de proceskosten. 4.2. [de verweerder in het verzoek] legt aan zijn tegenverzoeken – kort gezegd – ten grondslag dat [de verzoeker in het verzoek] ten onrechte zijn loon heeft ingehouden/opgeschort. 4.3. [de verzoeker in het verzoek] voert verweer waarop hierna, voor zover nodig, zal worden ingegaan. 5 De beoordeling 5.1. In deze zaak moet worden beoordeeld of [de verzoeker in het verzoek] gehouden is om aan [de verweerder in het verzoek] (onder meer) het loon over de maanden november en december 2025 te betalen. Uitgangspunt hierbij is dat gezien de aanzegging door [de verzoeker in het verzoek] de arbeidsovereenkomst tussen partijen zou eindigen op 31 december 2025. In beginsel is [de verzoeker in het verzoek] dan ook het loon verschuldigd tot die datum. In een stuk dat door [de verzoeker in het verzoek] is aangeduid als vaststellingsovereenkomst heeft [de verzoeker in het verzoek] vervolgens geprobeerd om wederzijdse rechten en verplichtingen vast te leggen en [de verweerder in het verzoek] heeft dit voor akkoord ondertekend. Geen van partijen werd hierbij bijgestaan door een gemachtigde. 5.2. Uit de letterlijke tekst van het stuk van 25 september 2025 volgt dat [de verweerder in het verzoek] is vrijgesteld van werk en voor het geval [de verweerder in het verzoek] vóór 31 december 2025 een andere baan vindt, is de wens van [de verzoeker in het verzoek] vastgelegd om de arbeidsovereenkomst eerder in overleg met [de verweerder in het verzoek] te beëindigen. [de verzoeker in het verzoek] heeft ter toelichting naar voren gebracht dat het vrijstellen van werkzaamheden met behoud van loon bedoeld was om [de verweerder in het verzoek] in de gelegenheid te stellen om rustig en zonder financiële druk op zoek te gaan naar ander werk en dat dit ook op die manier met [de verweerder in het verzoek] is besproken. [de verweerder in het verzoek] heeft dit niet gemotiveerd bestreden. 5.3. Tegen die achtergrond is het aannemelijk – en moet het voor [de verweerder in het verzoek] ook kenbaar zijn geweest – dat het de bedoeling van [de verzoeker in het verzoek] was om [de verweerder in het verzoek] vrij te stellen van werk, maar ook dat, indien [de verweerder in het verzoek] vóór 31 december 2025 ander werk zou hebben gevonden, partijen over de (mogelijke) gevolgen daarvan met elkaar in overleg zouden te treden. [de verzoeker in het verzoek] kan dan ook in zoverre in haar standpunt worden gevolgd, dat van [de verweerder in het verzoek] verwacht mocht worden dat hij melding zou maken van zijn nieuwe (tijdelijke) dienstverband en dat hij open zou staan voor verder overleg. 5.4. Tegelijkertijd moet worden vastgesteld dat in het stuk van 25 september 2025 aan de vrijstelling van werk geen verbod is gekoppeld om elders betaalde werkzaamheden te verrichten en dat evenmin is bepaald dát de arbeidsovereenkomst bij indiensttreding bij een andere werkgever per die datum eindigt. Er is slechts de wens van [de verzoeker in het verzoek] vastgelegd om daarover in overleg te treden en dat betekent geenszins dat de uitkomst van een dergelijk overleg ook is dat de arbeidsovereenkomst per de datum van indiensttreding bij een nieuwe werkgever, althans eerder dan 31 december 2025 wordt beëindigd. Dat is des te minder aannemelijk in onderhavig geval, waarbij [de verweerder in het verzoek] slechts in deeltijd en op tijdelijke basis bij een nieuwe werkgever in dienst is gegaan. Ook uit de brief van [de verzoeker in het verzoek] van 4 november 2025 blijkt dat overleg niet louter zou hebben hoeven gaan over beëindiging van het dienstverband (zie r.o. 2.6.). Uit die brief blijkt dat de kennelijke bedoeling van [de