Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2026-04-15
ECLI:NL:RBGEL:2026:2758
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
11,955 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:2758 text/xml public 2026-04-29T16:34:58 2026-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-04-15 C/05/449606 / HA ZA 25-133 Uitspraak Bodemzaak NL Arnhem Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2758 text/html public 2026-04-29T10:10:16 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:2758 Rechtbank Gelderland , 15-04-2026 / C/05/449606 / HA ZA 25-133 Ontstaan erfdienstbaarheid door verjaring, eigendomsverkrijging door verjaring RECHTBANK Gelderland Civiel recht Zittingsplaats Arnhem Zaaknummer: C/05/449606 / HA ZA 25-133 Vonnis van 15 april 2026 in de zaak van 1 [naam eiser in conventie / verweerder in reconventie 1] , te [woonplaats] , gemeente [woongemeente] , 2. [naam eiser in conventie / verweerder in reconventie 2] , te [woonplaats] , gemeente [woongemeente] , eisende partijen in conventie, verwerende partijen in reconventie, hierna samen te noemen: [de eiser in conventie] , advocaat: mr. M.J. Willemsen, tegen 1 [naam gedaagd bedrijf in conventie / eisend reconventie] , te [vestigingsplaats] , gemeente [vestigingsgemeente] , 2. [naam gedaagde 1] , te [woonplaats] , gemeente [woongemeente] , 3. [naam gedaagde 2] , te [woonplaats] , gemeente [woongemeente] , 4. [naam gedaagde 3] , te [woonplaats] , gemeente [woongemeente] , gedaagde partijen in conventie, eisende partijen in reconventie, hierna samen te noemen: [de gedaagde] , advocaat: mr. W.J.M. van Ophuizen. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 24 september 2025 - het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 19 januari 2026. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. Partijen zijn eigenaren van naast elkaar gelegen percelen. [de eiser in conventie] is sinds april 2009 eigenaar van de percelen kadastraal bekend [kadasterkenmerk] , nummers [kadasternummer 1] en [kadasternummer 2] . [de gedaagde] is sinds september 2022 eigenaar van het perceel kadastraal bekend [kadasterkenmerk] , nummer [kadasternummer 3] . Het (begin van het) perceel van [de gedaagde] is gelegen tussen de twee percelen van [de eiser in conventie] De situatie ter plaatse is als volgt: [ Perceeltekening verwijderd ter anonimisatie. ] 2.2. Op perceel [kadasternummer 1] staat het woonhuis van [de eiser in conventie] en op perceel [kadasternummer 2] staat een garage. De percelen van [de eiser in conventie] zijn met elkaar verbonden door een tegelpad dat loopt over perceel [kadasternummer 3] . Ter hoogte van dit pad zijn de aan weerszijden van perceel [kadasternummer 3] aanwezige heggen onderbroken. De situatie ter plaatse ziet er – gezien vanaf de openbare weg – als volgt uit: [ Foto van woonerf verwijderd ter anonimisatie. ] 2.3. In de grond van perceel [kadasternummer 3] zijn op circa 60 centimeter diepte – onder voornoemd tegelpad – kabels en leidingen gelegd van perceel [kadasternummer 1] naar perceel [kadasternummer 2] om de garage van elektriciteit en water te voorzien. In 2019 zijn daar extra (elektriciteits)kabels bij gelegd in verband met op het dak van de garage geplaatste zonnepanelen. 2.4. In april 2024 heeft een grensreconstructie plaatsgevonden door het kadaster. Daaruit is gebleken dat de ligusterhaag aan de zijde van perceel [kadasternummer 2] geheel op perceel [kadasternummer 3] is geplaatst. De kadastrale grens tussen perceel [kadasternummer 2] en [kadasternummer 3] bevindt zich (vanaf perceel [kadasternummer 3] bekeken) achter deze haag, aan de zijde van de garage. [eiser 1] heeft tegen de garage op perceel [kadasternummer 2] een pergola geplaatst. De staanders hiervan staan midden in de heg. Op onderstaande foto’s zijn de huidige situatie en de door het kadaster uitgemeten kadastrale grens te zien. (voorzijde) (achterzijde) 3 Het geschil in conventie 3.1. [de eiser in conventie] vordert – samengevat – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. te verklaren voor recht dat ten behoeve van de percelen [kadasternummer 1] en [kadasternummer 2] en ten laste van perceel [kadasternummer 3] een erfdienstbaarheid van overpad is ontstaan om te voet en eventueel met een fiets of kruiwagen aan de hand over het tegelpad te komen en te gaan van en naar de garage en van en naar het woonhuis van [de eiser in conventie] via de daarvoor ter hoogte van het tegelpad aanwezige openingen in de aanwezige heggen, II. [de gedaagde] hoofdelijk te verbieden om te onder I ontstane erfdienstbaarheid van overpad te blokkeren door de openingen in de heggen en het tegelpad te blokkeren of te vernielen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag of dagdeel dat [de gedaagde] daarmee in gebreke zijn met een maximum van € 10.000,00, III. te verklaren voor recht dat ten behoeve van de percelen [kadasternummer 1] en [kadasternummer 2] en ten laste van perceel [kadasternummer 3] een erfdienstbaarheid is ontstaan tot het hebben van bekabeling en waterleiding onder het tegelpad op perceel [kadasternummer 3] , IV. te verklaren voor recht dat [de eiser in conventie] een strook grond gelegen op perceel [kadasternummer 2] lopende vanaf de kadastrale grens tot en met het midden van de aldaar aanwezige haag in eigendom heeft verkregen door verjaring, V. [de gedaagde] hoofdelijk te veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis mee te werken aan de notariële inschrijving van de erfdienstbaarheid onder I en III en de verjaringsgrens onder IV, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag of dagdeel dat [de gedaagde] daarmee in gebreke zijn met een maximum van € 10.000,00, VI. [de gedaagde] hoofdelijk te veroordelen om de haag primair aan de zijde van perceel [kadasternummer 3] en subsidiair de gehele haag regelmatig te snoeien, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag of dagdeel dat [de gedaagde] daarmee in gebreke zijn met een maximum van € 10.000,00, VII. [de gedaagde] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na het vonnis, en de nakosten van € 157,00 dan wel, in geval van betekening, € 239,00. 3.2. [de gedaagde] voert verweer. [de gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [de eiser in conventie] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [de eiser in conventie] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de eiser in conventie] in de kosten van deze procedure. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. in reconventie 3.4. [de gedaagde] vordert – samengevat – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. te verklaren voor recht dat [de eiser in conventie] zonder rechtsgrond een pergola deels op perceel [kadasternummer 3] heeft geplaatst, II. te bepalen dat [de eiser in conventie] binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de onder I genoemde pergola dient te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van een hoofdelijk te verbeuren dwangsom van € 250,00 per dag of dagdeel dat [de eiser in conventie] hiermee in gebreke is met een maximum van € 15.000,00, III. te bepalen dat [de eiser in conventie] binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de in de grond van perceel [kadasternummer 3] aangebrachte bekabeling dient te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van een hoofdelijk te verbeuren dwangsom van € 250,00 per dag of dagdeel dat [de eiser in conventie] hiermee in gebreke is met een maximum van € 15.000,00, IV. [de eiser in conventie] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na dit vonnis. 3.5. [de eiser in conventie] voert verweer. [de eiser in conventie] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [de gedaagde] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [de gedaagde] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de gedaagde] in de kosten van deze procedure. 3.6. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling in conventie en in reconventie 4.1. Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze gezamenlijk worden beoordeeld.
