Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2026-04-09
ECLI:NL:RBGEL:2026:2666
Civiel recht; Arbeidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
8,099 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:2666 text/xml public 2026-04-29T10:23:46 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-04-09 12026785 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Nijmegen Civiel recht; Arbeidsrecht Rechtspraak.nl VAAN-AR-Updates.nl 2026-0640 AR-Updates.nl 2026-0640 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2666 text/html public 2026-04-22T11:16:25 2026-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:2666 Rechtbank Gelderland , 09-04-2026 / 12026785 Ontslag op staande voet is niet rechtsgeldig gegeven, omdat de dringende reden niet onverwijld aan de werknemer is medegedeeld. Werknemer heeft recht op de gefixeerde schadevergoeding, transitievergoeding en billijke vergoeding. Werknemer heeft geen recht op de aanzegvergoeding. RECHTBANK GELDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Nijmegen Zaaknummer / rekestnummer: 12026785 \ HA VERZ 25-91 Beschikking van 9 april 2026 in de zaak van [naam verzoeker] , te [woonplaats] , verzoekende partij, hierna te noemen: [de verzoeker] , gemachtigde: mr. P.H.J. Nass, procederende krachtens toevoegingsnummer 1KW8824 tegen [naam verweerder] , HANDELEND ONDER DE NAAM [naam verwerend bedrijf] , te [woonplaats] , verwerende partij, hierna te noemen: [de verweerder] , niet verschenen. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift van 19 december 2025 met producties 1 tot en met 6; - proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 5 februari 2026, waarbij is bepaald dat krachtens het bepaalde in artikel 272 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) de juiste belanghebbende moet worden opgeroepen; - het herstelverzoekschrift van 11 februari 2026 met producties 1 tot en met 11; - de mondelinge behandeling van 26 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.2. De deurwaarder heeft in opdracht van [de verzoeker] het herstelverzoekschrift en de oproeping van 5 februari 2026 voor de mondelinge behandeling op 26 maart 2026 op het adres van [de verweerder] betekend. [de verweerder] is desondanks niet in de procedure verschenen. 1.3. Ten slotte is beschikking bepaald. 2 Het verzoek en de onderbouwing daarvan 2.1. [de verzoeker] verzoekt – samengevat – de kantonrechter bij beschikking, indien en voor zover uitvoerbaar bij voorraad: I. [de verweerder] te veroordelen om aan hem een gefixeerde schadevergoeding te betalen van € 5.564,73 bruto, dan wel een vergoeding door de kantonrechter in goede justitie te bepalen; II. [de verweerder] te veroordelen aan hem de transitievergoeding te betalen van € 652,86 bruto, dan wel een vergoeding door de kantonrechter in goede justitie te bepalen; III. [de verweerder] te veroordelen om aan hem een billijke vergoeding te betalen van € 3.895,82 bruto, dan wel een vergoeding door de kantonrechter in goede justitie te bepalen; IV. [de verweerder] te veroordelen om aan hem een (aanzeg)vergoeding te betalen van € 3.895,82 bruto, dan wel een (aanzeg)vergoeding door de kantonrechter in goede justitie te bepalen; V. [de verweerder] te veroordelen om aan hem de eindafrekening te betalen, waaronder het vakantiegeld, openstaande vakantiedagen en overige emolumenten; VI. op het totaalbedrag van de bedragen, zoals genoemd onder I tot en met V, het reeds door [de verweerder] betaalde bedrag van € 2.370,69 netto in mindering te brengen; VII. [de verweerder] te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over de bedragen zoals genoemd onder I, II, III, IV, en V vanaf 22 oktober 2025, althans de datum van indiening van dit verzoekschrift, althans een datum door de kantonrechter in goede justitie te bepalen; VIII. [de verweerder] te veroordelen om binnen 24 uur na betekening van de in deze te wijzen beschikking een deugdelijke loonspecificatie (bruto-netto) te verstrekken over de loonperiode oktober tot en met november 2025, alsmede van de uit te betalen eindafrekening en de genoemde vergoedingen, op straffe