Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2026-03-27
ECLI:NL:RBGEL:2026:2671
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
19,103 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:2671 text/xml public 2026-04-14T15:28:13 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-03-27 05/258638-25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Arnhem Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2671 text/html public 2026-04-14T15:22:56 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:2671 Rechtbank Gelderland , 27-03-2026 / 05/258638-25 Poging tot afpersing, bedreiging, mishandeling en vernieling. Verdachte heeft 28 dagen in voorarrest gezeten. De rechtbank vindt het gelet op de aanwezige stoornissen en de persoon van verdachte van belang dat verdachte de juiste hulp krijgt in plaats van dat hij opnieuw naar de gevangenis gaat. Daarom gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen, waarvan 32 dagen voorwaardelijk met voorwaarden. Daarnaast een taakstraf van 40 uren. Vergoeding benadeelde, maar niet de verplaatste schade (schadeposten gemaakt door ouders van benadeelde). RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer: 05/258638-25 Datum uitspraak : 27 maart 2026 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2007 in [geboorteplaats] , wonende aan de [adres] , ( [postcode] ) in [woonplaats] . Raadsman: mr. M.W.J. Rosendaal, advocaat in Arnhem. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 13 maart 2026. 1 De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: 1. hij op of omstreeks 30 september 2025 te Doetinchem op de openbare weg, te weten de Turfweg, in ieder geval op of aan een openbare weg, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever 1] te dwingen tot de afgifte van een jas, in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan die die [aangever 1] en/of een derde toebehoorde(n), heeft verdachte de nek, in ieder geval het bovenlichaam van die [aangever 1] vastgepakt en/of vastgehouden en/of (daarbij) die [aangever 1] de woorden toegevoegd: "Geef mij die kankerjas" althans woorden van gelijke dreigende en/of intimiderende aard en/of is verdachte (vervolgens) achter die [aangever 1] aangerend, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 30 september 2025 te Doetinchem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een jas, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n), weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke poging tot diefstal werd voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [aangever 1] , gepleegd met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, heeft verdachte de nek, in ieder geval het bovenlichaam van die [aangever 1] vastgepakt en/of vastgehouden en/of (daarbij) die [aangever 1] de woorden toegevoegd: "Geef mij die kankerjas" althans woorden van gelijke dreigende en/of intimiderende aard en/of is verdachte (vervolgens) achter die [aangever 1] aangerend; 2. hij op of omstreeks 30 september 2025 te Doetinchem [aangever 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door achter die [aangever 2] aan te lopen en/of (vervolgens en/of op korte afstand) die [aangever 2] een manchete / mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp te tonen; 3. hij op of omstreeks 30 september 2025 te Doetinchem [aangever 2] heeft mishandeld, door die [aangever 2] een of meermalen tegen het hoofd en/of de buik, in ieder geval tegen het lichaam te stompen en/of te slaan; 4. hij op of omstreeks 30 september 2025 te Doetinchem opzettelijk en wederrechtelijk (een wieldop van) een wiel, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [aangever 3] en/of [bedrijf] , toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt. 2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 primair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de feiten 1, 2 en 4. Ten aanzien van de poging afpersing, feit 1, bevindt zich maar één bewijsmiddel in het dossier, namelijk de aangifte. Dat is onvoldoende voor een bewezenverklaring. Over de bedreiging onder feit 2 heeft verdachte verklaard dat hij een mes heeft afgepakt van [aangever 2] en dat hij hem niet heeft bedreigd. De verklaring van getuige [getuige 1] ondersteunt de verklaring van verdachte, nu hij geen mes heeft waargenomen bij verdachte en wel bovenop het incident heeft gestaan. Verder kan niet worden vastgesteld dat verdachte een beweging heeft gemaakt met het mes. Ten aanzien van feit 3 is geen bewijsverweer gevoerd. Tot slot dient verdachte vrijgesproken te worden van feit 4, de vernieling, nu verdachte niet voldoet aan het signalement, uit de aangifte blijkt dat aangever niet weet waar de gegooide steen vandaan kwam en onduidelijk is of de schade aan de auto er niet al was vóór het incident. Beoordeling door de rechtbank Feit 1, poging afpersing [aangever 1] , op dat moment 13 jaar oud, heeft verklaard dat hij op 30 september 2025 tussen 15.30 uur en 15.40 uur van school naar huis fietste. Hij fietste over de Turfweg in Doetinchem ter hoogte van nummer 9 toen hij opeens een man op zich af zag rennen. [aangever 1] voelde dat de man de achterkant van zijn nek vastgreep met zijn hand. Hij hoorde hem schreeuwen: “Geef mij die kankerjas”. [aangever 1] schrok en ging harder fietsen. De man liet hem toen los, maar bleef wel nog tientallen meters achter hem aan rennen. [aangever 1] belde op dat moment zijn vader, die hem adviseerde om een foto te maken. [aangever 1] heeft toen een foto en een filmpje van de man gemaakt. De man riep in het filmpje riep: “Waarom ben je mij aan het filmen?”, waarop [aangever 1] riep: “Waarom heb je mij vastgepakt?”. [aangever 1] hoorde toen sirenes en hij zag dat de politie arriveerde. De politie kreeg op 30 september 2025 omstreeks 15.43 uur een melding dat de zoon van melder zojuist slachtoffer zou zijn geweest van een poging beroving. De zoon zou nog zicht hebben op verdachte. Vlak na de melding is verdachte aangehouden. De politie heeft de beelden van aangever [aangever 1] bekeken en beschreven. Op de beelden is te zien dat een onbekende persoon richting aangever loopt. De afstand tussen aangever en de persoon is te ver om een omschrijving te geven van de persoon. De persoon blijft naar aangever toelopen. Op een gegeven moment roept de persoon naar aangever: “Wat film je mij?”. Aangever roept op een gegeven moment: “Ja, wat? Waarom sla je mij?” en herhaalt dat nog een aantal keer. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij zichzelf op de foto herkent. Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank het volgende af. Aangever is door een man bij zijn nek gegrepen, terwijl hij hem dwong zijn jas af te geven. Aangever heeft daarna een video-opname gemaakt van de man, waarvan een screenshot aan verdachte is getoond. Verdachte heeft zichzelf daarop herkend, hetgeen zijn aanwezigheid ter plaatse bevestigt. Bovendien is verdachte kort na het voorval in de directe omgeving aangehouden. Op het geluid bij de beelden is duidelijk te horen dat aangever aan verdachte vraagt waarom verdachte hem heeft geslagen, wat de betrouwbaarheid en authenticiteit van de aangifte verder ondersteunt.