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:2758 text/xml public 2026-04-29T16:34:58 2026-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-04-15 C/05/449606 / HA ZA 25-133 Uitspraak Bodemzaak NL Arnhem Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2758 text/html public 2026-04-29T10:10:16 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:2758 Rechtbank Gelderland , 15-04-2026 / C/05/449606 / HA ZA 25-133 Ontstaan erfdienstbaarheid door verjaring, eigendomsverkrijging door verjaring RECHTBANK Gelderland Civiel recht Zittingsplaats Arnhem Zaaknummer: C/05/449606 / HA ZA 25-133 Vonnis van 15 april 2026 in de zaak van 1 [naam eiser in conventie / verweerder in reconventie 1] , te [woonplaats] , gemeente [woongemeente] , 2. [naam eiser in conventie / verweerder in reconventie 2] , te [woonplaats] , gemeente [woongemeente] , eisende partijen in conventie, verwerende partijen in reconventie, hierna samen te noemen: [de eiser in conventie] , advocaat: mr. M.J. Willemsen, tegen 1 [naam gedaagd bedrijf in conventie / eisend reconventie] , te [vestigingsplaats] , gemeente [vestigingsgemeente] , 2. [naam gedaagde 1] , te [woonplaats] , gemeente [woongemeente] , 3. [naam gedaagde 2] , te [woonplaats] , gemeente [woongemeente] , 4. [naam gedaagde 3] , te [woonplaats] , gemeente [woongemeente] , gedaagde partijen in conventie, eisende partijen in reconventie, hierna samen te noemen: [de gedaagde] , advocaat: mr. W.J.M. van Ophuizen. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 24 september 2025 - het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 19 januari 2026. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. Partijen zijn eigenaren van naast elkaar gelegen percelen. [de eiser in conventie] is sinds april 2009 eigenaar van de percelen kadastraal bekend [kadasterkenmerk] , nummers [kadasternummer 1] en [kadasternummer 2] . [de gedaagde] is sinds september 2022 eigenaar van het perceel kadastraal bekend [kadasterkenmerk] , nummer [kadasternummer 3] . Het (begin van het) perceel van [de gedaagde] is gelegen tussen de twee percelen van [de eiser in conventie] De situatie ter plaatse is als volgt: [ Perceeltekening verwijderd ter anonimisatie. ] 2.2. Op perceel [kadasternummer 1] staat het woonhuis van [de eiser in conventie] en op perceel [kadasternummer 2] staat een garage. De percelen van [de eiser in conventie] zijn met elkaar verbonden door een tegelpad dat loopt over perceel [kadasternummer 3] . Ter hoogte van dit pad zijn de aan weerszijden van perceel [kadasternummer 3] aanwezige heggen onderbroken. De situatie ter plaatse ziet er – gezien vanaf de openbare weg – als volgt uit: [ Foto van woonerf verwijderd ter anonimisatie. ] 2.3. In de grond van perceel [kadasternummer 3] zijn op circa 60 centimeter diepte – onder voornoemd tegelpad – kabels en leidingen gelegd van perceel [kadasternummer 1] naar perceel [kadasternummer 2] om de garage van elektriciteit en water te voorzien. In 2019 zijn daar extra (elektriciteits)kabels bij gelegd in verband met op het dak van de garage geplaatste zonnepanelen. 2.4. In april 2024 heeft een grensreconstructie plaatsgevonden door het kadaster. Daaruit is gebleken dat de ligusterhaag aan de zijde van perceel [kadasternummer 2] geheel op perceel [kadasternummer 3] is geplaatst. De kadastrale grens tussen perceel [kadasternummer 2] en [kadasternummer 3] bevindt zich (vanaf perceel [kadasternummer 3] bekeken) achter deze haag, aan de zijde van de garage. [eiser 1] heeft tegen de garage op perceel [kadasternummer 2] een pergola geplaatst. De staanders hiervan staan midden in de heg. Op onderstaande foto’s zijn de huidige situatie en de door het kadaster uitgemeten kadastrale grens te zien. (voorzijde) (achterzijde) 3 Het geschil in conventie 3.1. [de eiser in conventie] vordert – samengevat – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. te verklaren voor recht dat ten behoeve van de percelen [kadasternummer 1] en [kadasternummer 2] en ten laste van perceel [kadasternummer 3] een erfdienstbaarheid van overpad is ontstaan om te voet en eventueel met een fiets of kruiwagen aan de hand over het tegelpad te komen en te gaan van en naar de garage en van en naar het woonhuis van [de eiser in conventie] via de daarvoor ter hoogte van het tegelpad aanwezige openingen in de aanwezige heggen, II. [de gedaagde] hoofdelijk te verbieden om te onder I ontstane erfdienstbaarheid van overpad te blokkeren door de openingen in de heggen en het tegelpad te blokkeren of te vernielen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag of dagdeel dat [de gedaagde] daarmee in gebreke zijn met een maximum van € 10.000,00, III. te verklaren voor recht dat ten behoeve van de percelen [kadasternummer 1] en [kadasternummer 2] en ten laste van perceel [kadasternummer 3] een erfdienstbaarheid is ontstaan tot het hebben van bekabeling en waterleiding onder het tegelpad op perceel [kadasternummer 3] , IV. te verklaren voor recht dat [de eiser in conventie] een strook grond gelegen op perceel [kadasternummer 2] lopende vanaf de kadastrale grens tot en met het midden van de aldaar aanwezige haag in eigendom heeft verkregen door verjaring, V. [de gedaagde] hoofdelijk te veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis mee te werken aan de notariële inschrijving van de erfdienstbaarheid onder I en III en de verjaringsgrens onder IV, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag of dagdeel dat [de gedaagde] daarmee in gebreke zijn met een maximum van € 10.000,00, VI. [de gedaagde] hoofdelijk te veroordelen om de haag primair aan de zijde van perceel [kadasternummer 3] en subsidiair de gehele haag regelmatig te snoeien, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag of dagdeel dat [de gedaagde] daarmee in gebreke zijn met een maximum van € 10.000,00, VII. [de gedaagde] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na het vonnis, en de nakosten van € 157,00 dan wel, in geval van betekening, € 239,00. 