van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag of gedeelte van de dag dat [de verweerder] niet aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 25.000,00; IX. [de verweerder] te veroordelen in de buitengerechtelijke kosten van € 1.107,26, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 november 2025, althans de datum van indiening van het verzoekschrift, althans een datum door de kantonrechter in goede justitie te bepalen; X. [de verweerder] te veroordelen in de kosten van deze procedure met inbegrip van de nakosten, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van de beschikking, en – voor het geval voldoening van de proceskosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf de bedoelde termijn voor voldoening. 2.2. [de verzoeker] legt aan zijn verzoek ten grondslag dat [de verweerder] hem niet rechtsgeldig op staande voet heeft ontslagen, omdat aan hem geen dringende en geldige reden is gegeven voor het ontslag. [de verzoeker] verzoekt dan ook om de gefixeerde schadevergoeding, transitievergoeding, aanzegvergoeding een billijke vergoeding. 2.3. Van [de verweerder] is niet in rechte verschenen en heeft geen verweer gevoerd. 3 De beoordeling 3.1. [de verzoeker] heeft, gelet op het proces-verbaal van 5 februari 2026 en in lijn met artikel 3.3.7 van het “ landelijk procesreglement verzoekschriftprocedures rechtbanken: kanton, handel en voorzieningenrechter” , het herstelverzoek en de oproeping voor de mondelinge behandeling per deurwaardersexploot aan [de verweerder] laten betekenen. Gelet daarop moet ervan uit worden gegaan dat [de verweerder] voldoende in de gelegenheid is gesteld om verweer te voeren, maar kennelijk om zijn moverende redenen niet is verschenen in de procedure en ervoor heeft gekozen om geen verweer te voeren. Daaraan wordt het gevolg verbonden dat moet worden uitgegaan van de juistheid van de door [de verzoeker] naar voren gebrachte feiten. Ontslag op staande voet 3.2. Kern van het geschil betreft de vraag of [de verweerder] bevoegd was de arbeidsovereenkomst met [de verzoeker] op 22 oktober 2025, dan wel 30 oktober 2025 krachtens het bepaalde in artikel 7:677 lid 1 BW onverwijld op te zeggen. Daarnaast moet onverwijld mededeling zijn gedaan van de reden van de opzegging wegens een dringende reden. [de verzoeker] heeft onweersproken gesteld dat hij op 22 oktober 2025 via WhatsApp een bericht van [de verweerder] heeft ontvangen dat hij niet meer hoeft te komen werken en dat de bus opgehaald zal worden. [de verzoeker] heeft diezelfde dag gereageerd dat hij niet akkoord ging met deze beëindiging van de arbeidsovereenkomst. In de loonstrook over oktober 2025 wordt 22 oktober 2025 als uitdiensttredingsdatum genoemd. Pas op 30 oktober 2025 reageert [de verweerder] per WhatsApp-bericht dat [de verzoeker] per direct is ontslagen. 3.3. De kantonrechter kwalificeert het voorgaande als een opzegging van de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang (een ontslag op staande voet). Als einddatum merkt de kantonrechter 22 oktober 2025 aan, omdat [de verzoeker] dat onweersproken heeft opgevat als ontslagdatum. Dat ligt ook in de rede, omdat per die datum de salarisbetaling stopt, [de verzoeker] niet meer werd toegelaten of opgeroepen om zijn werk uit te voeren en hij vanaf die datum geen loon meer heeft ontvangen. [de verweerder] heeft bij deze opzegging niet aangegeven wat de dringende reden voor het ontslag op staande voet is. Het gegeven ontslag op staande voet is alleen om die reden al niet rechtsgeldig, omdat niet onverwijld de dringende reden aan [de verzoeker] is medegedeeld. Gefixeerde schadevergoeding 3.4. [de verzoeker] heeft, nu geen sprake is van een rechtsgeldig ontslag op staande voet, recht op een gefixeerde schadevergoeding. Immers, vast staat dat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd reeds door tijdsverloop is geëindigd en niet (meer) kan worden hersteld. Dit betekent dat, nu [de verzoeker] zonder dringende reden de arbeidsovereenkomst heeft beëindigd per 22 oktober 2025, [de verweerder] de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd zonder een opzegtermijn in acht te nemen.