verzoeker in het verzoek] is geweest om in overleg te bezien welke redelijke (financiële) gevolgen verbonden zouden worden aan een indiensttreding elders. De vaststelling is vervolgens dat in het stuk van 25 september 2025 (ook) niet eenduidig is vastgelegd dat en welke financiële gevolgen aan een indiensttreding elders zouden zijn verbonden. Gesteld noch gebleken is verder dat hierover voorafgaand aan het tekenen van het stuk tussen partijen is gesproken. Naar het oordeel van de kantonrechter lag het op de weg van [de verzoeker in het verzoek] als werkgever om – desgewenst – aan [de verweerder in het verzoek] vooraf duidelijk te maken dat zij de vrijstelling van werk wenste te clausuleren en in dat kader duidelijke afspraken te maken over de (mogelijke) gevolgen van een eerdere indiensttreding bij een andere werkgever. Dat is niet gebeurd en dat dient voor risico van [de verzoeker in het verzoek] te komen. 5.5. Gelet op het voorgaande is er geen grond om aan te nemen dat de arbeidsovereenkomst van [de verweerder in het verzoek] eerder dan op 31 december 2025 is beëindigd. Dat betekent dat de loonbetalingsverplichting voor [de verzoeker in het verzoek] onverkort in stand is gebleven. 5.6. Het verzoek van [de verzoeker in het verzoek] om vast te stellen dat [de verweerder in het verzoek] in strijd heeft gehandeld met de arbeidsovereenkomst (de kantonrechter begrijpt dat [de verzoeker in het verzoek] heeft bedoeld: vaststellingsovereenkomst) of goed werknemerschap wordt mede gelet op het voorgaande afgewezen. Het verzoek moet in samenhang worden bezien met het verzoek om te bepalen dat [de verzoeker in het verzoek] gerechtigd is om het loon geheel of gedeeltelijk op te schorten en (ook) dat verzoek moet worden afgewezen. Nog daargelaten dat het bij opschorting slechts gaat om uitstel van de verplichting (in dit geval: om loon te betalen) en niet om afstel (en [de verzoeker in het verzoek] lijkt met haar beroep op opschorting een volledige bevrijding van haar verbintenis te beogen), was er voor [de verzoeker in het verzoek] immers geen grond om het loon op te schorten. 5.7. Omdat de loonbetalingsplicht van [de verzoeker in het verzoek] tot en met 31 december 2025 doorliep, wordt het tegenverzoek van [de verweerder in het verzoek] tot betaling van het loon over november en december 2025 toegewezen. Hetzelfde geldt voor het vakantiegeld, de vakantiedagen en de eindejaarsuitkering. De wettelijke rente hierover wordt als onweersproken toegewezen. 5.8. In de discussie tussen partijen en hetgeen daarover hiervoor is overwogen ziet de kantonrechter aanleiding om de wettelijke verhoging van artikel 7:625 BW te matigen tot 10%. De wettelijke rente hierover wordt eveneens als onweersproken toegewezen. 5.9.
Volledig
Bovendien is er geen bepaling in mijn arbeidsovereenkomst die dergelijke nevenwerkzaamheden verbiedt. Het (gedeeltelijk) opschorten of verrekenen van mijn salaris is juridisch niet toegestaan, zolang het dienstverband voortduurt en er geen schriftelijke beëindigingsovereenkomst tot stand is gekomen. 3 Het verzoek en het verweer 3.1. [de verzoeker in het verzoek] verzoekt de kantonrechter om vast te stellen dat [de verweerder in het verzoek] heeft gehandeld in strijd met de arbeidsovereenkomst en het beginsel van goed werknemerschap en te bepalen dat [de verzoeker in het verzoek] gerechtigd is het loon vanaf 27 oktober 2025 geheel of gedeeltelijk op te schorten of te verrekenen, met veroordeling van [de verweerder in het verzoek] in de proceskosten. 