3.2. [de gedaagde] voert verweer. [de gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [de eiser in conventie] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [de eiser in conventie] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de eiser in conventie] in de kosten van deze procedure. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. in reconventie 3.4. [de gedaagde] vordert – samengevat – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. te verklaren voor recht dat [de eiser in conventie] zonder rechtsgrond een pergola deels op perceel [kadasternummer 3] heeft geplaatst, II. te bepalen dat [de eiser in conventie] binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de onder I genoemde pergola dient te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van een hoofdelijk te verbeuren dwangsom van € 250,00 per dag of dagdeel dat [de eiser in conventie] hiermee in gebreke is met een maximum van € 15.000,00, III. te bepalen dat [de eiser in conventie] binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de in de grond van perceel [kadasternummer 3] aangebrachte bekabeling dient te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van een hoofdelijk te verbeuren dwangsom van € 250,00 per dag of dagdeel dat [de eiser in conventie] hiermee in gebreke is met een maximum van € 15.000,00, IV. [de eiser in conventie] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na dit vonnis. 3.5. [de eiser in conventie] voert verweer. [de eiser in conventie] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [de gedaagde] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [de gedaagde] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de gedaagde] in de kosten van deze procedure. 3.6. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling in conventie en in reconventie 4.1. Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze gezamenlijk worden beoordeeld.
Volledig
Erfdienstbaarheden door verjaring 4.2. Partijen verschillen van mening over de vraag of door verjaring verschillende erfdienstbaarheden zijn ontstaan. Voor het ontstaan van een erfdienstbaarheid door bevrijdende verjaring is vereist dat sprake is van bezit van de erfdienstbaarheid gedurende twintig jaar (artikel 3:105 in samenhang met artikel 3:306 van het Burgerlijk Wetboek (BW)). Bezit is het houden van een goed voor zichzelf (artikel 3:107 lid 1 BW). 4.3. Of iemand bezitter is van een erfdienstbaarheid wordt beoordeeld naar verkeersopvattingen, met inachtneming van de wettelijke regels inzake bezit en op grond van uiterlijke feiten. Er geldt dus een objectieve maatstaf. De rol van de verkeersopvatting brengt mee dat de aard en de bestemming van het betrokken goed in aanmerking moeten worden genomen. Het bezit moet bovendien ondubbelzinnig en openbaar zijn. Bezit is ondubbelzinnig wanneer de bezitter zich zodanig gedraagt dat de eigenaar tegen wie de verjaring loopt daaruit niet anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert een erfdienstbaarheid te hebben. Openbaarheid houdt in dat het bezit niet verborgen mag zijn. De rechthebbende moet ervan op de hoogte kunnen raken zodat hij in staat is de nodige maatregelen tot verhindering van de verjaring te nemen. Het tegelpad 4.4. [de eiser in conventie] stelt dat door bevrijdende verjaring een recht van erfdienstbaarheid is ontstaan betreffende het (tegel)pad op perceel [kadasternummer 3] dat percelen [kadasternummer 2] en [kadasternummer 1] met elkaar verbindt. Volgens [de eiser in conventie] is in elk geval sinds 1999 sprake van bezit van een erfdienstbaarheid. Hij voert ter onderbouwing hiervan aan dat zijn rechtsvoorganger(s) – mevrouw [rechtsvoorganger 1] en de heer [rechtsvoorganger 2] – sindsdien eigenaren waren van respectievelijk perceel [kadasternummer 1] en [kadasternummer 2] . Vanaf dat moment zijn volgens [de eiser in conventie] het tegelpad en de opening in de heg aanwezig en werd dit door [rechtsvoorganger 1] en [rechtsvoorganger 2] gebruikt om te lopen tussen hun percelen. [de gedaagde] betwist dat het tegelpad sinds 1999 aanwezig is. 4.5. Zelfs indien zou komen vast te staan dat het tegelpad sinds 1999 aanwezig is en dagelijks werd gebruikt, dan leidt dit nog niet tot de conclusie dat sindsdien sprake is van bezit van een recht van erfdienstbaarheid. Tijdens de mondelinge behandeling is door [de eiser in conventie] namelijk verklaard dat zijn rechtsvoorganger (mevrouw [rechtsvoorganger 1] ) ten tijde van de verkoop aan hem in 2009 over het pad heeft aangegeven dat zij hier altijd overheen liep en dat dit werd gedoogd door de toenmalige eigenaar van perceel [kadasternummer 3] . Of het gebruik van het pad daadwerkelijk werd gedoogd door de rechtsvoorganger(s) van [de gedaagde] is niet relevant. Uit het voorgaande volgt immers dat