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:2666 text/xml public 2026-04-29T10:23:46 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-04-09 12026785 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Nijmegen Civiel recht; Arbeidsrecht Rechtspraak.nl VAAN-AR-Updates.nl 2026-0640 AR-Updates.nl 2026-0640 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2666 text/html public 2026-04-22T11:16:25 2026-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:2666 Rechtbank Gelderland , 09-04-2026 / 12026785 Ontslag op staande voet is niet rechtsgeldig gegeven, omdat de dringende reden niet onverwijld aan de werknemer is medegedeeld. Werknemer heeft recht op de gefixeerde schadevergoeding, transitievergoeding en billijke vergoeding. Werknemer heeft geen recht op de aanzegvergoeding. RECHTBANK GELDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Nijmegen Zaaknummer / rekestnummer: 12026785 \ HA VERZ 25-91 Beschikking van 9 april 2026 in de zaak van [naam verzoeker] , te [woonplaats] , verzoekende partij, hierna te noemen: [de verzoeker] , gemachtigde: mr. P.H.J. Nass, procederende krachtens toevoegingsnummer 1KW8824 tegen [naam verweerder] , HANDELEND ONDER DE NAAM [naam verwerend bedrijf] , te [woonplaats] , verwerende partij, hierna te noemen: [de verweerder] , niet verschenen. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift van 19 december 2025 met producties 1 tot en met 6; - proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 5 februari 2026, waarbij is bepaald dat krachtens het bepaalde in artikel 272 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) de juiste belanghebbende moet worden opgeroepen; - het herstelverzoekschrift van 11 februari 2026 met producties 1 tot en met 11; - de mondelinge behandeling van 26 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.2. De deurwaarder heeft in opdracht van [de verzoeker] het herstelverzoekschrift en de oproeping van 5 februari 2026 voor de mondelinge behandeling op 26 maart 2026 op het adres van [de verweerder] betekend. [de verweerder] is desondanks niet in de procedure verschenen. 1.3. Ten slotte is beschikking bepaald. 2 Het verzoek en de onderbouwing daarvan 2.1. [de verzoeker] verzoekt – samengevat – de kantonrechter bij beschikking, indien en voor zover uitvoerbaar bij voorraad: I. [de verweerder] te veroordelen om aan hem een gefixeerde schadevergoeding te betalen van € 5.564,73 bruto, dan wel een vergoeding door de kantonrechter in goede justitie te bepalen; II. [de verweerder] te veroordelen aan hem de transitievergoeding te betalen van € 652,86 bruto, dan wel een vergoeding door de kantonrechter in goede justitie te bepalen; III. [de verweerder] te veroordelen om aan hem een billijke vergoeding te betalen van € 3.895,82 bruto, dan wel een vergoeding door de kantonrechter in goede justitie te bepalen; IV. [de verweerder] te veroordelen om aan hem een (aanzeg)vergoeding te betalen van € 3.895,82 bruto, dan wel een (aanzeg)vergoeding door de kantonrechter in goede justitie te bepalen; V. [de verweerder] te veroordelen om aan hem de eindafrekening te betalen, waaronder het vakantiegeld, openstaande vakantiedagen en overige emolumenten; VI. op het totaalbedrag van de bedragen, zoals genoemd onder I tot en met V, het reeds door [de verweerder] betaalde bedrag van € 2.370,69 netto in mindering te brengen; VII. [de verweerder] te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over de bedragen zoals genoemd onder I, II, III, IV, en V vanaf 22 oktober 2025, althans de datum van indiening van dit verzoekschrift, althans een datum door de kantonrechter in goede justitie te bepalen; VIII. [de verweerder] te veroordelen om binnen 24 uur na betekening van de in deze te wijzen beschikking een deugdelijke loonspecificatie (bruto-netto) te verstrekken over de loonperiode oktober tot en met november 2025, alsmede van de uit te betalen eindafrekening en de genoemde vergoedingen, op straffe van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag of gedeelte van de dag dat [de verweerder] niet aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 25.000,00; IX. [de verweerder] te veroordelen in de buitengerechtelijke kosten van € 1.107,26, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 november 2025, althans de datum van indiening van het verzoekschrift, althans een datum door de kantonrechter in goede justitie te bepalen; X. [de verweerder] te veroordelen in de kosten van deze procedure met inbegrip van de nakosten, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van de beschikking, en – voor het geval voldoening van de proceskosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf de bedoelde termijn voor voldoening. 2.2. [de verzoeker] legt aan zijn verzoek ten grondslag dat [de verweerder] hem niet rechtsgeldig op staande voet heeft ontslagen, omdat aan hem geen dringende en geldige reden is gegeven voor het ontslag. [de verzoeker] verzoekt dan ook om de gefixeerde schadevergoeding, transitievergoeding, aanzegvergoeding een billijke vergoeding. 2.3. Van [de verweerder] is niet in rechte verschenen en heeft geen verweer gevoerd. 3 De beoordeling 3.1. [de verzoeker] heeft, gelet op het proces-verbaal van 5 februari 2026 en in lijn met artikel 3.3.7 van het “ landelijk procesreglement verzoekschriftprocedures rechtbanken: kanton, handel en voorzieningenrechter” , het herstelverzoek en de oproeping voor de mondelinge behandeling per deurwaardersexploot aan [de verweerder] laten betekenen. Gelet daarop moet ervan uit worden gegaan dat [de verweerder] voldoende in de gelegenheid is gesteld om verweer te voeren, maar kennelijk om zijn moverende redenen niet is verschenen in de procedure en ervoor heeft gekozen om geen verweer te voeren. Daaraan wordt het gevolg verbonden dat moet worden uitgegaan van de juistheid van de door [de verzoeker] naar voren gebrachte feiten. Ontslag op staande voet 3.2. Kern van het geschil betreft de vraag of [de verweerder] bevoegd was de arbeidsovereenkomst met [de verzoeker] op 22 oktober 2025, dan wel 30 oktober 2025 krachtens het bepaalde in artikel 7:677 lid 1 BW onverwijld op te zeggen. Daarnaast moet onverwijld mededeling zijn gedaan van de reden van de opzegging wegens een dringende reden. [de verzoeker] heeft onweersproken gesteld dat hij op 22 oktober 2025 via WhatsApp een bericht van [de verweerder] heeft ontvangen dat hij niet meer hoeft te komen werken en dat de bus opgehaald zal worden. [de verzoeker] heeft diezelfde dag gereageerd dat hij niet akkoord ging met deze beëindiging van de arbeidsovereenkomst. In de loonstrook over oktober 2025 wordt 22 oktober 2025 als uitdiensttredingsdatum genoemd. Pas op 30 oktober 2025 reageert [de verweerder] per WhatsApp-bericht dat [de verzoeker] per direct is ontslagen. 3.3. De kantonrechter kwalificeert het voorgaande als een opzegging van de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang (een ontslag op staande voet). Als einddatum merkt de kantonrechter 22 oktober 2025 aan, omdat [de verzoeker] dat onweersproken heeft opgevat als ontslagdatum. Dat ligt ook in de rede, omdat per die datum de salarisbetaling stopt, [de verzoeker] niet meer werd toegelaten of opgeroepen om zijn werk uit te voeren en hij vanaf die datum geen loon meer heeft ontvangen. [de verweerder] heeft bij deze opzegging niet aangegeven wat de dringende reden voor het ontslag op staande voet is. Het gegeven ontslag op staande voet is alleen om die reden al niet rechtsgeldig, omdat niet onverwijld de dringende reden aan [de verzoeker] is medegedeeld. Gefixeerde schadevergoeding 3.4. [de verzoeker] heeft, nu geen sprake is van een rechtsgeldig ontslag op staande voet, recht op een gefixeerde schadevergoeding. Immers, vast staat dat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd reeds door tijdsverloop is geëindigd en niet (meer) kan worden hersteld. Dit betekent dat, nu [de verzoeker] zonder dringende reden de arbeidsovereenkomst heeft beëindigd per 22 oktober 2025, [de verweerder] de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd zonder een opzegtermijn in acht te nemen.
