Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2026-01-14
ECLI:NL:RBGEL:2026:269
RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Zutphen Bestuursrecht zaaknummers: ARN 24/4131 en 24/8787 uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaken tussen [eiser], uit [plaats], eiser (gemachtigde: mr. R.N. Brugge), en het Dagelijks Bestuur van Fijnder, Fijnder (gemachtigde: A. Brons). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de herziening van het recht op bijstand van eiser op grond van de Participatiewet (Pw) over de perioden van 1 januari 2018 tot en met 31 mei 2018 en van 1 januari 2019 tot en met 31 mei 2023, met uitzondering van de maand juni 2021 en de periode augustus 2021 tot en met oktober 2022, waarin het recht op bijstand is ingetrokken. Ook gaat deze uitspraak over de terugvordering van de door Fijnder te veel aan eiser betaalde bijstand ter hoogte van € 45.992,86 over voornoemde perioden. Daarnaast gaat deze uitspraak over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een individuele inkomenstoeslag. Tot slot gaat deze uitspraak over de door Fijnder aan eiser oplegde boete op grond van de Pw ter hoogte van € 690. Eiser is het met deze besluiten niet eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de herziening, intrekking en terugvordering van de bijstand, het opleggen van de boete en de afwijzing van de aanvraag om een individuele inkomenstoeslag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepen ongegrond zijn . Eiser krijgt daarom geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.2. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot de bestreden besluiten. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Daarbij gaat de rechtbank in op de volgende vragen: zijn de bijschrijvingen op de bankrekening van eiser aan te merken als middelen in de zin van artikel 31 van de Pw en inkomen als bedoeld in artikel 32 van de Pw; heeft eiser de inlichtingenplicht van artikel 17, eerste lid, van de Pw geschonden; is Fijnder terecht overgegaan tot herziening, intrekking en terugvordering; heeft Fijnder terecht de aanvraag van eiser om een individuele inkomenstoeslag afgewezen en tot slot heeft Fijnder terecht een boete opgelegd. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. 1.3. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak. Procesverloop 2. Met het besluit van 16 november 2023 (het primaire besluit I) heeft Fijnder de aanvraag van eiser om een individuele inkomenstoeslag afgewezen. Met het besluit van 8 december 2023 (het primaire besluit II) heeft Fijnder het recht op bijstand van eiser herzien over de perioden van 1 januari 2018 tot en met 31 mei 2018 en van 1 januari 2019 tot en met 31 mei 2023, met uitzondering van de maand juni 2021 en de periode augustus 2021 tot en met oktober 2022, waarin het recht op bijstand is ingetrokken. Ook heeft Fijnder de betaalde bijstand ter hoogte van € 45.992,86 over de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 mei 2023 van eiser teruggevorderd. Met het bestreden besluit van 13 mei 2024 (het bestreden besluit I) is Fijnder bij de primaire besluiten I en II gebleven. 2.1. Met het besluit van 5 juli 2024 (het primaire besluit III) heeft Fijnder aan eiser een boete opgelegd van € 690. Met het bestreden besluit van 11 november 2024 (het bestreden besluit II) is Fijnder bij het primaire besluit III gebleven. 2.2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten I en II. Fijnder heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. 2.3. De rechtbank heeft de beroepen op 11 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van Fijnder. Beoordeling door de rechtbank Totstandkoming van de bestreden besluiten 3. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser ontvangt sinds 1 mei 2010 bijstand van Fijnder naar de Daarin is de aanvraag van 4 oktober 2023 afgewezen, omdat eiser niet aan de voorwaarde voldoet dat zijn inkomen de laatste 36 maanden niet hoger is geweest dan 115% van de voor hem geldende bijstandsnorm. Uit onderzoek is gebleken dat eiser in de periode van 1 januari 2018 tot en met 15 mei 2023 bedragen heeft ontvangen die door Fijnder worden aangemerkt als inkomen. Het totaal van de bijstand van eiser en de vastgestelde inkomsten is hoger dan 115% van de voor hem geldende bijstandsnorm. Met zijn e-mailbericht van 27 november 2023 heeft eiser ‘protest aangetekend’ tegen dit primaire besluit. 