Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2026-04-08
ECLI:NL:RBGEL:2026:2627
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Kort geding
7,995 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:2627 text/xml public 2026-04-28T15:26:02 2026-04-08 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-04-08 C/05/462631 / KG ZA 26-57 Uitspraak Kort geding NL Arnhem Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2627 text/html public 2026-04-28T15:07:11 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:2627 Rechtbank Gelderland , 08-04-2026 / C/05/462631 / KG ZA 26-57 Kort Geding. Vordering van erfgenamen jegens een erfgenaam om mee te werken aan verkoop en levering van de woning uit de nalatenschap toegewezen. Geen steekhoudende bezwaren voor weigering medewerking. RECHTBANK Gelderland Civiel recht Zittingsplaats Arnhem Zaaknummer: C/05/462631 / KG ZA 26-57 Vonnis in kort geding van 8 april 2026 in de zaak van 1 [naam eiser 1] , wonende te [woonplaats] , 2. [naam eiser 2] , wonende te [woonplaats] , 3. [naam eiser 3] , wonende te [woonplaats] , 4. [naam eiser 4] , wonende te [woonplaats] , 5. [naam eiser 5] , wonende te [woonplaats] , 6. [naam eiser 6] , wonende te [woonplaats] , 7. [naam eiser 7] , wonende te [woonplaats] , 8. [naam eiser 8] , wonende te [woonplaats] , 9. de vennootschap onder firma [eisend vennootschap] , in hoedanigheid van bewindvoerder van [naam bewindvoerder] gevestigd te [vestigingsplaats] , eisende partijen, hierna samen te noemen: [de eiser] , advocaat: mr. J.A.M. van de Sande, tegen [naam gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [de gedaagde] , verschenen in persoon en voor wie zijn zoon [zoon gedaagde] het woord heeft gevoerd. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties I tot en met XIV - de aanvullende producties XV tot en met XVII van [de eiser] - het verweer van [de gedaagde] met producties I tot en met XXVI - de mondelinge behandeling van 25 maart 2026 - de pleitnota van [de eiser] - de pleitnota van [de gedaagde] . 2 De feiten 2.1. Op 29 mei 2024 is de heer [erflater] (hierna erflater) overleden. Erflater was niet gehuwd en had geen kinderen. Erflater heeft geen testament opgemaakt. Eisers sub 3 t/m 6 en 9 en [de gedaagde] zijn broers en zussen van erflater en zij zijn ieder erfgenaam voor 1/8e deel. Eisers sub 1, 2 ,7 en 8 zijn de neef en nichten van erflater en zij zijn door plaatsvervulling voor hun overleden ouder ieder erfgenaam voor 1/16e deel. Eisers sub 2 en 5 en [de gedaagde] hebben de nalatenschap zuiver aanvaard. De overige erfgenamen hebben de nalatenschap beneficiair aanvaard. Het vermogen van eiser sub 9 staat onder bewind. De nalatenschap van erflater is nog niet vereffend en verdeeld. 2.2. Tot de nalatenschap van erflater behoort onder meer de onroerende zaak gelegen aan de [adres] , kadastraal bekend [kadasterkenmerk] (hierna: de woning). Het betreft een woning met diverse bijgebouwen, tuin en grasland. Een deel van de voortuin van de woning is feitelijk gelegen op de percelen [kadasterkenmerk] (hierna perceel [perceelnummer 1] en perceel [perceelnummer 2] ). 2.3. Op grond van artikel 7 van de op 18 maart 2025 opgestelde verklaring van erfrecht zijn de erfgenamen gezamenlijk vereffenaar. In artikel 8 van de verklaring van erfrecht is vermeld dat eisers sub 2, 3 en 5 tot en met 9 en [de gedaagde] een onderhandse vereffeningsvolmacht hebben afgegeven aan eisers sub 1 en 4 (hierna respectievelijk [eiser 1] en [eiser 4] ) om de goederen die behoren tot de nalatenschap te beheren en te vereffenen. Deze vereffeningsvolmacht ziet uitdrukkelijk niet op (daden van beschikking die zien op) de woning. 2.4. Na het overlijden van erflater is een WhatsAppgroep met de naam ‘Afhandeling erfenis’(hierna: de WhatsAppgroep) aangemaakt met alle erfgenamen. 