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:2671 text/xml public 2026-04-14T15:28:13 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-03-27 05/258638-25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Arnhem Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2671 text/html public 2026-04-14T15:22:56 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:2671 Rechtbank Gelderland , 27-03-2026 / 05/258638-25 Poging tot afpersing, bedreiging, mishandeling en vernieling. Verdachte heeft 28 dagen in voorarrest gezeten. De rechtbank vindt het gelet op de aanwezige stoornissen en de persoon van verdachte van belang dat verdachte de juiste hulp krijgt in plaats van dat hij opnieuw naar de gevangenis gaat. Daarom gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen, waarvan 32 dagen voorwaardelijk met voorwaarden. Daarnaast een taakstraf van 40 uren. Vergoeding benadeelde, maar niet de verplaatste schade (schadeposten gemaakt door ouders van benadeelde). RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer: 05/258638-25 Datum uitspraak : 27 maart 2026 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2007 in [geboorteplaats] , wonende aan de [adres] , ( [postcode] ) in [woonplaats] . Raadsman: mr. M.W.J. Rosendaal, advocaat in Arnhem. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 13 maart 2026. 1 De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: 1. hij op of omstreeks 30 september 2025 te Doetinchem op de openbare weg, te weten de Turfweg, in ieder geval op of aan een openbare weg, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever 1] te dwingen tot de afgifte van een jas, in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan die die [aangever 1] en/of een derde toebehoorde(n), heeft verdachte de nek, in ieder geval het bovenlichaam van die [aangever 1] vastgepakt en/of vastgehouden en/of (daarbij) die [aangever 1] de woorden toegevoegd: "Geef mij die kankerjas" althans woorden van gelijke dreigende en/of intimiderende aard en/of is verdachte (vervolgens) achter die [aangever 1] aangerend, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 30 september 2025 te Doetinchem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een jas, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n), weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke poging tot diefstal werd voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [aangever 1] , gepleegd met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, heeft verdachte de nek, in ieder geval het bovenlichaam van die [aangever 1] vastgepakt en/of vastgehouden en/of (daarbij) die [aangever 1] de woorden toegevoegd: "Geef mij die kankerjas" althans woorden van gelijke dreigende en/of intimiderende aard en/of is verdachte (vervolgens) achter die [aangever 1] aangerend; 2. hij op of omstreeks 30 september 2025 te Doetinchem [aangever 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door achter die [aangever 2] aan te lopen en/of (vervolgens en/of op korte afstand) die [aangever 2] een manchete / mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp te tonen; 3. hij op of omstreeks 30 september 2025 te Doetinchem [aangever 2] heeft mishandeld, door die [aangever 2] een of meermalen tegen het hoofd en/of de buik, in ieder geval tegen het lichaam te stompen en/of te slaan; 4. hij op of omstreeks 30 september 2025 te Doetinchem opzettelijk en wederrechtelijk (een wieldop van) een wiel, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [aangever 3] en/of [bedrijf] , toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt. 2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 primair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de feiten 1, 2 en 4. Ten aanzien van de poging afpersing, feit 1, bevindt zich maar één bewijsmiddel in het dossier, namelijk de aangifte. Dat is onvoldoende voor een bewezenverklaring. Over de bedreiging onder feit 2 heeft verdachte verklaard dat hij een mes heeft afgepakt van [aangever 2] en dat hij hem niet heeft bedreigd. De verklaring van getuige [getuige 1] ondersteunt de verklaring van verdachte, nu hij geen mes heeft waargenomen bij verdachte en wel bovenop het incident heeft gestaan. Verder kan niet worden vastgesteld dat verdachte een beweging heeft gemaakt met het mes. Ten aanzien van feit 3 is geen bewijsverweer gevoerd. Tot slot dient verdachte vrijgesproken te worden van feit 4, de vernieling, nu verdachte niet voldoet aan het signalement, uit de aangifte blijkt dat aangever niet weet waar de gegooide steen vandaan kwam en onduidelijk is of de schade aan de auto er niet al was vóór het incident. Beoordeling door de rechtbank Feit 1, poging afpersing [aangever 1] , op dat moment 13 jaar oud, heeft verklaard dat hij op 30 september 2025 tussen 15.30 uur en 15.40 uur van school naar huis fietste. Hij fietste over de Turfweg in Doetinchem ter hoogte van nummer 9 toen hij opeens een man op zich af zag rennen. [aangever 1] voelde dat de man de achterkant van zijn nek vastgreep met zijn hand. Hij hoorde hem schreeuwen: “Geef mij die kankerjas”. [aangever 1] schrok en ging harder fietsen. De man liet hem toen los, maar bleef wel nog tientallen meters achter hem aan rennen. [aangever 1] belde op dat moment zijn vader, die hem adviseerde om een foto te maken. [aangever 1] heeft toen een foto en een filmpje van de man gemaakt. De man riep in het filmpje riep: “Waarom ben je mij aan het filmen?”, waarop [aangever 1] riep: “Waarom heb je mij vastgepakt?”. [aangever 1] hoorde toen sirenes en hij zag dat de politie arriveerde. De politie kreeg op 30 september 2025 omstreeks 15.43 uur een melding dat de zoon van melder zojuist slachtoffer zou zijn geweest van een poging beroving. De zoon zou nog zicht hebben op verdachte. Vlak na de melding is verdachte aangehouden. De politie heeft de beelden van aangever [aangever 1] bekeken en beschreven. Op de beelden is te zien dat een onbekende persoon richting aangever loopt. De afstand tussen aangever en de persoon is te ver om een omschrijving te geven van de persoon. De persoon blijft naar aangever toelopen. Op een gegeven moment roept de persoon naar aangever: “Wat film je mij?”. Aangever roept op een gegeven moment: “Ja, wat? Waarom sla je mij?” en herhaalt dat nog een aantal keer. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij zichzelf op de foto herkent. Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank het volgende af. Aangever is door een man bij zijn nek gegrepen, terwijl hij hem dwong zijn jas af te geven. Aangever heeft daarna een video-opname gemaakt van de man, waarvan een screenshot aan verdachte is getoond. Verdachte heeft zichzelf daarop herkend, hetgeen zijn aanwezigheid ter plaatse bevestigt. Bovendien is verdachte kort na het voorval in de directe omgeving aangehouden. Op het geluid bij de beelden is duidelijk te horen dat aangever aan verdachte vraagt waarom verdachte hem heeft geslagen, wat de betrouwbaarheid en authenticiteit van de aangifte verder ondersteunt.