3.6. Bij brief van 23 november 2023 heeft Fijnder eiser in de gelegenheid gesteld (‘laatste kans’) om aan te tonen dat hij de boodschappen heeft afgeleverd. Fijnder vraagt eiser ook om bewijsstukken van de boodschappen en hoe hij ze heeft afgeleverd, naar Fijnder toe te sturen. De bewijsstukken moeten controleerbaar en verifieerbaar zijn. Eiser heeft bij e-mailbericht van 29 november 2023 op deze brief gereageerd. Daarin geeft hij aan dat het voor hem onmogelijk is om de gevraagde bewijsstukken aan te leveren en dat de terugvordering helemaal onterecht is. 3.7. Vervolgens is Fijnder overgegaan tot afgifte van het primaire besluit II. Daarin wordt aangegeven dat Fijnder besloten heeft dat eiser bijstand moet terugbetalen. Het gaat om € 45.992,86. Eiser heeft bijschrijvingen van andere mensen op zijn bankrekening ontvangen. Deze bijschrijvingen moet Fijnder aanmerken als inkomen van eiser. Deze bijschrijvingen heeft eiser bij ontvangst niet aan Fijnder gemeld. Daarmee heeft eiser de inlichtingenplicht van artikel 17, eerste lid, van de Pw overtreden. Fijnder herziet zijn recht op bijstand over de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 mei 2018 en over de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 mei 2023, op grond van artikel 54, derde lid, van de Pw. Over de maanden juni 2021 en augustus 2021 tot en met 31 oktober 2022 en over januari 2023 trekt Fijnder het recht op bijstand van eiser, op grond van artikel 54, derde lid, van de Pw, in. Fijnder vordert de te veel betaalde bijstand over de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 mei 2023 van eiser terug, op grond van artikel 58, eerste lid, van de Pw. Fijnder gaat vanaf november 2023 5% van de maandelijkse bijstand met deze terugvordering verrekenen, op grond van artikel 60, vierde lid, van de Pw. 3.8. Bij brief van 9 januari 2024 heeft Fijnder eiser geïnformeerd over het voornemen hem een boete op te leggen. De reden hiervoor is dat hij Fijnder niet de informatie heeft gegeven die belangrijk is voor zijn recht op bijstand. Daarmee heeft eiser de inlichtingenplicht, op grond van artikel 17, eerste lid, van de Pw, overtreden. Eiser wordt in de gelegenheid gesteld om op dit voornemen te reageren. Van deze gelegenheid heeft eiser, middels de brief van zijn gemachtigde van 23 januari 2024, gebruik gemaakt. 3.9. In de bezwaarprocedure tegen de primaire besluiten I en II heeft eiser verklaringen overgelegd van [persoon A] van 24 januari 2024, [persoon B] (ongedateerd), [persoon C] (ongedateerd) en [persoon D] (ongedateerd). 3.10. Fijnder heeft aan het bestreden besluit I – samengevat en met overneming van het advies van de Commissie Bezwaarschriften van 1 mei 2024 – het volgende ten grondslag gelegd. Eiser heeft aangegeven dat hij van mening is dat hij de inlichtingenplicht niet geschonden heeft, omdat hij de bijschrijvingen expliciet heeft besproken met zijn contactpersoon van de Stadsbank. Eiser is en blijft zelf verantwoordelijk voor het nakomen van de inlichtingenplicht. Eventuele afspraken tussen hem en de Stadsbank over de bijschrijvingen en de inlichtingenplicht veranderen daaraan niets. De bijschrijvingen zijn terecht als inkomen aangemerkt. Gelet op het aantal bijschrijvingen en de waarde van deze bijschrijvingen is niet langer sprake van een vriendendienst of hobby. Het inkomen van eiser was in de 36 maanden voorafgaand aan zijn aanvraag om een individuele inkomenstoeslag hoger dan 115 De bijstand van eiser wordt ontvangen door de Stadsbank en die betaalt daarvan de vaste lasten van eiser en administreert de baten en de lasten. Met een medewerker van de Stadsbank zijn medio 2020 de boodschappen en betaalverzoeken uitdrukkelijk besproken. Eiser is daarover geadviseerd om de betaalverzoeken van een duidelijke omschrijving te voorzien. Dan zou eiser niet in de problemen komen met zijn recht op bijstand. Dit is ook zichtbaar op de door Fijnder geleverde jaaroverzichten van betaalverzoeken van eiser. Eiser heeft openheid van zaken gegeven aan Fijnder. Eiser meent dat de inlichtingenplicht niet door hem geschonden is. Dit omdat de ontvangen betaalverzoeken op zijn bankrekening geen inkomsten betreffen. Eiser kan niet goed met geld omgaan. Daarom neemt hij altijd direct contant geld op van zijn rekening, wanneer hij geld daarop krijgt bijgeschreven. Eiser wil graag over contant geld beschikken. Dan kan hij niet meer uitgeven dan dat zich in zijn portemonnee bevindt. Dat blijkt evident ook uit het transactie-overzicht dat zich in het dossier bevindt. Zodra eiser (leef)geld van de Stadsbank heeft ontvangen, neemt hij dat bedrag op. Hetzelfde geldt voor alle vanuit zijn vriendenkring ontvangen voorschotten