2.5. Bij bericht van 20 maart 2025 heeft [eiser 1] in de WhatsAppgroep laten weten dat [betrokkene] (hierna: [betrokkene] ) op bezoek is geweest, dat hij de woning wil kopen voor een bedrag van € 1.200.000,00 om op de percelen levensloopbestendige- en starterswoningen te bouwen en dat hij van dat bedrag € 10.000,00 per persoon ‘onder de tafel wil doen’. 2.6. Op 18 april 2025 hebben [eiser 1] en [eiser 4] aan HW Makelaardij te Wijchen opdracht gegeven om te bemiddelen bij de verkoop van de woning. 2.7. Op 21 mei 2025 heeft [de gedaagde] via [eiser 1] in de WhatsAppgroep laten weten dat hij de situatie betreurt maar dat het niet goed voelt hoe de verkoop gaat zonder dat de woning is aangeboden aan anderen, dat ze nooit zullen weten of het huidige bod reëel is omdat geen andere projectontwikkelaars zijn benaderd en dat het hem niet om het geld gaat maar om het eerlijk verlopen van de verkoop. Later die dag heeft [de gedaagde] (via [eiser 1] ) in de WhatsAppgroep laten weten dat hij zich onder druk gezet voelt zodat hij met tegenzin akkoord gaat. 2.8. [eiser 1] en [eiser 4] hebben de opdracht tot dienstverlening aan HW Makelaardij op 26 mei 2025 ondertekend. 2.9. De woning is in opdracht van de bewindvoerder van eiser sub 9 op 12 mei 2025 getaxeerd door makelaarskantoor [makelaarskantoor] . In het op 4 juni 2025 gedateerde taxatierapport is de woning gewaardeerd op een marktwaarde van € 1.100.000,00. 2.10. [de eiser] hebben het onder 2.5 genoemde bod van [betrokkene] geaccepteerd. Het aanbod om een deel van de koopprijs ‘onder de tafel’ te voldoen hebben zij niet geaccepteerd. Bij e-mailbericht van 5 juni 2025 heeft HW Makelaardij aan partijen een (na overleg met [de eiser] op punten aangepaste) concept-koopovereenkomst toegestuurd voor de verkoop van de percelen met nummers [perceelnummer 3] en [perceelnummer 4] met als leveringsdatum 1 augustus 2025. Deze koopovereenkomst is op 10 en 11 juni 2025 door [de eiser] getekend. 2.11. Bij e-mailbericht van 18 juni 2025 heeft de zoon van [de gedaagde] , de heer [zoon gedaagde] (hierna: [zoon gedaagde] ), aan HW Makelaardij laten weten dat [de gedaagde] een meerwaardeclausule wil opnemen in de koopovereenkomst met [betrokkene] . 2.12. Bij brief van 19 juni 2025 hebben eisers sub 1 tot en met 7 [de gedaagde] gesommeerd de onder 2.10 genoemde koopovereenkomst uiterlijk op 25 juni 2025 te ondertekenen. 2.13. Bij e-mailbericht van 24 juni 2025 heeft [betrokkene] aan HW Makelaardij laten weten dat het onmogelijk is om een meerwaardeclausule in de koopovereenkomst op te nemen omdat het proces, de tijdsspanne en de planvorming voor de percelen bij de gemeente Wijchen ligt. Dit bericht heeft HW Makelaardij diezelfde dag doorgestuurd aan [eiser 1] . 2.14. Bij brief van 24 juni hebben eisers sub 1 tot en met 7 aan [de gedaagde] meegedeeld dat [betrokkene] niet akkoord gaat met het opnemen van een meerwaardeclausule in de koopovereenkomst en hebben zij de sommatie van 19 juni 2025 herhaald. 2.15. Naar aanleiding van een gesprek op 6 juli 2025 tussen [de gedaagde] , [zoon gedaagde] en [betrokkene] heeft laatstgenoemde bij WhatsApp-bericht van 10 juli 2025 aan [de gedaagde] laten weten dat hij niet ingaat op de wens van [de gedaagde] om geld te ontvangen in ruil voor zijn handtekening onder de koopovereenkomst. 2.16. Onder de druk van een inmiddels door [de eiser] uitgebrachte kortgeding dagvaarding heeft [de gedaagde] op 12 augustus 2025 de onder 2.10 genoemde koopovereenkomst ondertekend. Het kort geding heeft daarom geen doorgang gevonden. 2.17. Bij bericht van 26 augustus 2025 heeft [eiser 1] in de WhatsAppgroep laten weten dat [betrokkene] de koopovereenkomst nog niet heeft getekend omdat het bodemonderzoek wegens de vertraging in het ondertekenen van de koopovereenkomst door [de gedaagde] niet op de in de overeenkomst genoemde datum van 21 juli 2025 kon worden uitgevoerd en inmiddels gebleken is dat perceel [perceelnummer 1] dwars door de tuin van de woning loopt en dat [betrokkene] met de notaris bezig is om uit te zoeken wie (door vererving) eigenaar is van dit perceel. 2.18.