mevrouw [rechtsvoorganger 1] zich tot het gebruik van het pad niet bevoegd heeft beschouwd krachtens een recht van erfdienstbaarheid. Zij is daarom nooit bezitter van een recht van erfdienstbaarheid geworden. Aangezien [de eiser in conventie] het gebruik van het pad op dezelfde wijze heeft voortgezet als mevrouw [rechtsvoorganger 1] , is ook hij geen bezitter geworden. Gelet op het voorgaande is dus geen erfdienstbaarheid ontstaan door verjaring. De daarop betrekking hebbende vorderingen (in conventie, onder I, II en V) van [de eiser in conventie] zullen daarom worden afgewezen. De kabels en leidingen 4.6. Ook ten aanzien van de kabels en leidingen die onder het tegelpad door de grond van perceel [kadasternummer 3] lopen, is geen recht van erfdienstbaarheid ontstaan door verjaring. Voor zover ten aanzien van deze kabels en leidingen al sprake zou zijn van bezitsdaden, is het bezit niet openbaar. De kabels en leidingen zijn immers niet zichtbaar en daarmee was het gestelde bezit in elk geval niet kenbaar voor de eigenaar. [de eiser in conventie] heeft niet gesteld dat de rechtsvoorganger(s) van [de gedaagde] op de hoogte waren van de aanwezigheid van kabels en leidingen in hun perceel. [de eiser in conventie] heeft hierover tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat hij niet weet hoe de aanleg van de kabels en leidingen in het verleden is gegaan. Gelet op hetgeen is overwogen onder rechtsoverweging 4.3 is daarom ook hier niet voldaan aan de vereisten die worden gesteld aan bezit van een erfdienstbaarheid. De door [de eiser in conventie] gevorderde verklaring voor recht (vordering III in conventie) zal worden afgewezen. 4.7. [de gedaagde] vordert in reconventie verwijdering van de in de grond van perceel [kadasternummer 3] aangebrachte bekabeling. [de eiser in conventie] stelt echter – onder verwijzing naar artikel 5:21 lid 2 BW – dat [de gedaagde] geen belang heeft zich te verzetten tegen de in perceel [kadasternummer 3] aanwezige kabels en leidingen. Dit verweer slaagt. 4.8. Op grond van artikel 5:21 lid 1 BW is de eigenaar van grond ook bevoegd om de ruimte onder de oppervlakte te gebruiken. Op grond van lid 2 van dit artikel is het gebruik van de ruimte onder de oppervlakte aan anderen toegestaan, als dit gebruik zo diep onder de oppervlakte plaatsvindt dat de eigenaar van de grond geen belang heeft om zich daartegen te verzetten. 4.9. De kabels en leidingen liggen (ongeveer) 60 centimeter onder de grond, onder het op perceel [kadasternummer 3] aanwezige pad. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [de gedaagde] aangevoerd dat zij deze grond momenteel gebruikt om overheen te rijden met (landbouw)voertuigen en dat zij het gras daar maait. [de eiser in conventie] heeft gesteld dat dit gebruik van de grond door [de gedaagde] niet wordt belemmerd door de aanwezigheid van de kabels en leidingen in de grond. [de gedaagde] heeft dit niet betwist. Daarmee staat vast dat het huidige gebruik van perceel [kadasternummer 3] door [de gedaagde] niet wordt gehinderd door de kabels en leidingen in de grond. [de gedaagde] heeft aangevoerd dat zij in de toekomst – binnen drie jaar – voornemens is eigen stroomkabels aan te leggen in de grond van perceel [kadasternummer 3] ten behoeve van een nog te realiseren irrigatiesysteem. Zoals [de eiser in conventie] terecht heeft gesteld, valt niet in te zien dat het aanleggen van stroomkabels door [de gedaagde] niet mogelijk is vanwege de reeds in perceel [kadasternummer 3] aanwezige kabels en leidingen. [de gedaagde] heeft slechts aangevoerd dat zij denkt dat het een probleem zou kunnen zijn, zonder dit te motiveren. [de gedaagde] heeft, gelet op het voorgaande, onvoldoende gemotiveerd betwist dat zij geen – op dit moment beschermenswaardig – belang heeft om zich tegen het gebruik van [de eiser in conventie] te verzetten. De vordering van [de gedaagde] tot verwijdering van de in de grond van perceel [kadasternummer 3] aanwezige bekabeling zal daarom worden afgewezen. De erfgrens tussen percelen [kadasternummer 2] en [kadasternummer 3] 4.10. Vast staat dat de in het kadaster geregistreerde erfgrens tussen de percelen [kadasternummer 2] en [kadasternummer 3] niet overeenkomt met de ligusterhaag die de feitelijke afscheiding vormt. [de eiser in conventie] stelt dat hij door bevrijdende verjaring eigenaar is geworden van de strook grond aan de zijde van perceel [kadasternummer 2] tot het midden van de haag. [de gedaagde] betwist dit. 4.11. Ook voor eigendomsverkrijging door bevrijdende verjaring moet sprake zijn van bezit. Vast staat dat (de rechtsvoorgangers van) [de eiser in conventie] de strook grond niet overgedragen heeft gekregen. Bezit kan daarom alleen zijn verkregen door inbezitneming. Voor de beantwoording van de vraag of iemand een zaak in bezit heeft genomen, is bepalend of hij de feitelijke macht over die zaak is gaan uitoefenen (artikel 3:113 lid 1 BW). Indien de zaak in het bezit van een ander is, zijn enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen voor inbezitneming onvoldoende (artikel 3:113 lid 2 BW). De machtsuitoefening moet derhalve zodanig zijn dat deze naar verkeersopvatting het bezit van de oorspronkelijke bezitter teniet doet. Het antwoord op de vraag of iemand de voor het bezit vereiste macht uitoefent, wordt bepaald naar verkeersopvatting en overigens op grond van uiterlijke feiten. 4.12.