Volledig
Dat gesproken wordt van slaan in plaats van grijpen is naar het oordeel van de rechtbank niet doorslaggevend omdat het door aangever ervaren geweld op het moment van het voorval ook als een klap kan zijn waargenomen. Er is hiermee voldoende wettig bewijs voor de tenlastegelegde poging tot afpersing. Uit dit wettige bewijs heeft de rechtbank bovendien de overtuiging gekregen dat verdachte daadwerkelijk heeft geprobeerd om met geweld aangever te dwingen tot het afstaan van zijn jas, met het doel zich de jas wederrechtelijk toe te eigenen. Die overtuiging haalt de rechtbank uit de het feit dat niet is gebleken dat er ten tijde van de gebeurtenis iemand anders dan verdachte en aangever aanwezig is geweest en het tijdverloop tussen de gebeurtenis en de aanhouding van verdachte kort is geweest. Gelet op de jonge leeftijd van de aangever en het feit dat hij, passend bij zijn leeftijd, gelijk zijn vader heeft gebeld om te vragen wat hij moest doen maakt dat de rechtbank zijn aangifte authentiek en betrouwbaar vindt. Feiten 2 en 3, mishandeling en bedreiging van [aangever 2] , op dat moment 17 jaar oud, heeft verklaard dat hij op 30 september 2025 omstreeks 12.45 uur samen met [getuige 1] naar de Albert Heijn in Doetinchem (in de buurt van de Swammerdamlaan) liep om lunch te kopen. Tegen 13.00 uur liep hij aan de zijkant van de Aldi toen hij merkte dat een man achter hem aan kwam lopen. De man rende op hem af en hij zei: “Wat doe je stoer, wat de kanker moet je?”. De man balde vervolgens zijn linker vuist en haalde met kracht uit. De man raakte hem stevig aan de rechterkant van zijn gezicht. De man haalde opnieuw uit en stompte hem vervolgens ook nog twee keer in zijn buik. De man ging hierna met zijn linkerhand in zijn linkerbroekzak en haalde daar een machete-gelijkend voorwerp uit. Het lemmet van het mes was ongeveer 20 centimeter. De man zei vervolgens: “kanker op”. [aangever 2] is vervolgens weggerend. Aangever had een licht gekneusd oor. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij samen met [aangever 2] van de Albert Heijn wegliep toen ze een jongen zagen lopen. [aangever 2] vertelde dat de jongen hen volgde. De jongen rende vervolgens naar [aangever 2] toe en hij schold [aangever 2] ook uit. De jongen begon [aangever 2] toen te slaan, met zijn linkerarm. De vuist van de jongen raakte de rechterkant van [aangever 2] zijn gezicht. De tweede klap was in zijn buik. Hij zei daarbij iets van “kankermongool, ga uit mijn kankerstraat”. [getuige 1] en [aangever 2] zijn vervolgens weggerend. De politie is op 30 september 2025 afgegaan op de melding van aangever [aangever 2] en heeft daar met twee personen gesproken die graag anoniem wilden blijven. De jongens kwamen aanfietsen en vroegen aan de agent of zij daar stonden in verband met het incident wat zich bij de [adres] had afgespeeld. Zij vertelden dat zij over die straat liepen en een man zagen lopen. De man was op aangever [aangever 2] afgelopen en hij gaf hem een vuistslag in zijn gezicht en daarna nog een paar klappen. Eén van de jongens gaf aan dat de man die geslagen had vervolgens zijn hand in zijn broek/jaszak stopte en hier een mes uithaalde. De andere jongen zei dat hij ook had gezien dat de man een mes had. De twee jongens zagen dat [aangever 2] en zijn vriend vervolgens hard zijn weggerend. Getuige [getuige 2] , de broer van verdachte, heeft verklaard dat hij omstreeks 12.40 uur werd gebeld door zijn moeder om te kijken bij zijn broer, verdachte. [getuige 2] zag verdachte bij de voordeur buiten staan. Hij was stenen neer aan het leggen bij de voordeur. [getuige 2] zag vervolgens dat verdachte een groot mes, lijkend op een machete, uit zijn rechter broekspijp haalde en deze vasthield. Het mes was ongeveer 30/40 cm groot. Verdachte gaf aan dat hij het mes bij zich had voor zijn eigen veiligheid. Verdachte liep vervolgens naar buiten. Verdachte heeft verklaard dat hij op 30 september 2025 om 12.45 uur in Doetinchem was. Hij heeft [aangever 2] een vuistslag in zijn gezicht gegeven en hij heeft hem vervolgens ook in zijn buik geslagen. Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen worden vastgesteld dat verdachte aangever [aangever 2] heeft mishandeld, door hem (meermalen) in zijn gezicht en buik te slaan.. Daarnaast leidt de rechtbank uit de bewijsmiddelen af dat sprake is geweest van een bedreiging van [aangever 2] met een mes. De broer van verdachte heeft namelijk verklaard dat hij omstreeks 12.40 uur een mes bij verdachte heeft gezien, dat de kenmerken van een machete vertoonde. Aangever heeft het ook over een machete-gelijkend voorwerp. Het incident waarbij aangever [aangever 2] zou hebben bedreigd, vond plaats rond 12.45 uur, dat was na het moment waarop de broer van verdachte het mes bij verdachte heeft waargenomen. Bovendien heeft één van de anonieme getuigen ook verklaard dat degene die had geslagen, een mes pakte uit zijn broek/jaszak. Het verweer van verdachte dat verdachte het mes heeft afgepakt van aangever, vindt de rechtbank dan ook onaannemelijk en past niet bij de inhoud van de bewijsmiddelen, namelijk de aangifte, de verklaring van verdachtes broer en de weergave van de anonieme getuigenverklaringen. De rechtbank vindt - in tegenstelling tot het betoog van de verdediging - de verklaringen van de twee anonieme getuigen voldoende betrouwbaar om als bewijs te kunnen dienen. Hun verklaring past immers bij de verklaringen van aangever en [getuige 1] . Dat zij het mes niet precies weten te omschrijven, maakt hun verklaring nog niet onbetrouwbaar. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de bedreiging van [aangever 2] met een mes. Feit 4, vernieling wieldop/wiel Aangever [aangever 3] heeft verklaard dat hij op 30 september 2025 tussen 15.15 uur en 15.35 uur op de [adres] in [woonplaats] was voor een klus bij een woning. Hij reed in een opvallende bus van [bedrijf] ( [bedrijf] ). Op het moment dat hij met zijn bedrijfsbus achteruit reed en net stilstond, hoorde hij rechts van hem een hoop gescheld. Dit was een mannenstem. Binnen een aantal seconden hoorde aangever een klap tegen zijn werkbus en zag hij in zijn buitenspiegel aan de bijrijderszijde een steen wegrollen. Toen aangever door zijn raam keek zag hij een persoon staan voor perceelnummer 76 (aangever corrigeert dit later naar nummer [adres] ). De persoon keek aangever recht in zijn ogen aan en schreeuwde: “wat kijk je nou, wat kijk je mij aan”. De man is van zijn woning uit het trappenhuis gelopen en droeg op een gegeven moment een bivakmuts. De man rende naar de bedrijfsbus van aangever toe en rende achter hem aan. Ter hoogte van bakkerij [bakkerij] sloeg dezelfde man met beide handen tegen de rechter zijkant van de bus aan. [aangever 3] zag dat de bedrijfsbus schade heeft aan het wiel rechtsvoor. Er zat een gat in de kunststof wieldop van de velg. Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat zij op 30 september 2025 in de middag op de [adres] in [woonplaats] werkzaam was bij bakkerij [bakkerij] en daar een bedrijfsbus van [bedrijf] zag wegrijden. [getuige 3] hoorde een persoon heel hard schreeuwen. De persoon sloeg met twee handen tegen de passagierszijde van de bus aan. Hiervoor (bij de beoordeling van feit 2) is al naar voren gekomen dat de broer van verdachte, [getuige 2] , omstreeks 12.40 uur heeft gezien dat verdachte stenen aan het leggen was bij de voordeur van hun woning, de [adres] in [woonplaats] . Verdachte staat ingeschreven op dit adres. Verdachte is op 30 september 2025 aangehouden. Bij zijn aanhouding is een bivakmuts aangetroffen. Uit het vorenstaande leidt de rechtbank af dat verdachte degene is geweest die een steen heeft gegooid naar de bedrijfsbus van aangever en daarmee schade heeft toegebracht aan de bedrijfsbus. Vastgesteld kan worden dat een steen is gegooid vanaf het woonadres van verdachte, de [adres] in [woonplaats] . Daarnaast kan worden vastgesteld dat verdachte vlak voor het incident stenen heeft klaargelegd in de portiek van dat adres, wat door zijn broer is waargenomen. Aangever zag dat de persoon die de steen gooide een bivakmuts droeg.