3.2. Aan haar verzoeken heeft [de verzoeker in het verzoek] ten grondslag gelegd dat [de verweerder in het verzoek] zonder overleg elders betaald werk heeft verricht tijdens een periode van vrijstelling van werk met behoud van loon. Hierdoor heeft hij in strijd gehandeld met de gemaakte afspraken in de vaststellingsovereenkomst en het beginsel van goed werknemerschap. [de verzoeker in het verzoek] was daarom gerechtigd om het loon geheel of gedeeltelijk op te schorten in de zin van artikel 6:52 BW. 3.3. [de verweerder in het verzoek] voert verweer waarop hierna, voor zover van belang, nader zal worden ingegaan. 4 Het tegenverzoek en het verweer 4.1. [de verweerder in het verzoek] verzoekt in het tegenverzoek, [de verzoeker in het verzoek] te veroordelen tot betaling van: het achterstallig loon van november en december 2025 van € 3.590,32 bruto per maand; de eindejaarsuitkering van € 828,48; het vakantiegeld; 7 vakantiedagen; de wettelijke verhoging; de wettelijke rente; de transitievergoeding van € 2.392,00 bruto; de proceskosten. 4.2. [de verweerder in het verzoek] legt aan zijn tegenverzoeken – kort gezegd – ten grondslag dat [de verzoeker in het verzoek] ten onrechte zijn loon heeft ingehouden/opgeschort. 4.3. [de verzoeker in het verzoek] voert verweer waarop hierna, voor zover nodig, zal worden ingegaan. 5 De beoordeling 5.1. In deze zaak moet worden beoordeeld of [de verzoeker in het verzoek] gehouden is om aan [de verweerder in het verzoek] (onder meer) het loon over de maanden november en december 2025 te betalen. Uitgangspunt hierbij is dat gezien de aanzegging door [de verzoeker in het verzoek] de arbeidsovereenkomst tussen partijen zou eindigen op 31 december 2025. In beginsel is [de verzoeker in het verzoek] dan ook het loon verschuldigd tot die datum. In een stuk dat door [de verzoeker in het verzoek] is aangeduid als vaststellingsovereenkomst heeft [de verzoeker in het verzoek] vervolgens geprobeerd om wederzijdse rechten en verplichtingen vast te leggen en [de verweerder in het verzoek] heeft dit voor akkoord ondertekend. Geen van partijen werd hierbij bijgestaan door een gemachtigde. 5.2. Uit de letterlijke tekst van het stuk van 25 september 2025 volgt dat [de verweerder in het verzoek] is vrijgesteld van werk en voor het geval [de verweerder in het verzoek] vóór 31 december 2025 een andere baan vindt, is de wens van [de verzoeker in het verzoek] vastgelegd om de arbeidsovereenkomst eerder in overleg met [de verweerder in het verzoek] te beëindigen. [de verzoeker in het verzoek] heeft ter toelichting naar voren gebracht dat het vrijstellen van werkzaamheden met behoud van loon bedoeld was om [de verweerder in het verzoek] in de gelegenheid te stellen om rustig en zonder financiële druk op zoek te gaan naar ander werk en dat dit ook op die manier met [de verweerder in het verzoek] is besproken. [de verweerder in het verzoek] heeft dit niet gemotiveerd bestreden. 5.3. Tegen die achtergrond is het aannemelijk – en moet het voor [de verweerder in het verzoek] ook kenbaar zijn geweest – dat het de bedoeling van [de verzoeker in het verzoek] was om [de verweerder in het verzoek] vrij te stellen van werk, maar ook dat, indien [de verweerder in het verzoek] vóór 31 december 2025 ander werk zou hebben gevonden, partijen over de (mogelijke) gevolgen daarvan met elkaar in overleg zouden te treden. [de verzoeker in het verzoek] kan dan ook in zoverre in haar standpunt worden gevolgd, dat van [de verweerder in het verzoek] verwacht mocht worden dat hij melding zou maken van zijn nieuwe (tijdelijke) dienstverband en dat hij open zou staan voor verder overleg. 