Volledig
Erfdienstbaarheden door verjaring 4.2. Partijen verschillen van mening over de vraag of door verjaring verschillende erfdienstbaarheden zijn ontstaan. Voor het ontstaan van een erfdienstbaarheid door bevrijdende verjaring is vereist dat sprake is van bezit van de erfdienstbaarheid gedurende twintig jaar (artikel 3:105 in samenhang met artikel 3:306 van het Burgerlijk Wetboek (BW)). Bezit is het houden van een goed voor zichzelf (artikel 3:107 lid 1 BW). 4.3. Of iemand bezitter is van een erfdienstbaarheid wordt beoordeeld naar verkeersopvattingen, met inachtneming van de wettelijke regels inzake bezit en op grond van uiterlijke feiten. Er geldt dus een objectieve maatstaf. De rol van de verkeersopvatting brengt mee dat de aard en de bestemming van het betrokken goed in aanmerking moeten worden genomen. Het bezit moet bovendien ondubbelzinnig en openbaar zijn. Bezit is ondubbelzinnig wanneer de bezitter zich zodanig gedraagt dat de eigenaar tegen wie de verjaring loopt daaruit niet anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert een erfdienstbaarheid te hebben. Openbaarheid houdt in dat het bezit niet verborgen mag zijn. De rechthebbende moet ervan op de hoogte kunnen raken zodat hij in staat is de nodige maatregelen tot verhindering van de verjaring te nemen. Het tegelpad 4.4. [de eiser in conventie] stelt dat door bevrijdende verjaring een recht van erfdienstbaarheid is ontstaan betreffende het (tegel)pad op perceel [kadasternummer 3] dat percelen [kadasternummer 2] en [kadasternummer 1] met elkaar verbindt. Volgens [de eiser in conventie] is in elk geval sinds 1999 sprake van bezit van een erfdienstbaarheid. Hij voert ter onderbouwing hiervan aan dat zijn rechtsvoorganger(s) – mevrouw [rechtsvoorganger 1] en de heer [rechtsvoorganger 2] – sindsdien eigenaren waren van respectievelijk perceel [kadasternummer 1] en [kadasternummer 2] . Vanaf dat moment zijn volgens [de eiser in conventie] het tegelpad en de opening in de heg aanwezig en werd dit door [rechtsvoorganger 1] en [rechtsvoorganger 2] gebruikt om te lopen tussen hun percelen. [de gedaagde] betwist dat het tegelpad sinds 1999 aanwezig is. 4.5. Zelfs indien zou komen vast te staan dat het tegelpad sinds 1999 aanwezig is en dagelijks werd gebruikt, dan leidt dit nog niet tot de conclusie dat sindsdien sprake is van bezit van een recht van erfdienstbaarheid. Tijdens de mondelinge behandeling is door [de eiser in conventie] namelijk verklaard dat zijn rechtsvoorganger (mevrouw [rechtsvoorganger 1] ) ten tijde van de verkoop aan hem in 2009 over het pad heeft aangegeven dat zij hier altijd overheen liep en dat dit werd gedoogd door de toenmalige eigenaar van perceel [kadasternummer 3] . Of het gebruik van het pad daadwerkelijk werd gedoogd door de rechtsvoorganger(s) van [de gedaagde] is niet relevant. Uit het voorgaande volgt immers dat mevrouw [rechtsvoorganger 1] zich tot het gebruik van het pad niet bevoegd heeft beschouwd krachtens een recht van erfdienstbaarheid. Zij is daarom nooit bezitter van een recht van erfdienstbaarheid geworden. Aangezien [de eiser in conventie] het gebruik van het pad op dezelfde wijze heeft voortgezet als mevrouw [rechtsvoorganger 1] , is ook hij geen bezitter geworden. Gelet op het voorgaande is dus geen erfdienstbaarheid ontstaan door verjaring. De daarop betrekking hebbende vorderingen (in conventie, onder I, II en V) van [de eiser in conventie] zullen daarom worden afgewezen. De kabels en leidingen 4.6. Ook ten aanzien van de kabels en leidingen die onder het tegelpad door de grond van perceel [kadasternummer 3] lopen, is geen recht van erfdienstbaarheid ontstaan door verjaring. Voor zover ten aanzien van deze kabels en leidingen al sprake zou zijn van bezitsdaden, is het bezit niet openbaar. De kabels en leidingen zijn immers niet zichtbaar en daarmee was het gestelde bezit in elk geval niet kenbaar voor de eigenaar. [de eiser in conventie] heeft niet gesteld dat de rechtsvoorganger(s) van [de gedaagde] op de hoogte waren van de aanwezigheid van kabels en leidingen in hun perceel. [de eiser in conventie] heeft hierover tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat hij niet weet hoe de aanleg van de kabels en leidingen in het verleden is gegaan. Gelet op hetgeen is overwogen onder rechtsoverweging 4.3 is daarom ook hier niet voldaan aan de vereisten die worden gesteld aan bezit van een erfdienstbaarheid. De door [de eiser in conventie] gevorderde verklaring voor recht (vordering III in conventie) zal worden afgewezen. 4.7. [de gedaagde] vordert in reconventie verwijdering van de in de grond van perceel [kadasternummer 3] aangebrachte bekabeling. [de eiser in conventie] stelt echter – onder verwijzing naar artikel 5:21 lid 2 BW – dat [de gedaagde] geen belang heeft zich te verzetten tegen de in perceel [kadasternummer 3] aanwezige kabels en leidingen. Dit verweer slaagt. 4.8. Op grond van artikel 5:21 lid 1 BW is de eigenaar van grond ook bevoegd om de ruimte onder de oppervlakte te gebruiken. Op grond van lid 2 van dit artikel is het gebruik van de ruimte onder de oppervlakte aan anderen toegestaan, als dit gebruik zo diep onder de oppervlakte plaatsvindt dat de eigenaar van de grond geen belang heeft om zich daartegen te verzetten. 