Volledig
Dat gesproken wordt van slaan in plaats van grijpen is naar het oordeel van de rechtbank niet doorslaggevend omdat het door aangever ervaren geweld op het moment van het voorval ook als een klap kan zijn waargenomen. Er is hiermee voldoende wettig bewijs voor de tenlastegelegde poging tot afpersing. Uit dit wettige bewijs heeft de rechtbank bovendien de overtuiging gekregen dat verdachte daadwerkelijk heeft geprobeerd om met geweld aangever te dwingen tot het afstaan van zijn jas, met het doel zich de jas wederrechtelijk toe te eigenen. Die overtuiging haalt de rechtbank uit de het feit dat niet is gebleken dat er ten tijde van de gebeurtenis iemand anders dan verdachte en aangever aanwezig is geweest en het tijdverloop tussen de gebeurtenis en de aanhouding van verdachte kort is geweest. Gelet op de jonge leeftijd van de aangever en het feit dat hij, passend bij zijn leeftijd, gelijk zijn vader heeft gebeld om te vragen wat hij moest doen maakt dat de rechtbank zijn aangifte authentiek en betrouwbaar vindt. Feiten 2 en 3, mishandeling en bedreiging van [aangever 2] , op dat moment 17 jaar oud, heeft verklaard dat hij op 30 september 2025 omstreeks 12.45 uur samen met [getuige 1] naar de Albert Heijn in Doetinchem (in de buurt van de Swammerdamlaan) liep om lunch te kopen. Tegen 13.00 uur liep hij aan de zijkant van de Aldi toen hij merkte dat een man achter hem aan kwam lopen. De man rende op hem af en hij zei: “Wat doe je stoer, wat de kanker moet je?”. De man balde vervolgens zijn linker vuist en haalde met kracht uit. De man raakte hem stevig aan de rechterkant van zijn gezicht. De man haalde opnieuw uit en stompte hem vervolgens ook nog twee keer in zijn buik. De man ging hierna met zijn linkerhand in zijn linkerbroekzak en haalde daar een machete-gelijkend voorwerp uit. Het lemmet van het mes was ongeveer 20 centimeter. De man zei vervolgens: “kanker op”. [aangever 2] is vervolgens weggerend. Aangever had een licht gekneusd oor. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij samen met [aangever 2] van de Albert Heijn wegliep toen ze een jongen zagen lopen. [aangever 2] vertelde dat de jongen hen volgde. De jongen rende vervolgens naar [aangever 2] toe en hij schold [aangever 2] ook uit. De jongen begon [aangever 2] toen te slaan, met zijn linkerarm. De vuist van de jongen raakte de rechterkant van [aangever 2] zijn gezicht. De tweede klap was in zijn buik. Hij zei daarbij iets van “kankermongool, ga uit mijn kankerstraat”. [getuige 1] en [aangever 2] zijn vervolgens weggerend. De politie is op 30 september 2025 afgegaan op de melding van aangever [aangever 2] en heeft daar met twee personen gesproken die graag anoniem wilden blijven. De jongens kwamen aanfietsen en vroegen aan de agent of zij daar stonden in verband met het incident wat zich bij de [adres] had afgespeeld. Zij vertelden dat zij over die straat liepen en een man zagen lopen. De man was op aangever [aangever 2] afgelopen en hij gaf hem een vuistslag in zijn gezicht en daarna nog een paar klappen. Eén van de jongens gaf aan dat de man die geslagen had vervolgens zijn hand in zijn broek/jaszak stopte en hier een mes uithaalde. De andere jongen zei dat hij ook had gezien dat de man een mes had. De twee jongens zagen dat [aangever 2] en zijn vriend vervolgens hard zijn weggerend. Getuige [getuige 2] , de broer van verdachte, heeft verklaard dat hij omstreeks 12.40 uur werd gebeld door zijn moeder om te kijken bij zijn broer, verdachte. [getuige 2] zag verdachte bij de voordeur buiten staan. Hij was stenen neer aan het leggen bij de voordeur. [getuige 2] zag vervolgens dat verdachte een groot mes, lijkend op een machete, uit zijn rechter broekspijp haalde en deze vasthield. Het mes was ongeveer 30/40 cm groot. Verdachte gaf aan dat hij het mes bij zich had voor zijn eigen veiligheid. Verdachte liep vervolgens naar buiten. Verdachte heeft verklaard dat hij op 30 september 2025 om 12.45 uur in Doetinchem was. Hij heeft [aangever 2] een vuistslag in zijn gezicht gegeven en hij heeft hem vervolgens ook in zijn buik geslagen. Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen worden vastgesteld dat verdachte aangever [aangever 2] heeft mishandeld, door hem (meermalen) in zijn gezicht en buik te slaan.. Daarnaast leidt de rechtbank uit de bewijsmiddelen af dat sprake is geweest van een bedreiging van [aangever 2] met een mes. De broer van verdachte heeft namelijk verklaard dat hij omstreeks 12.40 uur een mes bij verdachte heeft gezien, dat de kenmerken van een machete vertoonde. Aangever heeft het ook over een machete-gelijkend voorwerp. Het incident waarbij aangever [aangever 2] zou hebben bedreigd, vond plaats rond 12.45 uur, dat was na het moment waarop de broer van verdachte het mes bij verdachte heeft waargenomen. Bovendien heeft één van de anonieme getuigen ook verklaard dat degene die had geslagen, een mes pakte uit zijn broek/jaszak. Het verweer van verdachte dat verdachte het mes heeft afgepakt van aangever, vindt de rechtbank dan ook onaannemelijk en past niet bij de inhoud van de bewijsmiddelen, namelijk de aangifte, de verklaring van verdachtes broer en de weergave van de anonieme getuigenverklaringen. De rechtbank vindt - in tegenstelling tot het betoog van de verdediging - de verklaringen van de twee anonieme getuigen voldoende betrouwbaar om als bewijs te kunnen dienen. Hun verklaring past immers bij de verklaringen van aangever en [getuige 1] . Dat zij het mes niet precies weten te omschrijven, maakt hun verklaring nog niet onbetrouwbaar. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de bedreiging van [aangever 2] met een mes. Feit 4, vernieling wieldop/wiel Aangever [aangever 3] heeft verklaard dat hij op 30 september 2025 tussen 15.15 uur en 15.35 uur op de [adres] in [woonplaats] was voor een klus bij een woning. Hij reed in een opvallende bus van [bedrijf] ( [bedrijf] ). Op het moment dat hij met zijn bedrijfsbus achteruit reed en net stilstond, hoorde hij rechts van hem een hoop gescheld. Dit was een mannenstem. Binnen een aantal seconden hoorde aangever een klap tegen zijn werkbus en zag hij in zijn buitenspiegel aan de bijrijderszijde een steen wegrollen. Toen aangever door zijn raam keek zag hij een persoon staan voor perceelnummer 76 (aangever corrigeert dit later naar nummer [adres] ). De persoon keek aangever recht in zijn ogen aan en schreeuwde: “wat kijk je nou, wat kijk je mij aan”. De man is van zijn woning uit het trappenhuis gelopen en droeg op een gegeven moment een bivakmuts. De man rende naar de bedrijfsbus van aangever toe en rende achter hem aan. Ter hoogte van bakkerij [bakkerij] sloeg dezelfde man met beide handen tegen de rechter zijkant van de bus aan. [aangever 3] zag dat de bedrijfsbus schade heeft aan het wiel rechtsvoor. Er zat een gat in de kunststof wieldop van de velg. Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat zij op 30 september 2025 in de middag op de [adres] in [woonplaats] werkzaam was bij bakkerij [bakkerij] en daar een bedrijfsbus van [bedrijf] zag wegrijden. [getuige 3] hoorde een persoon heel hard schreeuwen. De persoon sloeg met twee handen tegen de passagierszijde van de bus aan. Hiervoor (bij de beoordeling van feit 2) is al naar voren gekomen dat de broer van verdachte, [getuige 2] , omstreeks 12.40 uur heeft gezien dat verdachte stenen aan het leggen was bij de voordeur van hun woning, de [adres] in [woonplaats] . Verdachte staat ingeschreven op dit adres. Verdachte is op 30 september 2025 aangehouden. Bij zijn aanhouding is een bivakmuts aangetroffen. Uit het vorenstaande leidt de rechtbank af dat verdachte degene is geweest die een steen heeft gegooid naar de bedrijfsbus van aangever en daarmee schade heeft toegebracht aan de bedrijfsbus. Vastgesteld kan worden dat een steen is gegooid vanaf het woonadres van verdachte, de [adres] in [woonplaats] . Daarnaast kan worden vastgesteld dat verdachte vlak voor het incident stenen heeft klaargelegd in de portiek van dat adres, wat door zijn broer is waargenomen. Aangever zag dat de persoon die de steen gooide een bivakmuts droeg.