Volledig
Op grond van het bepaalde in artikel 7:672 lid 11 BW is [de verweerder] een vergoeding verschuldigd gelijk aan het loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren, in dit geval tot 1 december 2025. De verzochte vergoeding van € 5.564,73 bruto wordt daarom toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen vanaf 22 oktober 2025 (de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd) . Transitievergoeding 3.5. [de verweerder] is voorts de verzochte transitievergoeding verschuldigd, omdat hij de arbeidsovereenkomst met [de verzoeker] heeft opgezegd en niet is gebleken dat [de verzoeker] ernstig verwijtbaar zou hebben gehandeld . De hoogte van de wettelijke transitievergoeding wordt bepaald aan de hand van het tijdstip waarop die arbeidsovereenkomst zou zijn geëindigd als [de verweerder] deze regelmatig zou hebben opgezegd , aldus met de einddatum 1 december 2025. De verzochte vergoeding van € 652,86 bruto wordt daarom toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over dit bedrag wordt toegekend vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst zou zijn geëindigd , te weten 31 december 2025. Aanzegvergoeding 3.6. In artikel 7:668 lid 1 BW is bepaald dat de werkgever de werknemer uiterlijk een maand voordat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege eindigt schriftelijk informeert over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst. [de verzoeker] heeft in deze procedure niet verzocht om vernietiging van het ontslag op staande voet, zodat er reeds op 22 oktober 2025 een einde is gekomen aan het dienstverband. Nu er, gelet op het voorgaande, geen sprake is van het van rechtswege eindigen van de arbeidsovereenkomst, is [de verweerder] ook niet (meer) verplicht om [de verzoeker] schriftelijk te informeren over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst. [de verzoeker] kan daarom geen aanspraak maken op de aanzegvergoeding. De kantonrechter wijst dit deel van het verzoek dan ook af. Billijke vergoeding 3.7. Uit artikel 7:681 lid 1 onder a BW volgt dat de kantonrechter op verzoek van de werknemer een billijke vergoeding kan toekennen, indien de werkgever heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Voor toekenning is ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever vereist. Daarvan is sprake nu [de verweerder] [de verzoeker] niet rechtsgeldig (op staande voet) heeft ontslagen . 3.8. De kantonrechter stelt voorop dat bij de bepaling van de billijke vergoeding rekening moet worden gehouden met de omstandigheden van het geval en de door de Hoge Raad genoemde gezichtspunten in de New Hairstyle-beschikking . Bij de bepaling van de financiële gevolgen van het, zoals ook hier aan de orde, niet rechtsgeldig gegeven ontslag moet een vergelijking worden gemaakt met de inkomenspositie van de werknemer zonder verwijtbaar handelen dat tot de opzegging leidde en de feitelijke situatie (na opzegging). Voorts dient ook de lengte van het dienstverband, alsmede de vraag hoe lang de arbeidsovereenkomst zonder de opzegging redelijkerwijs zou hebben (voort)geduurd te worden betrokken. Vervolgens dient bij de vergelijking van de feitelijke situatie met de hiervoor geschetste hypothetische situatie rekening te worden gehouden of [de verzoeker] inmiddels andere inkomsten heeft en met eventuele inkomsten die hij de toekomst kan verwerven. Bij de vergelijking dient bovendien de eventueel aan [de verzoeker] toekomende transitievergoeding, alsmede de eventueel aan hem toekomende vergoeding voor de onregelmatige opzegging, die immers compensatie biedt voor inkomensverlies van de werknemer als gevolg van onregelmatige opzegging, te worden betrokken. De kantonrechter dient de billijke vergoeding te bepalen op een wijze die aansluit bij de omstandigheden van dit geval. 