4.9. De kabels en leidingen liggen (ongeveer) 60 centimeter onder de grond, onder het op perceel [kadasternummer 3] aanwezige pad. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [de gedaagde] aangevoerd dat zij deze grond momenteel gebruikt om overheen te rijden met (landbouw)voertuigen en dat zij het gras daar maait. [de eiser in conventie] heeft gesteld dat dit gebruik van de grond door [de gedaagde] niet wordt belemmerd door de aanwezigheid van de kabels en leidingen in de grond. [de gedaagde] heeft dit niet betwist. Daarmee staat vast dat het huidige gebruik van perceel [kadasternummer 3] door [de gedaagde] niet wordt gehinderd door de kabels en leidingen in de grond. [de gedaagde] heeft aangevoerd dat zij in de toekomst – binnen drie jaar – voornemens is eigen stroomkabels aan te leggen in de grond van perceel [kadasternummer 3] ten behoeve van een nog te realiseren irrigatiesysteem. Zoals [de eiser in conventie] terecht heeft gesteld, valt niet in te zien dat het aanleggen van stroomkabels door [de gedaagde] niet mogelijk is vanwege de reeds in perceel [kadasternummer 3] aanwezige kabels en leidingen. [de gedaagde] heeft slechts aangevoerd dat zij denkt dat het een probleem zou kunnen zijn, zonder dit te motiveren. [de gedaagde] heeft, gelet op het voorgaande, onvoldoende gemotiveerd betwist dat zij geen – op dit moment beschermenswaardig – belang heeft om zich tegen het gebruik van [de eiser in conventie] te verzetten. De vordering van [de gedaagde] tot verwijdering van de in de grond van perceel [kadasternummer 3] aanwezige bekabeling zal daarom worden afgewezen. De erfgrens tussen percelen [kadasternummer 2] en [kadasternummer 3] 4.10. Vast staat dat de in het kadaster geregistreerde erfgrens tussen de percelen [kadasternummer 2] en [kadasternummer 3] niet overeenkomt met de ligusterhaag die de feitelijke afscheiding vormt. [de eiser in conventie] stelt dat hij door bevrijdende verjaring eigenaar is geworden van de strook grond aan de zijde van perceel [kadasternummer 2] tot het midden van de haag. [de gedaagde] betwist dit. 4.11. Ook voor eigendomsverkrijging door bevrijdende verjaring moet sprake zijn van bezit. Vast staat dat (de rechtsvoorgangers van) [de eiser in conventie] de strook grond niet overgedragen heeft gekregen. Bezit kan daarom alleen zijn verkregen door inbezitneming. Voor de beantwoording van de vraag of iemand een zaak in bezit heeft genomen, is bepalend of hij de feitelijke macht over die zaak is gaan uitoefenen (artikel 3:113 lid 1 BW). Indien de zaak in het bezit van een ander is, zijn enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen voor inbezitneming onvoldoende (artikel 3:113 lid 2 BW). De machtsuitoefening moet derhalve zodanig zijn dat deze naar verkeersopvatting het bezit van de oorspronkelijke bezitter teniet doet. Het antwoord op de vraag of iemand de voor het bezit vereiste macht uitoefent, wordt bepaald naar verkeersopvatting en overigens op grond van uiterlijke feiten. 4.12.
Volledig
Op de diverse overgelegde foto’s (waaronder de foto’s die zijn opgenomen in de rechtsoverwegingen 2.2 en 2.5) is te zien dat de strook grond van perceel [kadasternummer 3] is afgescheiden door een haag. Deze haag is geplaatst tussen enkele betonnen palen die zich bevinden op perceel [kadasternummer 3] . Tijdens de zitting is besproken dat deze haag (ongeveer) 120 centimeter hoog is. De strook grond is hiermee (grotendeels) afgesloten van perceel [kadasternummer 3] . Deze haag sluit aan de voorzijde van perceel [kadasternummer 3] aan op een poort voor de inrit van perceel [kadasternummer 3] . De strook grond vormt door deze afscheiding optisch één geheel met perceel [kadasternummer 2] . Dit beeld wordt versterkt doordat op de strook grond – net als op de rest van perceel [kadasternummer 2] – grind aanwezig is. Verder staat vast – nu [de eiser in conventie] dit heeft gesteld en [de gedaagde] dit niet heeft betwist – dat [de gedaagde] en haar rechtsvoorgangers nooit op de strook grond kwamen. Ook het snoeien van de haag aan die zijde is altijd gedaan door [de eiser in conventie] en zijn rechtsvoorgangers. 4.13. Uit de hiervoor omschreven inrichting van de strook grond volgt dat [de eiser in conventie] de feitelijke macht uitoefent over de strook grond. De machtsuitoefening van [de eiser in conventie] doet het bezit van (de rechtsvoorgangers van) [de gedaagde] teniet. Dit alles maakt dat sprake is van inbezitneming van de strook grond. De rechtbank is voorts van oordeel dat de huidige situatie – met de haag, de poort en het grind – in ieder geval sinds 1999 bestaat. Uit een door [de eiser in conventie] overgelegde verklaring van mevrouw [rechtsvoorganger 1] blijkt dat de haag tussen percelen [kadasternummer 3] en [kadasternummer 2] reeds in 1999 (toen zij eigenaar werd) aanwezig was. Verder is op foto’s uit de verkoopbrochure van 1999 te zien dat de haag, de betonnen palen en de poort op dezelfde wijze aanwezig zijn als in de huidige situatie. Dit is niet voldoende betwist door [de gedaagde] Op grond van deze feiten concludeert de rechtbank dat de rechtsvoorgangers van [de eiser in conventie] de strook grond in ieder geval vanaf 1999 in bezit hebben genomen en dat de verjaringstermijn daarmee uiterlijk in december 1999 is aangevangen (de datum waarop [rechtsvoorganger 1] en [rechtsvoorganger 2] eigenaar werden van percelen [kadasternummer 1] en [kadasternummer 2] ). 