voor de boodschappen, die door eiser meestal daags na de ontvangst in Duitsland voor hen worden gedaan. Er is sprake van een bestendige handelswijze. Eiser is langdurig en volledig arbeidsongeschikt. Daarom is het ook niet aannemelijk, dat door hem inkomsten worden vergaard door lichamelijke arbeid als klus- of tuinwerkzaamheden of dat eiser zou bijverdienen als illegale ambulante vishandelaar. Eiser beschikt niet over criminele antecedenten en houdt zich ook niet bezig met criminele activiteiten. Wanneer dit het geval zou zijn, zouden deze niet via zijn bankrekening verlopen, maar geheel contant. De onderhavige kwestie heeft een aanzienlijk negatieve invloed op het dagelijks leven van eiser en zijn welbevinden. Dat de facto een verbod om nog langer boodschappen voor zijn vrienden te doen bestaat, belemmert eiser ook aanzienlijk in zijn sociale leven en in een nuttige dagbesteding. Fijnder stelt met een beroep op de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), dat eiser een administratie van de betalingen diende bij te houden en dat hij dient te bewijzen dat de ontvangsten geen inkomsten zijn. Eiser is van mening dat de bijschrijvingen op zijn bankrekening en de omschrijvingen daarvan, het kort daarna opnemen van die bedragen, zijn meewerkende houding en eigen verklaringen, zijn volledige arbeidsongeschiktheid, de door hem aan Fijnder overgelegde verklaringen, het gegeven dat eiser reeds langdurig onder budgetbeheer en financieel toezicht van de Stadsbank verkeert en dat die op de hoogte is van de ontvangsten, voldoende bijdragen aan het standpunt van eiser. Dat maakt voldoende aannemelijk dat de ontvangsten geen inkomsten zijn. Fijnder had nader onderzoek moeten doen, aldus eiser. Het verweer van Fijnder 5. Fijnder stelt zich in het verweerschrift van 31 juli 2024 op het volgende standpunt. Eiser heeft op grond van artikel 17, eerste lid, van de Pw de inlichtingenplicht. Hij heeft verklaard goed te weten wat deze verplichting inhoudt en ook dat het hierbij gaat om het ontvangen van inkomsten. Eiser heeft inkomsten niet gemeld. In bepaalde periodes ontving eiser meer inkomen door middel van tikkies dan aan bijstand. Gelet op het aantal bijschrijvingen en de waarde daarvan is niet langer sprake van een vriendendienst of een hobby. Het gaat hier om het structureel verrichten van diensten aan derden. Er waren veel bijschrijvingen met een andere vermelding dan boodschappen. Fijnder deelt het standpunt van eiser niet dat de ontvangsten op zijn bankrekening niet zijn aan te merken als inkomsten. Fijnder verwijst daarbij naar overweging 4.4 van de uitspraak van de CRvB van 9 april 2024. Fijnder heeft niet beweerd dat eiser zich bezighoudt met drugshandel. Het gaat Fijnder niet om de precieze achtergrond van de inko Whatsappberichten waaruit de ‘bestellingen’ zouden blijken, heeft eiser niet meer. Eiser heeft zijn Whatsapp zodanig ingesteld dat de berichten na 24 uur worden verwijderd. Bovendien volgt uit de aard en de omvang van de activiteiten (het aantal van 864 bijschrijvingen) die eiser heeft verricht dat deze verder gaan dan een vriendendienst. Er is, naar het oordeel van de rechtbank, sprake van structurele activiteiten. De overgelegde verklaringen van enkele van de vrienden is evenmin voldoende reden om de bijschrijvingen niet als middelen en inkomen aan te merken. Deze verklaringen betreffen achteraf door de gemachtigde van eiser opgestelde formats. Deze schriftelijke verklaringen zijn niet heel concreet en niet met controleerbare gegevens onderbouwd. Uit deze verklaringen blijkt niet waar en wanneer eiser boodschappen voor hen heeft gedaan, welke boodschappen dat precies betrof, voor welke bedragen eiser deze boodschappen heeft gedaan, of eiser na het doen van deze boodschappen het wisselgeld aan hen heeft teruggegeven en of eiser voor deze activiteiten een vergoeding ontving. Bovendien betreft dit ook slechts een aantal van de personen die geld aan eiser hebben overgemaakt. 7.4. De stelling dat Fijnder meer onderzoek had moeten doen, slaagt evenmin. De bewijslast ligt namelijk, zoals de rechtbank in rechtsoverweging 7.2 heeft overwogen, bij eiser. Los daarvan heeft Fijnder de stellingen van eiser geverifieerd bij de Stadsbank. Ook heeft Fijnder eiser op 23 november 2023 een brief gestuurd, waarin hem nog ‘een laatste kans’ wordt geboden om duidelijkheid over de ontvangen bijschrijvingen te geven. Eiser heeft daarop gereageerd met zijn mailbericht van 29 november 2023. Daarin geeft hij aan dat hij verder geen nadere informatie over deze bijschrijvingen heeft. Eiser heeft zelf geen toestemming gegeven aan Fijnder om bij de personen die geld hebben overgemaakt nader onderzoek te doen. 7.5. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat eiser over de middels 864 bijschrijvingen bijgeschreven tegoeden kon beschikken of redelijkerwijs kon beschikken. Fijnder heeft deze tegoeden daarom terecht als middelen en inkomen in aanmerking genomen bij de herziening en intrekking van het recht op bijstand van eiser. Heeft eiser de inlichtingenplicht van artikel 17, eerste lid, van de Pw geschonden? 8. Het is een bijstandsgerechtigde niet verboden om een ander te helpen bij het doen van boodschappen. Eiser is wel gehouden spontaan mededeling te doen aan Fijnder van alle feiten en omstandigheden bij dat helpen, die van belang kunnen zijn voor zijn recht op bijstand. Gelet op wat de rechtbank in rechtsoverweging 7.2 tot en met 7.5 heeft geoordeeld worden de bijschrijvingen in beginsel als inkomen aangemerkt, zodat die informatie voor het recht op bijstand van eiser van belang kon zijn. Deze bijschrijvingen moesten daarom door eiser aan Fijnder worden gemeld. Gelet op de hoogte van de bedragen, het aantal bijschrijvingen (864) en het totale bedrag daarvan (€ 42.573,39) moet het eiser redelijkerwijs duidelijk zijn geweest, dat deze gegevens van belang konden zijn voor zijn recht op bijstand. Hij had ze daarom moeten melden aan Fijnder. Door dit na te laten, heeft eiser de, op grond van artikel 17, eerste lid, van de Pw, op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. 8.1. De stelling van eiser dat als hij de bijschrijvingen al had moeten melden, hem geen enkel verwijt treft, omdat de Stadsbank zou hebben gezegd dat hij de bijschrijvingen niet zou hoeven melden, slaagt niet. Eiser heeft deze stelling verder niet onderbouwd. Bovendien heeft de Stadsbank in een e-mailbericht van 24 april 2024 aan Fijnder aangegeven dat zij hun klanten met een uitkering adviseren dat zij zich moeten houden aan de voorwaarden van de uitkerende instantie, waaronder het melden van inkomsten. Het opgeven van inkomsten aan de uitkerende instantie dient een klant altijd zelf te doen. De Stadsbank controleert daar niet op. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat, nog los van h Gelet op deze toelichting van Fijnder tijdens de zitting is de rechtbank van oordeel dat Fijnder de norm van 115% van de geldende bijstandsnorm heeft kunnen toepassen. 10.2. Eiser heeft tijdens de zitting bevestigd dat, indien de rechtbank tot het oordeel komt dat de bijschrijvingen als inkomsten moeten worden beschouwd, hij dan niet aan de voorwaarde voldoet dat zijn inkomen de laatste 36 maanden niet hoger is geweest dan 115% van de voor hem geldende bijstandsnorm. 10.3. Gelet op het voorgaande heeft Fijnder de aanvraag van eiser om een individuele inkomenstoeslag terecht afgewezen. Is terecht een boete opgelegd? 11. Bij schending van de inlichtingenplicht van artikel 17, eerste lid, van de Pw is Fijnder verplicht een bestuurlijke boete op te leggen op grond van artikel 18a, eerste lid, van de Pw. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB is de bewijslast voor het opleggen van een boete zwaarder dan voor de herziening of de intrekking van een recht op bijstand of terugvordering van ten onrechte verstrekte bijstand, wegens schending van deze inlichtingenplicht. In het geval van een boete dient het bestuursorgaan aan te tonen dat de inlichtingenplicht is geschonden. 11.1. De rechtbank is van oordeel dat Fijnder voldoende heeft aangetoond dat eiser de op hem rustende inlichtingenplicht heeft geschonden, door geen melding te maken van de bijschrijvingen op zijn bankrekening. Vaststaat dat eiser deze bedragen heeft ontvangen en dat hij daarvan geen melding heeft gemaakt bij Fijnder. Daarmee is eiser de inlichtingenplicht niet nagekomen. Eiser kan daarvan een verwijt worden gemaakt. Zoals volgt uit rechtsoverwegingen 8 en 8.1, slaagt de stelling van eiser dat hem geen verwijt treft niet. Fijnder was daarom gehouden een boete op te leggen. De rechtbank stelt vast dat eiser geen gronden heeft aangevoerd tegen de hoogte of de berekening van de boete. Overschrijding redelijke termijn? 12. Ingeval een boete is opgelegd, wordt ambtshalve getoetst of sprake is van overschrijding van de redelijke termijn , bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. 12.1. De redelijke termijn is voor een procedure in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan twee jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven om een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. 