4.7. De kantonrechter houdt, mede gelet op het al voorgaande, rekening met de volgende omstandigheden. Er was sprake van een dienstverband voor bepaalde tijd dat sowieso tot 1 december 2025 zou hebben geduurd. Daarnaast is naast de transitievergoeding ook een vergoeding wegens onregelmatige opzegging toegekend. De kantonrechter komt, gelet op alle samenhang bezien, tot de volgende begroting van de billijke vergoeding. Naar het oordeel van de kantonrechter zijn er geen aanwijzingen dat de arbeidsovereenkomst zonder het ernstig verwijtbaar handelen van [de verweerder] eerder dan op 1 december 2025 zou zijn geëindigd. Tot 1 december 2025 wordt het inkomensverlies gedekt door de vergoeding wegens onregelmatige opzegging, maar [de verzoeker] heeft onweersproken gesteld dat hij een WW-uitkering ontvangt en nog geen ander inkomen heeft. Hierdoor lijdt hij schade. Daarnaast betrekt de kantonrechter ook dat [de verzoeker] , zoals hiervoor reeds is overwogen, geen aanspraak meer kan maken op de aanzegvergoeding. Immers, [de verzoeker] heeft er, mede gelet op het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door [de verweerder] , voor gekozen om geen verzoek in te dienen om het ontslag te laten vernietigen. Naar het oordeel van de kantonrechter dient dit mee te wegen bij de begroting van de billijke vergoeding. De kantonrechter ziet, mede gelet op voormelde omstandigheden en de redelijkheid en billijkheid, alsook de verwijtbaarheid van [de verweerder] , aanleiding om de billijke vergoeding vast te stellen op een bedrag van € 3.895,82 bruto (een maandsalaris). 3.9. De door [de verzoeker] verzochte wettelijke rente over de billijke vergoeding, waartegen geen verweer is gevoerd, is pas toewijsbaar vanaf veertien dagen na de uitspraak. De vergoeding is immers opeisbaar geworden vanaf de datum van deze uitspraak. [de verweerder] krijgt veertien dagen om het bedrag te betalen. Na het verstrijken van deze termijn is sprake van verzuim en is [de verweerder] wettelijke rente verschuldigd. Eindafrekening 3.10. Gelet op al het voorgaande dient ook het verzoek van [de verzoeker] , om [de verweerder] te veroordelen om aan hem de eindafrekening, waaronder het vakantiegeld, openstaande vakantiedagen en overige emolumenten te voldoen, te worden toegewezen. In mindering betaalde nettobedragen 3.11. Uit het herziene verzoekschrift volgt dat [de verzoeker] een tweetal nettobedragen van [de verweerder] heeft ontvangen, te weten op 5 december 2025 een bedrag van € 1.370,69 en op 12 december 2025 een bedrag van € 1.000,00. De kantonrechter verstaat de verzoeken van [de verzoeker] zo dat [de verweerder] bevoegd is om deze nettobetalingen eerst in mindering te brengen op de kosten en verschenen wettelijke rente en vervolgens met de nettobedragen die voortvloeien uit de hiervoor toegewezen brutobedragen . Deugdelijke bruto-netto-specificaties 3.12. Het verzoek om (een) deugdelijke bruto/netto-specificatie(s) over de loonperiode oktober 2025 tot 1 december 2025, alsmede de eindafrekening en voormelde vergoedingen, binnen 24 uur na betekening van deze beschikking is slechts deels toewijsbaar. Omdat [de verzoeker] heeft berust in de opzegging per 22 oktober 2025, hoeft [de verweerder] geen salarisspecificaties over november en december te verstrekken. Wel dient hij deugdelijke specificaties van het salaris over oktober 2025 en van de eindafrekening te verstrekken. De verzochte dwangsom op verstrekking van (een) deugdelijke loonspecificatie(s), wordt gesteld op een bedrag van € 50,00 voor elke dag dat [de verweerder] , vanaf 24 uur na betekening van deze beschikking, in gebreke zal blijven aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 2.500,00. Buitengerechtelijke kosten 3.13. [de verzoeker] heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Nu door [de verweerder] niet is weersproken dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht, is ook dit verzoek toewijsbaar. Gelet op de toegewezen bedragen wordt een bedrag van € 1.060,12 aan buitengerechtelijke kosten toegewezen. De wettelijke rente over dit bedrag is ook toewijsbaar en wel vanaf 19 december 2025, de dag waarop het verzoekschrift is ingediend. 3.14. De proceskosten komen voor rekening van [de verweerder] , omdat [de verweerder] overwegend ongelijk krijgt.