5.4. Tegelijkertijd moet worden vastgesteld dat in het stuk van 25 september 2025 aan de vrijstelling van werk geen verbod is gekoppeld om elders betaalde werkzaamheden te verrichten en dat evenmin is bepaald dát de arbeidsovereenkomst bij indiensttreding bij een andere werkgever per die datum eindigt. Er is slechts de wens van [de verzoeker in het verzoek] vastgelegd om daarover in overleg te treden en dat betekent geenszins dat de uitkomst van een dergelijk overleg ook is dat de arbeidsovereenkomst per de datum van indiensttreding bij een nieuwe werkgever, althans eerder dan 31 december 2025 wordt beëindigd. Dat is des te minder aannemelijk in onderhavig geval, waarbij [de verweerder in het verzoek] slechts in deeltijd en op tijdelijke basis bij een nieuwe werkgever in dienst is gegaan. Ook uit de brief van [de verzoeker in het verzoek] van 4 november 2025 blijkt dat overleg niet louter zou hebben hoeven gaan over beëindiging van het dienstverband (zie r.o. 2.6.). Uit die brief blijkt dat de kennelijke bedoeling van [de verzoeker in het verzoek] is geweest om in overleg te bezien welke redelijke (financiële) gevolgen verbonden zouden worden aan een indiensttreding elders. De vaststelling is vervolgens dat in het stuk van 25 september 2025 (ook) niet eenduidig is vastgelegd dat en welke financiële gevolgen aan een indiensttreding elders zouden zijn verbonden. Gesteld noch gebleken is verder dat hierover voorafgaand aan het tekenen van het stuk tussen partijen is gesproken. Naar het oordeel van de kantonrechter lag het op de weg van [de verzoeker in het verzoek] als werkgever om – desgewenst – aan [de verweerder in het verzoek] vooraf duidelijk te maken dat zij de vrijstelling van werk wenste te clausuleren en in dat kader duidelijke afspraken te maken over de (mogelijke) gevolgen van een eerdere indiensttreding bij een andere werkgever. Dat is niet gebeurd en dat dient voor risico van [de verzoeker in het verzoek] te komen. 5.5. Gelet op het voorgaande is er geen grond om aan te nemen dat de arbeidsovereenkomst van [de verweerder in het verzoek] eerder dan op 31 december 2025 is beëindigd. Dat betekent dat de loonbetalingsverplichting voor [de verzoeker in het verzoek] onverkort in stand is gebleven. 5.6. Het verzoek van [de verzoeker in het verzoek] om vast te stellen dat [de verweerder in het verzoek] in strijd heeft gehandeld met de arbeidsovereenkomst (de kantonrechter begrijpt dat [de verzoeker in het verzoek] heeft bedoeld: vaststellingsovereenkomst) of goed werknemerschap wordt mede gelet op het voorgaande afgewezen. Het verzoek moet in samenhang worden bezien met het verzoek om te bepalen dat [de verzoeker in het verzoek] gerechtigd is om het loon geheel of gedeeltelijk op te schorten en (ook) dat verzoek moet worden afgewezen. Nog daargelaten dat het bij opschorting slechts gaat om uitstel van de verplichting (in dit geval: om loon te betalen) en niet om afstel (en [de verzoeker in het verzoek] lijkt met haar beroep op opschorting een volledige bevrijding van haar verbintenis te beogen), was er voor [de verzoeker in het verzoek] immers geen grond om het loon op te schorten. 5.7. Omdat de loonbetalingsplicht van [de verzoeker in het verzoek] tot en met 31 december 2025 doorliep, wordt het tegenverzoek van [de verweerder in het verzoek] tot betaling van het loon over november en december 2025 toegewezen. Hetzelfde geldt voor het vakantiegeld, de vakantiedagen en de eindejaarsuitkering. De wettelijke rente hierover wordt als onweersproken toegewezen. 5.8. In de discussie tussen partijen en hetgeen daarover hiervoor is overwogen ziet de kantonrechter aanleiding om de wettelijke verhoging van artikel 7:625 BW te matigen tot 10%. De wettelijke rente hierover wordt eveneens als onweersproken toegewezen. 5.9.