Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2026-04-09
ECLI:NL:RBGEL:2026:2665
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
3,996 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:2665 text/xml public 2026-04-14T12:37:44 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-04-09 05-221257-25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Zutphen Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2665 text/html public 2026-04-09T11:40:34 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:2665 Rechtbank Gelderland , 09-04-2026 / 05-221257-25 De rechtbank veroordeelt een 49-jarige man uit Spanje voor het invoeren van bijna 8 kilo cocaïne en heroïne. De rechtbank legt een gevangenisstraf van 42 maanden op. RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Zutphen Parketnummer: 05/221257-25 Datum uitspraak : 9 april 2026 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1976 in [geboorteplaats] (Spanje), op dit moment gedetineerd in de P.I. [verblijfsplaats]. Raadsman: mr. M.A. Prins, advocaat in Utrecht. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 13 november 2025, 8 januari 2026 en 26 maart 2026. 1 De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 6 augustus 2025 te Gennep en/of Beuningen en/of Dodewaard, althans in Nederland, opzettelijk een of meer middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten ongeveer 2440 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of ongeveer 6290 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne, binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, in elk geval aanwezig heeft gehad. 2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde, met dien verstande dat uit moet worden gegaan van 1999,14 gram cocaïne en 5988,41 gram heroïne. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman gaat uit van hetzelfde gewicht als de officier van justitie. Beoordeling door de rechtbank Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. Bewijsmiddelen: - het proces-verbaal van bevindingen, p. 10 en 11; - het proces-verbaal van forensisch onderzoek plaats delict, p. 51 t/m 53; - het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen, p. 71 t/m 77; - een schriftelijk bescheid, te weten: rapport NFiDent, p. 79 t/m 82; - de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 26 maart 2026. 3 De bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: hij op of omstreeks 6 augustus 2025 te Gennep en/ of Beuningen en /of Dodewaard, althans in Nederland , opzettelijk een of meer middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten ongeveer 1999,14 gram , in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en /of ongeveer 5988,41 gram , in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaïne en /of heroïne, binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht , in elk geval aanwezig heeft gehad . Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd 5 De strafbaarheid van het feit De feiten zijn strafbaar. 6 De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7 De overwegingen ten aanzien van de straf Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 29 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest dan wel een gevangenisstraf van maximaal 12 maanden, met een fors voorwaardelijk gedeelte bepleit. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het vervoeren van bijna 8 kilo harddrugs, bestaande uit cocaïne en heroïne. Het is een feit van algemene bekendheid dat cocaïne en heroïne sterk verslavend zijn. Het gebruik van deze middelen heeft een verwoestend effect op de gezondheid van gebruikers. De handel in, het vervoer van en het gebruik van harddrugs brengen daarnaast vele vormen van (zware) criminaliteit en overlast met zich. Verdachte heeft door zijn invoer een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het drugscircuit en de beschikbaarheid van dergelijke middelen in Nederland. Verdachte lijkt zich niet bekommerd te hebben om de gevolgen hiervan en dacht – kennelijk – alleen aan zijn eigen geldelijk gewin. De rechtbank heeft kennisgenomen van de justitiële documentatie van verdachte van 17 februari 2026 waaruit volgt dat verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit. De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten voor straftoemeting als leidraad gehanteerd. Voor het invoeren van harddrugs met een totaalgewicht van 7.000 tot 8.000 gram wordt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf tussen de 42 en 44 maanden als uitgangspunt genomen. Dit betreft de categorie daders die géén rol in de criminele organisatie spelen. Bij dit uitgangspunt wordt al rekening gehouden met het feit dat verdachte eenmaal is ingeschakeld, zoals door de verdediging bepleit. De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van verdachte geen aanleiding om van deze oriëntatiepunten af te wijken. Het feit dat zijn vrouw er zowel financieel als qua zorg voor (klein)kinderen en de zieke vader van verdachte alleen voor komt te staan gedurende zijn detentie, rechtvaardigt dit niet. Deze of vergelijkbare omstandigheden maken de situatie van verdachte niet bijzonder en gelden immers voor veel verdachten. Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 42 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden. Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is. 8 De beoordeling van het beslag De standpunten De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het contante geldbedrag van € 4.000,- verbeurd moet worden verklaard omdat het uit de baten van het tenlastegelegde is verkregen. De raadsman heeft bepleit dat het geld moet worden geretourneerd aan verdachte omdat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat het geld uit de baten van het tenlastegelegde is verkregen.