Volledig
Op grond van het bepaalde in artikel 7:672 lid 11 BW is [de verweerder] een vergoeding verschuldigd gelijk aan het loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren, in dit geval tot 1 december 2025. De verzochte vergoeding van € 5.564,73 bruto wordt daarom toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen vanaf 22 oktober 2025 (de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd) . Transitievergoeding 3.5. [de verweerder] is voorts de verzochte transitievergoeding verschuldigd, omdat hij de arbeidsovereenkomst met [de verzoeker] heeft opgezegd en niet is gebleken dat [de verzoeker] ernstig verwijtbaar zou hebben gehandeld . De hoogte van de wettelijke transitievergoeding wordt bepaald aan de hand van het tijdstip waarop die arbeidsovereenkomst zou zijn geëindigd als [de verweerder] deze regelmatig zou hebben opgezegd , aldus met de einddatum 1 december 2025. De verzochte vergoeding van € 652,86 bruto wordt daarom toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over dit bedrag wordt toegekend vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst zou zijn geëindigd , te weten 31 december 2025. Aanzegvergoeding 3.6. In artikel 7:668 lid 1 BW is bepaald dat de werkgever de werknemer uiterlijk een maand voordat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege eindigt schriftelijk informeert over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst. [de verzoeker] heeft in deze procedure niet verzocht om vernietiging van het ontslag op staande voet, zodat er reeds op 22 oktober 2025 een einde is gekomen aan het dienstverband. Nu er, gelet op het voorgaande, geen sprake is van het van rechtswege eindigen van de arbeidsovereenkomst, is [de verweerder] ook niet (meer) verplicht om [de verzoeker] schriftelijk te informeren over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst. [de verzoeker] kan daarom geen aanspraak maken op de aanzegvergoeding. De kantonrechter wijst dit deel van het verzoek dan ook af. Billijke vergoeding 3.7. Uit artikel 7:681 lid 1 onder a BW volgt dat de kantonrechter op verzoek van de werknemer een billijke vergoeding kan toekennen, indien de werkgever heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Voor toekenning is ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever vereist. Daarvan is sprake nu [de verweerder] [de verzoeker] niet rechtsgeldig (op staande voet) heeft ontslagen . 3.8. De kantonrechter stelt voorop dat bij de bepaling van de billijke vergoeding rekening moet worden gehouden met de omstandigheden van het geval en de door de Hoge Raad genoemde gezichtspunten in de New Hairstyle-beschikking . Bij de bepaling van de financiële gevolgen van het, zoals ook hier aan de orde, niet rechtsgeldig gegeven ontslag moet een vergelijking worden gemaakt met de inkomenspositie van de werknemer zonder verwijtbaar handelen dat tot de opzegging leidde en de feitelijke situatie (na opzegging). Voorts dient ook de lengte van het dienstverband, alsmede de vraag hoe lang de arbeidsovereenkomst zonder de opzegging redelijkerwijs zou hebben (voort)geduurd te worden betrokken. Vervolgens dient bij de vergelijking van de feitelijke situatie met de hiervoor geschetste hypothetische situatie rekening te worden gehouden of [de verzoeker] inmiddels andere inkomsten heeft en met eventuele inkomsten die hij de toekomst kan verwerven. Bij de vergelijking dient bovendien de eventueel aan [de verzoeker] toekomende transitievergoeding, alsmede de eventueel aan hem toekomende vergoeding voor de onregelmatige opzegging, die immers compensatie biedt voor inkomensverlies van de werknemer als gevolg van onregelmatige opzegging, te worden betrokken. De kantonrechter dient de billijke vergoeding te bepalen op een wijze die aansluit bij de omstandigheden van dit geval. 