12.2. In het geval van eiser is sprake van een procedure die vanaf de datum van het kenbaar maken aan hem door Fijnder van het voornemen tot boeteoplegging op 9 januari 2024, tot de datum van deze uitspraak meer dan twee jaar en minder dan tweeënhalf jaar heeft geduurd. Van omstandigheden die de langere behandelingsduur rechtvaardigen is niet gebleken. Dit betekent dat de redelijke termijn in deze procedure met minder dan zes maanden is overschreden. Deze overschrijding is toe te rekenen aan de rechterlijke fase. 12.3. In zijn arrest van 19 december 2008 , voor zover hier van belang, heeft de Hoge Raad onder meer overwogen dat in de gevallen waarin de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden de boete verminderd wordt: 1. met 5% bij een overschrijding van de redelijke termijn met zes maanden of minder; 2. met 10% bij een overschrijding van de redelijke termijn met meer dan zes maanden doch niet meer dan twaalf maanden; een en ander met dien verstande dat: - de omvang van de vermindering in deze gevallen niet meer bedraagt dan € 2.500, en - geen vermindering wordt toegepast indien het gaat om een boete die minder beloopt dan € 1.000. De Hoge Raad zal in een dergelijk geval volstaan met het oordeel dat de geconstateerde verdragsschending voldoende is gecompenseerd met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, van het EVRM. In de gevallen waarin de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden is overschreden zal de Hoge Raad naar bevind van Artikel 31, eerste lid Tot de middelen worden alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Tot de middelen worden mede gerekend de middelen die ten behoeve van het levensonderhoud van de belanghebbende door een niet in de bijstand begrepen persoon worden ontvangen. In elk geval behoort tot de middelen de ten aanzien van de alleenstaande of het gezin toepasselijke heffingskorting, bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel 32, eerste lid Onder inkomen wordt verstaan de op grond van artikel 31 in aanmerking genomen middelen voorzover deze: a. betreffen inkomsten uit of in verband met arbeid, inkomsten uit vermogen, een premie als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel j, een kostenvergoeding als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel k, inkomsten uit verhuur, onderverhuur of het hebben van een of meer kostgangers, socialezekerheidsuitkeringen, uitkeringen tot levensonderhoud op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, voorlopige teruggave of teruggave van inkomstenbelasting, loonbelasting, premies volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdragen als bedoeld in artikel 43 van de Zorgverzekeringswet, dan wel naar hun aard met deze inkomsten en uitkeringen overeenkomen; en b. betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan. Artikel 36, eerste lid Op aanvraag van een persoon van 21 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die langdurig een laag inkomen en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeft en geen uitzicht heeft op inkomensverbetering, kan het college, gelet op de omstandigheden van die persoon, een individuele inkomenstoeslag verlenen. Artikel 54, derde lid Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand kan het college een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken, indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. Artikel 58, eerste lid Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen. Artikel 58, achtste lid Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Beleidsregels bestuurlijke boete PW, IOAW en IOAZ Fijnder 1 juli 2024 Artikel 7, vierde lid Als het Dagelijks Bestuur niet binnen een termijn van 13 weken na de dagtekening van het boeterapport beslist over het opleggen van een boete, vermindert het Dagelijks Bestuur de boete: a. met 5% als het Dagelijks Bestuur beslist na de 13e week maar voor de 26e week; b. met 10% als het Dagelijks Bestuur beslist in of na de 26e week maar voor de 52e week; c. met 50% als het Dagelijks Bestuur beslist in of na de 52e week. Beleidsregels individuele inkomenstoeslag Fijnder 2022 en volgende jaren Artikel 3 Als de betrokken persoon 36 maanden of langer voorafgaand aan de peildatum heeft geleefd van een uitkering op grond van de wet, hoeft hij geen bewijsstukken aan te leveren. Het inkomen kan worden bepaald op grond van de gegevens van de betrokken persoon die aanwezig zijn bij Fijnder. In andere gevallen moet het inkomen van de betrokken persoo