Volledig
Bij verdachte is bij zijn aanhouding, een uur na dit incident, een bivakmuts aangetroffen. Gelet hierop, alles in onderlinge samenhang bezien is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de vernieling. 3 De bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: 1. primair hij op of omstreeks 30 september 2025 te Doetinchem op de openbare weg, te weten de Turfweg, in ieder geval op of aan een openbare weg , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever 1] te dwingen tot de afgifte van een jas, in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan die die [aangever 1] en/of een derde toebehoorde (n) , heeft verdachte de nek, in ieder geval het bovenlichaam van die [aangever 1] heeft vastgepakt en/of vastgehouden en /of ( daarbij ) die [aangever 1] de woorden heeft toegevoegd: "Geef mij die kankerjas" althans woorden van gelijke dreigende en/of intimiderende aard en /of is verdachte ( vervolgens ) achter die [aangever 1] aangerend, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 2. hij op of omstreeks 30 september 2025 te Doetinchem [aangever 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling , door achter die [aangever 2] aan te lopen en /of ( vervolgens en /of op korte afstand ) die [aangever 2] een manchete / mes , althans een scherp en/of puntig voorwerp te tonen; 3. hij op of omstreeks 30 september 2025 te Doetinchem [aangever 2] heeft mishandeld, door die [aangever 2] een maal of meermalen tegen het hoofd en /of de buik , in ieder geval tegen het lichaam te stompen en/of te slaan; 4. hij op of omstreeks 30 september 2025 te Doetinchem opzettelijk en wederrechtelijk ( een wieldop van ) een wiel, in elk geval enig goed, dat/ die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [aangever 3] en/of [bedrijf] , toebehoorde, heeft vernield , beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt . Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: feit 1, primair: poging tot afpersing feit 2: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht feit 3: mishandeling feit 4: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen 5 De strafbaarheid van de feiten De feiten zijn strafbaar. 6 De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen, waarvan 32 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, en voorts tot het verrichten van 60 uren werkstraf subsidiair 30 dagen hechtenis met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Verzocht wordt de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf langer dan het voorarrest niet passend is, gelet op de adviezen van de deskundigen. De focus dient nu te liggen op behandeling. Een werkstraf is daarom ook niet passend. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte. Ernst van het feit Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot afpersing. Verdachte heeft geprobeerd een minderjarige jongen met geweld zijn jas afhandig te maken. Daarnaast heeft hij een andere minderjarige jongen mishandeld en bedreigd en heeft hij een wieldop van een wiel vernield van het bedrijf [bedrijf] . Verdachte heeft door te handelen zoals is bewezen verklaard ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van aangevers. Voor de slachtoffers, die verdachte niet kenden, zijn het angstaanjagende momenten geweest. Daarnaast getuigt verdachtes handelen van weinig respect voor andermans bezittingen. Vernieling is een ergerlijk en overlastgevend feit waarmee verdachte bovendien schade heeft veroorzaakt voor aangever. Verdachte heeft voor de poging tot afpersing, de bedreiging en de vernieling geen verantwoordelijkheid genomen. De rechtbank rekent hem dit aan. Persoon van verdachte De rechtbank neemt in aanmerking dat uit het uittreksel van de Justitiële Documentatie (strafblad) van 5 maart 2026 blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor een mishandeling en een bedreiging. De rechtbank heeft verder kennisgenomen van de rapportage van psychologen A. Soetendaal en F. Scholten (PJ-rapport NIFP) van 29 januari 2026. Uit de rapportage volgt dat bij verdachte sprake is van een autismespectrumstoornis (ASS) en een andere gespecificeerde psychotrauma- of stressor-gerelateerde stoornis. Deze problematiek heeft de gedragskeuzes van betrokkene beïnvloed. Geadviseerd wordt om de feiten in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. De deskundigen zien een matig-hoog risico op vergelijkbaar gewelddadig gedrag indien er geen adequate behandeling plaatsvindt. Hoewel verdachte in de kern geen agressieve of kwaadwillende jongeman is, brengen zijn onvermogens hem gemakkelijk in situaties die uitlopen op fysiek agressieve escalaties. Vanuit de beschreven problematiek beschikt hij over onvoldoende vaardigheden op het gebied van emotie- en impulsregulatie, alsook oplossingsvaardigheden terwijl hij deze juist nodig heeft om tegenwicht te kunnen bieden tegen het vijandige wereldbeeld dat hij door zijn eerdere traumatische ervaringen heeft opgebouwd. In het kader van recidivevermindering wordt een behandeling geadviseerd. Deze moet zich richten op de traumagerelateerde klachten, alsook het beter leren omgaan met de beperkingen voortkomend uit ASS. Geadviseerd wordt deze behandeling intensief ambulant vorm te geven, binnen een (deels) voorwaardelijk strafdeel. De reclassering heeft in haar rapport van 2 maart 2026 geschreven dat uit hun onderzoek blijkt dat zowel de moeder van verdachte als hijzelf al langere tijd om hulp en behandeling vroegen, maar dat dit onvoldoende van de grond kwam. Hierdoor konden de spanningen voor langere tijd oplopen. De reclassering ziet beschermende factoren. Sinds zijn schorsing gaat het thuis beter met verdachte. Zijn moeder heeft aangegeven dat hij voorlopig thuis kan blijven wonen. Hij houdt zich aan de gestelde (schorsings)voorwaarden, is abstinent van middelen en toont zich gemotiveerd voor behandeling. Hij heeft afstand genomen van negatieve sociale contacten en zoekt meer aansluiting bij zijn familie, zijn huidige vriendin en haar omgeving. Verdachte geeft aan dat zijn detentie een moment van inkeer is geweest. Hij wil zijn leven beteren en toewerken naar maatschappelijk aanvaardbare doelen zoals het realiseren van werk en op termijn eigen huisvesting met begeleiding. In de schorsing is ingezet op begeleiding vanuit de jeugdreclassering. Gelet op het NIFP-advies, de onderliggende problematiek van verdachte en dat intensieve ambulante therapeutische behandeling noodzakelijk is, is de reclassering overgegaan tot een plan van aanpak binnen dit kader.