4.14. [de gedaagde] voert aan dat algemeen bekend was dat de haag op perceel [kadasternummer 3] was geplant zonder dat daartoe enig recht was verleend. [de gedaagde] verwijst ter onderbouwing hiervan naar een passage in de akte van levering van perceel [kadasternummer 3] uit 2022, waarin staat dat koper ( [de gedaagde] ) ermee bekend is dat de bewoners van [adres] (perceel [kadasternummer 1] ) een haag op perceel [kadasternummer 3] hebben geplaatst. Hieruit volgt echter niet over welke haag dit gaat (tussen perceel [kadasternummer 3] en [kadasternummer 1] was in 2022 ook een haag aanwezig) en dat [de eiser in conventie] hiervan op de hoogte was. [de eiser in conventie] heeft weersproken dat zij wisten dat de haag tussen perceel [kadasternummer 2] en [kadasternummer 3] op perceel [kadasternummer 3] stond. Hij heeft aangevoerd dat hij tot de meting van het kadaster in 2024 in de veronderstelling was dat de haag de erfgrens tussen de percelen vormde. Gelet hierop heeft [de gedaagde] onvoldoende gemotiveerd betwist dat [de eiser in conventie] bezitter was. Gelet op het voorgaande is [de eiser in conventie] dan ook – na het verstrijken van de verjaringstermijn van 20 jaren – in december 2019 eigenaar geworden van de strook grond. De door [de eiser in conventie] gevorderde verklaring voor recht zal daarom worden toegewezen. 4.15. [de eiser in conventie] vordert veroordeling van [de gedaagde] tot medewerking aan inschrijving van de eigendom van de strook grond in de openbare registers van het kadaster, op straffe van verbeurte van een dwangsom. [de eiser in conventie] licht niet toe op grond waarvan het volgens hem nodig is dat [de gedaagde] medewerking verleent aan inschrijving. In dit vonnis zal de door [de eiser in conventie] gevorderde verklaring voor recht dat hij eigenaar is geworden van de strook grond worden toegewezen. Dit vonnis is daarmee aan te merken als een rechterlijke uitspraak die kan worden ingeschreven in de openbare registers (artikel 3:17 lid 1 sub e BW). [de eiser in conventie] kan dit vonnis dus zelf in de openbare registers laten inschrijven. Medewerking van [de gedaagde] is daarbij niet vereist. [de eiser in conventie] heeft daarom geen belang bij deze vordering. De vordering zal worden afgewezen. 4.16. Nu [de eiser in conventie] eigenaar is van de strook grond tot het midden van de haag, staat de door hem geplaatste pergola geheel op eigen grond. [de eiser in conventie] hoeft deze pergola daarom niet te verwijderen. De vorderingen van [de gedaagde] die hierop zien (in reconventie, onder I en II), zullen worden afgewezen. Snoeien 4.17. [de eiser in conventie] vordert dat [de gedaagde] wordt veroordeeld om de ligusterhaag aan de zijde van perceel [kadasternummer 3] te snoeien. Wat de grondslag van deze vordering is, stelt [de eiser in conventie] niet. Hij stelt slechts dat [de gedaagde] het hem niet toestaat de haag te snoeien en dat [de gedaagde] de haag niet snoeit. [de eiser in conventie] heeft echter niet (onderbouwd) gesteld dat sprake is van overhangende takken of dat hij anderszins (onrechtmatige) hinder ondervindt. Nu [de eiser in conventie] door verjaring eigenaar is geworden van de grond tot het midden van de haag, kan hij deze (aan de zijde van perceel [kadasternummer 2] ) zelf snoeien. [de gedaagde] heeft verder aangegeven erop toe te zien dat geen overhangende takken ontstaan. De vordering van [de eiser in conventie] zal gelet op het voorgaande worden afgewezen. De proceskosten 4.18. [de gedaagde] is in conventie en in reconventie (grotendeels) in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [de eiser in conventie] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 156,97 - griffierecht € 331,00 - salaris advocaat € 1.959,00 (3 punten × € 653,00) - nakosten € 296,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.742,97 4.19. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 5 De beslissing De rechtbank in conventie en in reconventie 5.1. verklaart voor recht dat [de eiser in conventie] een strook grond gelegen op perceel [kadasternummer 2] lopende vanaf de kadastrale grens tot en met het midden van de aldaar aanwezige haag in eigendom heeft verkregen middels verjaring, 5.2. veroordeelt [de gedaagde] in de proceskosten van € 2.742,97, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [de gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.3. veroordeelt [de gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 5.4. verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.2 en 5.3 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad, 5.5. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. S.A.L. van de Sande en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026. Vergelijk Hoge Raad 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:309. Hoge Raad 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2743.