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:2665 text/xml public 2026-04-14T12:37:44 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-04-09 05-221257-25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Zutphen Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2665 text/html public 2026-04-09T11:40:34 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:2665 Rechtbank Gelderland , 09-04-2026 / 05-221257-25 De rechtbank veroordeelt een 49-jarige man uit Spanje voor het invoeren van bijna 8 kilo cocaïne en heroïne. De rechtbank legt een gevangenisstraf van 42 maanden op. RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Zutphen Parketnummer: 05/221257-25 Datum uitspraak : 9 april 2026 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1976 in [geboorteplaats] (Spanje), op dit moment gedetineerd in de P.I. [verblijfsplaats]. Raadsman: mr. M.A. Prins, advocaat in Utrecht. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 13 november 2025, 8 januari 2026 en 26 maart 2026. 1 De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 6 augustus 2025 te Gennep en/of Beuningen en/of Dodewaard, althans in Nederland, opzettelijk een of meer middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten ongeveer 2440 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of ongeveer 6290 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne, binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, in elk geval aanwezig heeft gehad. 2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde, met dien verstande dat uit moet worden gegaan van 1999,14 gram cocaïne en 5988,41 gram heroïne. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman gaat uit van hetzelfde gewicht als de officier van justitie. Beoordeling door de rechtbank Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. Bewijsmiddelen: - het proces-verbaal van bevindingen, p. 10 en 11; - het proces-verbaal van forensisch onderzoek plaats delict, p. 51 t/m 53; - het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen, p. 71 t/m 77; - een schriftelijk bescheid, te weten: rapport NFiDent, p. 79 t/m 82; - de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 26 maart 2026. 3 De bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: hij op of omstreeks 6 augustus 2025 te Gennep en/ of Beuningen en /of Dodewaard, althans in Nederland , opzettelijk een of meer middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten ongeveer 1999,14 gram , in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en /of ongeveer 5988,41 gram , in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaïne en /of heroïne, binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht , in elk geval aanwezig heeft gehad . Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd 5 De strafbaarheid van het feit De feiten zijn strafbaar. 6 De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7 De overwegingen ten aanzien van de straf Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 29 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest dan wel een gevangenisstraf van maximaal 12 maanden, met een fors voorwaardelijk gedeelte bepleit. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het vervoeren van bijna 8 kilo harddrugs, bestaande uit cocaïne en heroïne. Het is een feit van algemene bekendheid dat cocaïne en heroïne sterk verslavend zijn. Het gebruik van deze middelen heeft een verwoestend effect op de gezondheid van gebruikers. De handel in, het vervoer van en het gebruik van harddrugs brengen daarnaast vele vormen van (zware) criminaliteit en overlast met zich. Verdachte heeft door zijn invoer een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het drugscircuit en de beschikbaarheid van dergelijke middelen in Nederland. Verdachte lijkt zich niet bekommerd te hebben om de gevolgen hiervan en dacht – kennelijk – alleen aan zijn eigen geldelijk gewin. De rechtbank heeft kennisgenomen van de justitiële documentatie van verdachte van 17 februari 2026 waaruit volgt dat verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit. De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten voor straftoemeting als leidraad gehanteerd. Voor het invoeren van harddrugs met een totaalgewicht van 7.000 tot 8.000 gram wordt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf tussen de 42 en 44 maanden als uitgangspunt genomen. Dit betreft de categorie daders die géén rol in de criminele organisatie spelen. Bij dit uitgangspunt wordt al rekening gehouden met het feit dat verdachte eenmaal is ingeschakeld, zoals door de verdediging bepleit. De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van verdachte geen aanleiding om van deze oriëntatiepunten af te wijken. Het feit dat zijn vrouw er zowel financieel als qua zorg voor (klein)kinderen en de zieke vader van verdachte alleen voor komt te staan gedurende zijn detentie, rechtvaardigt dit niet. Deze of vergelijkbare omstandigheden maken de situatie van verdachte niet bijzonder en gelden immers voor veel verdachten. Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 42 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden. Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is. 8 De beoordeling van het beslag De standpunten De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het contante geldbedrag van € 4.000,- verbeurd moet worden verklaard omdat het uit de baten van het tenlastegelegde is verkregen. De raadsman heeft bepleit dat het geld moet worden geretourneerd aan verdachte omdat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat het geld uit de baten van het tenlastegelegde is verkregen.