Volledig
Bij verdachte is bij zijn aanhouding, een uur na dit incident, een bivakmuts aangetroffen. Gelet hierop, alles in onderlinge samenhang bezien is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de vernieling. 3 De bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: 1. primair hij op of omstreeks 30 september 2025 te Doetinchem op de openbare weg, te weten de Turfweg, in ieder geval op of aan een openbare weg , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever 1] te dwingen tot de afgifte van een jas, in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan die die [aangever 1] en/of een derde toebehoorde (n) , heeft verdachte de nek, in ieder geval het bovenlichaam van die [aangever 1] heeft vastgepakt en/of vastgehouden en /of ( daarbij ) die [aangever 1] de woorden heeft toegevoegd: "Geef mij die kankerjas" althans woorden van gelijke dreigende en/of intimiderende aard en /of is verdachte ( vervolgens ) achter die [aangever 1] aangerend, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 2. hij op of omstreeks 30 september 2025 te Doetinchem [aangever 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling , door achter die [aangever 2] aan te lopen en /of ( vervolgens en /of op korte afstand ) die [aangever 2] een manchete / mes , althans een scherp en/of puntig voorwerp te tonen; 3. hij op of omstreeks 30 september 2025 te Doetinchem [aangever 2] heeft mishandeld, door die [aangever 2] een maal of meermalen tegen het hoofd en /of de buik , in ieder geval tegen het lichaam te stompen en/of te slaan; 4. hij op of omstreeks 30 september 2025 te Doetinchem opzettelijk en wederrechtelijk ( een wieldop van ) een wiel, in elk geval enig goed, dat/ die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [aangever 3] en/of [bedrijf] , toebehoorde, heeft vernield , beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt . Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: feit 1, primair: poging tot afpersing feit 2: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht feit 3: mishandeling feit 4: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen 5 De strafbaarheid van de feiten De feiten zijn strafbaar. 6 De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen, waarvan 32 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, en voorts tot het verrichten van 60 uren werkstraf subsidiair 30 dagen hechtenis met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Verzocht wordt de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf langer dan het voorarrest niet passend is, gelet op de adviezen van de deskundigen. De focus dient nu te liggen op behandeling. Een werkstraf is daarom ook niet passend. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte. Ernst van het feit Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot afpersing. Verdachte heeft geprobeerd een minderjarige jongen met geweld zijn jas afhandig te maken. Daarnaast heeft hij een andere minderjarige jongen mishandeld en bedreigd en heeft hij een wieldop van een wiel vernield van het bedrijf [bedrijf] . Verdachte heeft door te handelen zoals is bewezen verklaard ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van aangevers. Voor de slachtoffers, die verdachte niet kenden, zijn het angstaanjagende momenten geweest. Daarnaast getuigt verdachtes handelen van weinig respect voor andermans bezittingen. Vernieling is een ergerlijk en overlastgevend feit waarmee verdachte bovendien schade heeft veroorzaakt voor aangever. Verdachte heeft voor de poging tot afpersing, de bedreiging en de vernieling geen verantwoordelijkheid genomen. De rechtbank rekent hem dit aan. Persoon van verdachte De rechtbank neemt in aanmerking dat uit het uittreksel van de Justitiële Documentatie (strafblad) van 5 maart 2026 blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor een mishandeling en een bedreiging. De rechtbank heeft verder kennisgenomen van de rapportage van psychologen A. Soetendaal en F. Scholten (PJ-rapport NIFP) van 29 januari 2026. Uit de rapportage volgt dat bij verdachte sprake is van een autismespectrumstoornis (ASS) en een andere gespecificeerde psychotrauma- of stressor-gerelateerde stoornis. Deze problematiek heeft de gedragskeuzes van betrokkene beïnvloed. Geadviseerd wordt om de feiten in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. De deskundigen zien een matig-hoog risico op vergelijkbaar gewelddadig gedrag indien er geen adequate behandeling plaatsvindt. Hoewel verdachte in de kern geen agressieve of kwaadwillende jongeman is, brengen zijn onvermogens hem gemakkelijk in situaties die uitlopen op fysiek agressieve escalaties. Vanuit de beschreven problematiek beschikt hij over onvoldoende vaardigheden op het gebied van emotie- en impulsregulatie, alsook oplossingsvaardigheden terwijl hij deze juist nodig heeft om tegenwicht te kunnen bieden tegen het vijandige wereldbeeld dat hij door zijn eerdere traumatische ervaringen heeft opgebouwd. In het kader van recidivevermindering wordt een behandeling geadviseerd. Deze moet zich richten op de traumagerelateerde klachten, alsook het beter leren omgaan met de beperkingen voortkomend uit ASS. Geadviseerd wordt deze behandeling intensief ambulant vorm te geven, binnen een (deels) voorwaardelijk strafdeel. De reclassering heeft in haar rapport van 2 maart 2026 geschreven dat uit hun onderzoek blijkt dat zowel de moeder van verdachte als hijzelf al langere tijd om hulp en behandeling vroegen, maar dat dit onvoldoende van de grond kwam. Hierdoor konden de spanningen voor langere tijd oplopen. De reclassering ziet beschermende factoren. Sinds zijn schorsing gaat het thuis beter met verdachte. Zijn moeder heeft aangegeven dat hij voorlopig thuis kan blijven wonen. Hij houdt zich aan de gestelde (schorsings)voorwaarden, is abstinent van middelen en toont zich gemotiveerd voor behandeling. Hij heeft afstand genomen van negatieve sociale contacten en zoekt meer aansluiting bij zijn familie, zijn huidige vriendin en haar omgeving. Verdachte geeft aan dat zijn detentie een moment van inkeer is geweest. Hij wil zijn leven beteren en toewerken naar maatschappelijk aanvaardbare doelen zoals het realiseren van werk en op termijn eigen huisvesting met begeleiding. In de schorsing is ingezet op begeleiding vanuit de jeugdreclassering. Gelet op het NIFP-advies, de onderliggende problematiek van verdachte en dat intensieve ambulante therapeutische behandeling noodzakelijk is, is de reclassering overgegaan tot een plan van aanpak binnen dit kader.