Volledig
Op de diverse overgelegde foto’s (waaronder de foto’s die zijn opgenomen in de rechtsoverwegingen 2.2 en 2.5) is te zien dat de strook grond van perceel [kadasternummer 3] is afgescheiden door een haag. Deze haag is geplaatst tussen enkele betonnen palen die zich bevinden op perceel [kadasternummer 3] . Tijdens de zitting is besproken dat deze haag (ongeveer) 120 centimeter hoog is. De strook grond is hiermee (grotendeels) afgesloten van perceel [kadasternummer 3] . Deze haag sluit aan de voorzijde van perceel [kadasternummer 3] aan op een poort voor de inrit van perceel [kadasternummer 3] . De strook grond vormt door deze afscheiding optisch één geheel met perceel [kadasternummer 2] . Dit beeld wordt versterkt doordat op de strook grond – net als op de rest van perceel [kadasternummer 2] – grind aanwezig is. Verder staat vast – nu [de eiser in conventie] dit heeft gesteld en [de gedaagde] dit niet heeft betwist – dat [de gedaagde] en haar rechtsvoorgangers nooit op de strook grond kwamen. Ook het snoeien van de haag aan die zijde is altijd gedaan door [de eiser in conventie] en zijn rechtsvoorgangers. 4.13. Uit de hiervoor omschreven inrichting van de strook grond volgt dat [de eiser in conventie] de feitelijke macht uitoefent over de strook grond. De machtsuitoefening van [de eiser in conventie] doet het bezit van (de rechtsvoorgangers van) [de gedaagde] teniet. Dit alles maakt dat sprake is van inbezitneming van de strook grond. De rechtbank is voorts van oordeel dat de huidige situatie – met de haag, de poort en het grind – in ieder geval sinds 1999 bestaat. Uit een door [de eiser in conventie] overgelegde verklaring van mevrouw [rechtsvoorganger 1] blijkt dat de haag tussen percelen [kadasternummer 3] en [kadasternummer 2] reeds in 1999 (toen zij eigenaar werd) aanwezig was. Verder is op foto’s uit de verkoopbrochure van 1999 te zien dat de haag, de betonnen palen en de poort op dezelfde wijze aanwezig zijn als in de huidige situatie. Dit is niet voldoende betwist door [de gedaagde] Op grond van deze feiten concludeert de rechtbank dat de rechtsvoorgangers van [de eiser in conventie] de strook grond in ieder geval vanaf 1999 in bezit hebben genomen en dat de verjaringstermijn daarmee uiterlijk in december 1999 is aangevangen (de datum waarop [rechtsvoorganger 1] en [rechtsvoorganger 2] eigenaar werden van percelen [kadasternummer 1] en [kadasternummer 2] ). 4.14. [de gedaagde] voert aan dat algemeen bekend was dat de haag op perceel [kadasternummer 3] was geplant zonder dat daartoe enig recht was verleend. [de gedaagde] verwijst ter onderbouwing hiervan naar een passage in de akte van levering van perceel [kadasternummer 3] uit 2022, waarin staat dat koper ( [de gedaagde] ) ermee bekend is dat de bewoners van [adres] (perceel [kadasternummer 1] ) een haag op perceel [kadasternummer 3] hebben geplaatst. Hieruit volgt echter niet over welke haag dit gaat (tussen perceel [kadasternummer 3] en [kadasternummer 1] was in 2022 ook een haag aanwezig) en dat [de eiser in conventie] hiervan op de hoogte was. [de eiser in conventie] heeft weersproken dat zij wisten dat de haag tussen perceel [kadasternummer 2] en [kadasternummer 3] op perceel [kadasternummer 3] stond. Hij heeft aangevoerd dat hij tot de meting van het kadaster in 2024 in de veronderstelling was dat de haag de erfgrens tussen de percelen vormde. Gelet hierop heeft [de gedaagde] onvoldoende gemotiveerd betwist dat [de eiser in conventie] bezitter was. Gelet op het voorgaande is [de eiser in conventie] dan ook – na het verstrijken van de verjaringstermijn van 20 jaren – in december 2019 eigenaar geworden van de strook grond. De door [de eiser in conventie] gevorderde verklaring voor recht zal daarom worden toegewezen. 4.15. [de eiser in conventie] vordert veroordeling van [de gedaagde] tot medewerking aan inschrijving van de eigendom van de strook grond in de openbare registers van het kadaster, op straffe van verbeurte van een dwangsom. [de eiser in conventie] licht niet toe op grond waarvan het volgens hem nodig is dat [de gedaagde] medewerking verleent aan inschrijving. In dit vonnis zal de door [de eiser in conventie] gevorderde verklaring voor recht dat hij eigenaar is geworden van de strook grond worden toegewezen. Dit vonnis is daarmee aan te merken als een rechterlijke uitspraak die kan worden ingeschreven in de openbare registers (artikel 3:17 lid 1 sub e BW). [de eiser in conventie] kan dit vonnis dus zelf in de openbare registers laten inschrijven. Medewerking van [de gedaagde] is daarbij niet vereist. [de eiser in conventie] heeft daarom geen belang bij deze vordering. De vordering zal worden afgewezen. 4.16. Nu [de eiser in conventie] eigenaar is van de strook grond tot het midden van de haag, staat de door hem geplaatste pergola geheel op eigen grond. [de eiser in conventie] hoeft deze pergola daarom niet te verwijderen. De vorderingen van [de gedaagde] die hierop zien (in reconventie, onder I en II), zullen worden afgewezen. Snoeien 4.17. [de eiser in conventie] vordert dat [de gedaagde] wordt veroordeeld om de ligusterhaag aan de zijde van perceel [kadasternummer 3] te snoeien. Wat de grondslag van deze vordering is, stelt [de eiser in conventie] niet. Hij stelt slechts dat [de gedaagde] het hem niet toestaat de haag te snoeien en dat [de gedaagde] de haag niet snoeit. [de eiser in conventie] heeft echter niet (onderbouwd) gesteld dat sprake is van overhangende takken of dat hij anderszins (onrechtmatige) hinder ondervindt. Nu [de eiser in conventie] door verjaring eigenaar is geworden van de grond tot het midden van de haag, kan hij deze (aan de zijde van perceel [kadasternummer 2] ) zelf snoeien. [de gedaagde] heeft verder aangegeven erop toe te zien dat geen overhangende takken ontstaan. De vordering van [de eiser in conventie] zal gelet op het voorgaande worden afgewezen. De proceskosten 4.18. [de gedaagde] is in conventie en in reconventie (grotendeels) in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [de eiser in conventie] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 156,97 - griffierecht € 331,00 - salaris advocaat € 1.959,00 (3 punten × € 653,00) - nakosten € 296,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.742,97 4.19. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 5 De beslissing De rechtbank in conventie en in reconventie 5.1. verklaart voor recht dat [de eiser in conventie] een strook grond gelegen op perceel [kadasternummer 2] lopende vanaf de kadastrale grens tot en met het midden van de aldaar aanwezige haag in eigendom heeft verkregen middels verjaring, 5.2. veroordeelt [de gedaagde] in de proceskosten van € 2.742,97, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [de gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.3. veroordeelt [de gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 5.4. verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.2 en 5.3 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad, 5.5. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. S.A.L. van de Sande en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026. Vergelijk Hoge Raad 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:309. Hoge Raad 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2743.