4.7. De kantonrechter houdt, mede gelet op het al voorgaande, rekening met de volgende omstandigheden. Er was sprake van een dienstverband voor bepaalde tijd dat sowieso tot 1 december 2025 zou hebben geduurd. Daarnaast is naast de transitievergoeding ook een vergoeding wegens onregelmatige opzegging toegekend. De kantonrechter komt, gelet op alle samenhang bezien, tot de volgende begroting van de billijke vergoeding. Naar het oordeel van de kantonrechter zijn er geen aanwijzingen dat de arbeidsovereenkomst zonder het ernstig verwijtbaar handelen van [de verweerder] eerder dan op 1 december 2025 zou zijn geëindigd. Tot 1 december 2025 wordt het inkomensverlies gedekt door de vergoeding wegens onregelmatige opzegging, maar [de verzoeker] heeft onweersproken gesteld dat hij een WW-uitkering ontvangt en nog geen ander inkomen heeft. Hierdoor lijdt hij schade. Daarnaast betrekt de kantonrechter ook dat [de verzoeker] , zoals hiervoor reeds is overwogen, geen aanspraak meer kan maken op de aanzegvergoeding. Immers, [de verzoeker] heeft er, mede gelet op het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door [de verweerder] , voor gekozen om geen verzoek in te dienen om het ontslag te laten vernietigen. Naar het oordeel van de kantonrechter dient dit mee te wegen bij de begroting van de billijke vergoeding. De kantonrechter ziet, mede gelet op voormelde omstandigheden en de redelijkheid en billijkheid, alsook de verwijtbaarheid van [de verweerder] , aanleiding om de billijke vergoeding vast te stellen op een bedrag van € 3.895,82 bruto (een maandsalaris). 3.9. De door [de verzoeker] verzochte wettelijke rente over de billijke vergoeding, waartegen geen verweer is gevoerd, is pas toewijsbaar vanaf veertien dagen na de uitspraak. De vergoeding is immers opeisbaar geworden vanaf de datum van deze uitspraak. [de verweerder] krijgt veertien dagen om het bedrag te betalen. Na het verstrijken van deze termijn is sprake van verzuim en is [de verweerder] wettelijke rente verschuldigd. Eindafrekening 3.10. Gelet op al het voorgaande dient ook het verzoek van [de verzoeker] , om [de verweerder] te veroordelen om aan hem de eindafrekening, waaronder het vakantiegeld, openstaande vakantiedagen en overige emolumenten te voldoen, te worden toegewezen. In mindering betaalde nettobedragen 3.11. Uit het herziene verzoekschrift volgt dat [de verzoeker] een tweetal nettobedragen van [de verweerder] heeft ontvangen, te weten op 5 december 2025 een bedrag van € 1.370,69 en op 12 december 2025 een bedrag van € 1.000,00. De kantonrechter verstaat de verzoeken van [de verzoeker] zo dat [de verweerder] bevoegd is om deze nettobetalingen eerst in mindering te brengen op de kosten en verschenen wettelijke rente en vervolgens met de nettobedragen die voortvloeien uit de hiervoor toegewezen brutobedragen . Deugdelijke bruto-netto-specificaties 3.12. Het verzoek om (een) deugdelijke bruto/netto-specificatie(s) over de loonperiode oktober 2025 tot 1 december 2025, alsmede de eindafrekening en voormelde vergoedingen, binnen 24 uur na betekening van deze beschikking is slechts deels toewijsbaar. Omdat [de verzoeker] heeft berust in de opzegging per 22 oktober 2025, hoeft [de verweerder] geen salarisspecificaties over november en december te verstrekken. Wel dient hij deugdelijke specificaties van het salaris over oktober 2025 en van de eindafrekening te verstrekken. De verzochte dwangsom op verstrekking van (een) deugdelijke loonspecificatie(s), wordt gesteld op een bedrag van € 50,00 voor elke dag dat [de verweerder] , vanaf 24 uur na betekening van deze beschikking, in gebreke zal blijven aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 2.500,00. Buitengerechtelijke kosten 3.13. [de verzoeker] heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Nu door [de verweerder] niet is weersproken dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht, is ook dit verzoek toewijsbaar. Gelet op de toegewezen bedragen wordt een bedrag van € 1.060,12 aan buitengerechtelijke kosten toegewezen. De wettelijke rente over dit bedrag is ook toewijsbaar en wel vanaf 19 december 2025, de dag waarop het verzoekschrift is ingediend. 3.14. De proceskosten komen voor rekening van [de verweerder] , omdat [de verweerder] overwegend ongelijk krijgt.