Volledig
De reclassering adviseert toepassing van het volwassenenstrafrecht en een (deels) voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht, een ambulante behandeling door een forensische polikliniek van GGNet De Boog of een soortgelijke zorgverlener, gericht op traumaverwerking, psycho-educatie en het vergroten van zijn vaardigheden, een verbod op het gebruik van verdovende middelen, het volgen van dagbesteding en ambulante begeleiding door Forensisch Ambulant van het Leger des Heils of een soortgelijke behandelinstelling. In de rapportages is helder en afdoende gemotiveerd hoe de deskundigen tot hun conclusies zijn gekomen. De rechtbank neemt de conclusies daarom over en maakt die tot de hare. Dit brengt mee dat de rechtbank de ten laste gelegde feiten in verminderde mate aan verdachte zal toerekenen. De op te leggen straf De rechtbank houdt rekening met straffen die in vergelijkbare gevallen door rechters worden opgelegd. Verdachte heeft zich onder meer schuldig gemaakt aan een poging tot afpersing en een bedreiging met een wapen. Dat zijn feiten waar doorgaans forse (onvoorwaardelijke) gevangenisstraffen voor worden opgelegd. Verdachte heeft 28 dagen in voorarrest gezeten. De rechtbank vindt het gelet op de aanwezige stoornissen en de persoon van verdachte van belang dat verdachte de juiste hulp krijgt in plaats van dat hij opnieuw naar de gevangenis gaat. In het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis is de behandeling al gestart. De rechtbank zal daarom aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen langer dan de reeds ondergane tijd in voorarrest. De rechtbank acht, alles afwegend, waaronder ook de relatief jonge leeftijd van verdachte, de gevorderde gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen waarvan 32 dagen voorwaardelijk passend, met aftrek van het voorarrest en met de voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, met een proeftijd van drie jaren. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte, gelet op de ernst en hoeveelheid van de feiten, een taakstraf opleggen voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis. Het verzoek van de officier van justitie om de bijzondere voorwaarden en het reclasseringstoezicht daarop dadelijk uitvoerbaar te verklaren wordt afgewezen, nu er sinds de schorsing geen concrete aanwijzingen zijn dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. 8 De beoordeling van de civiele vorderingen Vordering [aangever 2] De benadeelde partij [aangever 2] heeft in verband met feiten 2 en 3 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 183,97 aan materiële schade en € 800,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. Standpunten De officier van justitie heeft zich ten aanzien van [aangever 2] op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard. Subsidiair is gevraagd het toe te wijzen bedrag sterk te matigen. De materiële kosten betreffen schadeposten die niet door [aangever 2] zelf zijn gemaakt, maar door zijn ouders. De vordering is gebaseerd op artikel 6:107 BW, maar dat artikel is alleen van toepassing op ‘verplaatste schade’, waarvan hier geen sprake is. De benadeelde heeft bij de immateriële schade de mishandeling en de bedreiging opgeteld en is zo tot een bedrag gekomen, maar dat is niet in overeenstemming met de praktijk. Niet volgt uit objectieve bronnen dat sprake is van een aantasting van zijn persoon. Overweging van de rechtbank Materiële schade Uit de vordering volgt dat de ouders van de benadeelde partij 27 uren aan verlof hebben moeten opnemen en dat zij voor het verlies van deze verlofuren een tegemoetkoming willen. Zij hebben dit opgevoerd als verplaatste schade voor een bedrag van € 183,87. Naar het oordeel van de rechtbank zijn dit geen kosten die het slachtoffer zelf had kunnen maken. Deze kosten betreffen dus geen voor vergoeding in aanmerking komende verplaatste schade zoals bedoeld in artikel 6:107 BW. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard voor dit onderdeel van de vordering. Immateriële schade Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en wat verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. Benadeelde is immers op zijn gezicht en in zijn buik geslagen en heeft daardoor lichamelijk letsel opgelopen, te weten een kneuzing van het oor. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank zal dit letsel als licht letsel vaststellen en houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 150,- vaststellen. Verdachte is vanaf 30 september 2025 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd. De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen. De benadeelde partij zal voor het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Vordering [aangever 3] / [bedrijf] De benadeelde partij [aangever 3] / [bedrijf] heeft in verband met feit 4 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 475,- aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. Standpunten De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard, omdat uit de stukken niet blijkt dat [aangever 3] de wettelijke vertegenwoordiger is van het bedrijf [bedrijf] . Een machtiging ontbreekt. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu niet kan worden vastgesteld dat [aangever 3] vertegenwoordigingsbevoegd is om de vordering in te dienen. Overweging van de rechtbank De rechtbank constateert dat de vordering van de benadeelde partij [bedrijf] is ondertekend door [aangever 3] , maar dat een schriftelijke machtiging of een ander stuk waaruit de vertegenwoordigingsbevoegdheid van [aangever 3] blijkt ontbreekt. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De vordering kan nog bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. 9 De toegepaste wettelijke bepalingen De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14c, 14c, 22c, 22d, 36f, 45, 57, 285, 300, 317 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
Volledig
De reclassering adviseert toepassing van het volwassenenstrafrecht en een (deels) voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht, een ambulante behandeling door een forensische polikliniek van GGNet De Boog of een soortgelijke zorgverlener, gericht op traumaverwerking, psycho-educatie en het vergroten van zijn vaardigheden, een verbod op het gebruik van verdovende middelen, het volgen van dagbesteding en ambulante begeleiding door Forensisch Ambulant van het Leger des Heils of een soortgelijke behandelinstelling. In de rapportages is helder en afdoende gemotiveerd hoe de deskundigen tot hun conclusies zijn gekomen. De rechtbank neemt de conclusies daarom over en maakt die tot de hare. Dit brengt mee dat de rechtbank de ten laste gelegde feiten in verminderde mate aan verdachte zal toerekenen. De op te leggen straf De rechtbank houdt rekening met straffen die in vergelijkbare gevallen door rechters worden opgelegd. Verdachte heeft zich onder meer schuldig gemaakt aan een poging tot afpersing en een bedreiging met een wapen. Dat zijn feiten waar doorgaans forse (onvoorwaardelijke) gevangenisstraffen voor worden opgelegd. Verdachte heeft 28 dagen in voorarrest gezeten. De rechtbank vindt het gelet op de aanwezige stoornissen en de persoon van verdachte van belang dat verdachte de juiste hulp krijgt in plaats van dat hij opnieuw naar de gevangenis gaat. In het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis is de behandeling al gestart. De rechtbank zal daarom aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen langer dan de reeds ondergane tijd in voorarrest. De rechtbank acht, alles afwegend, waaronder ook de relatief jonge leeftijd van verdachte, de gevorderde gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen waarvan 32 dagen voorwaardelijk passend, met aftrek van het voorarrest en met de voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, met een proeftijd van drie jaren. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte, gelet op de ernst en hoeveelheid van de feiten, een taakstraf opleggen voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis. Het verzoek van de officier van justitie om de bijzondere voorwaarden en het reclasseringstoezicht daarop dadelijk uitvoerbaar te verklaren wordt afgewezen, nu er sinds de schorsing geen concrete aanwijzingen zijn dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. 8 De beoordeling van de civiele vorderingen Vordering [aangever 2] De benadeelde partij [aangever 2] heeft in verband met feiten 2 en 3 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 183,97 aan materiële schade en € 800,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. Standpunten De officier van justitie heeft zich ten aanzien van [aangever 2] op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard. Subsidiair is gevraagd het toe te wijzen bedrag sterk te matigen. De materiële kosten betreffen schadeposten die niet door [aangever 2] zelf zijn gemaakt, maar door zijn ouders. De vordering is gebaseerd op artikel 6:107 BW, maar dat artikel is alleen van toepassing op ‘verplaatste schade’, waarvan hier geen sprake is. De benadeelde heeft bij de immateriële schade de mishandeling en de bedreiging opgeteld en is zo tot een bedrag gekomen, maar dat is niet in overeenstemming met de praktijk. Niet volgt uit objectieve bronnen dat sprake is van een aantasting van zijn persoon. Overweging van de rechtbank Materiële schade Uit de vordering volgt dat de ouders van de benadeelde partij 27 uren aan verlof hebben moeten opnemen en dat zij voor het verlies van deze verlofuren een tegemoetkoming willen. Zij hebben dit opgevoerd als verplaatste schade voor een bedrag van € 183,87. Naar het oordeel van de rechtbank zijn dit geen kosten die het slachtoffer zelf had kunnen maken. Deze kosten betreffen dus geen voor vergoeding in aanmerking komende verplaatste schade zoals bedoeld in artikel 6:107 BW. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard voor dit onderdeel van de vordering. Immateriële schade Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en wat verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. Benadeelde is immers op zijn gezicht en in zijn buik geslagen en heeft daardoor lichamelijk letsel opgelopen, te weten een kneuzing van het oor. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank zal dit letsel als licht letsel vaststellen en houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 150,- vaststellen. Verdachte is vanaf 30 september 2025 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd. De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen. De benadeelde partij zal voor het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Vordering [aangever 3] / [bedrijf] De benadeelde partij [aangever 3] / [bedrijf] heeft in verband met feit 4 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 475,- aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. Standpunten De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard, omdat uit de stukken niet blijkt dat [aangever 3] de wettelijke vertegenwoordiger is van het bedrijf [bedrijf] . Een machtiging ontbreekt. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu niet kan worden vastgesteld dat [aangever 3] vertegenwoordigingsbevoegd is om de vordering in te dienen. Overweging van de rechtbank De rechtbank constateert dat de vordering van de benadeelde partij [bedrijf] is ondertekend door [aangever 3] , maar dat een schriftelijke machtiging of een ander stuk waaruit de vertegenwoordigingsbevoegdheid van [aangever 3] blijkt ontbreekt. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De vordering kan nog bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. 9 De toegepaste wettelijke bepalingen De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14c, 14c, 22c, 22d, 36f, 45, 57, 285, 300, 317 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
Volledig
10 De beslissing De rechtbank: verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij; verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’; verklaart verdachte hiervoor strafbaar; veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 (zestig) dagen ; bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf , te weten 32 (tweeëndertig) dagen , niet ten uitvoer zal worden gelegd , tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren niet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden: stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; stelt als bijzondere voorwaarden: - Meldplicht bij reclassering Verdachte moet zich na de rechtszitting binnen drie werkdagen tussen 13:00 en 15:00 uur melden bij het Leger des Heils Reclassering op het volgende adres: Van Pallandtstraat 11, 6814 GM te Arnhem, of hiertoe via telefoonnummer 026-4430146 een afspraak maken. Hierna moet hij zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht en zich houden aan de aanwijzingen vanuit de reclassering. - Ambulante behandeling Verdachte laat zich gedurende de proeftijd behandelen door de forensische polikliniek van GGNet De Boog of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zo snel mogelijk. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op gericht op traumaverwerking, psycho-educatie en het vergroten van zijn vaardigheden. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. - Verbod verdovende middelen Verdachte gebruikt gedurende de proeftijd geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) in de Opiumwet, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Indien de reclassering het nodig acht moet verdachte gedurende de proeftijd meewerken aan urinecontroles. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd. - Dagbesteding Verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van een zinvolle dagbesteding in de vorm van (vrijwilligers)werk, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag. - Ambulante begeleiding Verdachte laat zich ambulant begeleiden door Forensisch Ambulant van het Leger des Heils, of soortgelijke ambulante behandelinstelling, te bepalen door de reclassering, en houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen vanuit de ambulant begeleider. Geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat verdachte: meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen; meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt; beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht; legt op een taakstraf van 40 (veertig) uren , met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 20 (twintig) dagen . Vorderingen benadeelde partijen Vordering [aangever 2] veroordeelt verdachte in verband met het feit onder nummer 3 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever 2] van € 150,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 september 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald; veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul; verklaart de benadeelde partij [aangever 2] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade/immateriële schade; legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever 2] , een bedrag te betalen van € 150,- aan immateriële schade. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 september 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kan 1 dag gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt; bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd; Vordering [aangever 3] / [bedrijf] verklaart de benadeelde partij [aangever 3] / [bedrijf] niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade. Dit vonnis is gewezen door Y. Rikken (voorzitter), mr. M.E. Snijders en mr. J.M. Breimer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A. Teger, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 maart 2026. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025473189, gesloten op 2 oktober 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Proces-verbaal van aangifte door [aangever 1] , p. 54-55. Proces-verbaal van aanhouding, p. 61-62. Proces-verbaal van bevindingen, p. 68. Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 86. Proces-verbaal van aangifte, p. 7-8. Bijlage 2 bij het verzoek tot schadevergoeding (informatie huisarts d.d. 1 1 oktober 2025). Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 10-13. Proces-verbaal van bevindingen, p. 18-19. Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 57. Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 13 maart 2026. Proces-verbaal van aangifte door [aangever 3] , p. 40-46; proces-verbaal van bevindingen, p. 50. Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] , p. 47. Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 57; proces-verbaal van bevindingen, p. 52. Proces-verbaal van bevindingen, p. 62-64.
Volledig
10 De beslissing De rechtbank: verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij; verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’; verklaart verdachte hiervoor strafbaar; veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 (zestig) dagen ; bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf , te weten 32 (tweeëndertig) dagen , niet ten uitvoer zal worden gelegd , tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren niet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden: stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; stelt als bijzondere voorwaarden: - Meldplicht bij reclassering Verdachte moet zich na de rechtszitting binnen drie werkdagen tussen 13:00 en 15:00 uur melden bij het Leger des Heils Reclassering op het volgende adres: Van Pallandtstraat 11, 6814 GM te Arnhem, of hiertoe via telefoonnummer 026-4430146 een afspraak maken. Hierna moet hij zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht en zich houden aan de aanwijzingen vanuit de reclassering. - Ambulante behandeling Verdachte laat zich gedurende de proeftijd behandelen door de forensische polikliniek van GGNet De Boog of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zo snel mogelijk. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op gericht op traumaverwerking, psycho-educatie en het vergroten van zijn vaardigheden. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. - Verbod verdovende middelen Verdachte gebruikt gedurende de proeftijd geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) in de Opiumwet, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Indien de reclassering het nodig acht moet verdachte gedurende de proeftijd meewerken aan urinecontroles. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd. - Dagbesteding Verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van een zinvolle dagbesteding in de vorm van (vrijwilligers)werk, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag. - Ambulante begeleiding Verdachte laat zich ambulant begeleiden door Forensisch Ambulant van het Leger des Heils, of soortgelijke ambulante behandelinstelling, te bepalen door de reclassering, en houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen vanuit de ambulant begeleider. Geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat verdachte: meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen; meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt; beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht; legt op een taakstraf van 40 (veertig) uren , met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 20 (twintig) dagen . Vorderingen benadeelde partijen Vordering [aangever 2] veroordeelt verdachte in verband met het feit onder nummer 3 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever 2] van € 150,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 september 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald; veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul; verklaart de benadeelde partij [aangever 2] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade/immateriële schade; legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever 2] , een bedrag te betalen van € 150,- aan immateriële schade. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 september 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kan 1 dag gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt; bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd; Vordering [aangever 3] / [bedrijf] verklaart de benadeelde partij [aangever 3] / [bedrijf] niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade. Dit vonnis is gewezen door Y. Rikken (voorzitter), mr. M.E. Snijders en mr. J.M. Breimer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A. Teger, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 maart 2026. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025473189, gesloten op 2 oktober 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Proces-verbaal van aangifte door [aangever 1] , p. 54-55. Proces-verbaal van aanhouding, p. 61-62. Proces-verbaal van bevindingen, p. 68. Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 86. Proces-verbaal van aangifte, p. 7-8. Bijlage 2 bij het verzoek tot schadevergoeding (informatie huisarts d.d. 1 1 oktober 2025). Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 10-13. Proces-verbaal van bevindingen, p. 18-19. Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 57. Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 13 maart 2026. Proces-verbaal van aangifte door [aangever 3] , p. 40-46; proces-verbaal van bevindingen, p. 50. Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] , p. 47. Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 57; proces-verbaal van bevindingen, p. 52. Proces-verbaal van bevindingen, p. 62-64.