Volledig
Bij bericht van 2 september 2025 heeft [eiser 1] in de WhatsAppgroep laten weten dat de maandag erna het bodemonderzoek zal plaatsvinden, dat de notaris nog bezig is om uit te zoeken wie de erfgenamen van perceel [perceelnummer 1] zijn, dat [betrokkene] de koopovereenkomst zal tekenen met als ontbindende voorwaarde het bodemonderzoek en dat de datum van overdracht nog kan opschuiven afhankelijk van de procedure rondom perceel [perceelnummer 1] . 2.19. Bij berichten van 18 september en 2 oktober 2025 heeft [eiser 1] in de WhatsAppgroep onder meer laten weten dat het bodemonderzoek heeft plaatsgevonden, dat de uitslag daarvan de week erop wordt verwacht, dat op 17 oktober 2025 alsnog de overdracht van de woning gepland staat en dat de erfgenamen ervoor kunnen kiezen om een volmacht voor de overdracht te ondertekenen. 2.20. Bij bericht van 12 oktober 2025 heeft [eiser 1] in de WhatsAppgroep onder meer laten weten dat alleen op de oprit vervuilende stoffen zijn gevonden en dat [betrokkene] de kosten van € 5.000,00 voor het verwijderen daarvan voor zijn rekening zal nemen, evenals de kosten van € 12.000,00 voor het verwijderen van de Japanse duizendknoop, die bij de woning is aangetroffen. Ook heeft [eiser 1] laten weten dat de op 17 oktober 2025 geplande overdracht niet kan doorgaan omdat de situatie met perceel [perceelnummer 1] ingewikkelder blijkt dan gedacht en [betrokkene] het risico van verjaring niet op zich wil nemen. 2.21. Op 3 november 2025 heeft [de gedaagde] onder meer in de WhatsAppgroep bericht dat hij, vooruitlopend op een nieuw op te stellen koopovereenkomst, een ‘antispeculatiebeding’ in de koopovereenkomst wil opnemen en daarin ook wil vermelden dat de Japanse duizendknoop bij de woning aanwezig is. 2.22. [de eiser] hebben nadien via de notaris geprobeerd om perceel [perceelnummer 1] in eigendom te verkrijgen. De koopovereenkomst met als leveringsdatum 3 april 2026 is toen aangepast in die zin dat de erfgenamen verplicht waren om ook perceel [perceelnummer 1] aan [betrokkene] te leveren en met de bepaling dat indien de erfgenamen perceel [perceelnummer 1] niet in eigendom hebben verkregen vóór 10 november 2026, de koop door beide partijen kan worden ontbonden. Deze overeenkomst is medio november 2025 ondertekend door [de eiser] 2.23. Aangezien het vervolgens niet lukte om perceel [perceelnummer 1] in eigendom te verkrijgen hebben [de eiser] in overleg met [betrokkene] de koopovereenkomst wederom laten aanpassen in die zin dat deze nu ziet op de verkoop van de percelen [perceelnummer 3] , [perceelnummer 4] en een (nader uit te meten) deel van [perceelnummer 1] voor het bedrag van € 1.200.000,00 en met als datum van overdracht 16 februari 2026. Deze overeenkomst bevat met betrekking tot perceel [perceelnummer 1] onder meer de volgende bepaling: ‘artikel 20.1 Verkoper heeft door het inschakelen van een extern bureau via de notaris aan zijn inspanningsverplichting voldaan om het ontbrekende perceel zijnde een gedeelte van het naastgelegen perceel met de kadastrale aanduiding [kadasterkenmerk] in bezit te krijgen. De kosten daarvoor zijn voor de verkoper. Mocht het voor de verkoper niet mogelijk zijn om het gedeelte van het perceel [kadasterkenmerk] op de datum van overdracht over te dragen aan de koper dan is het risico voor de verkrijging van het gedeelte van het perceel [kadasterkenmerk] vanaf die dag geheel voor koper.’ Deze koopovereenkomst is door [de eiser] eind december 2025/begin 2026 ondertekend en overgelegd als productie XII. 2.24. Bij brief van 6 januari 2026 heeft de advocaat van [de eiser] [de gedaagde] via zijn voormalig advocaat verzocht om te laten weten of hij zijn medewerking wil verlenen aan de onder 2.23 genoemde gewijzigde koopovereenkomst, bij gebreke waarvan de gang naar de voorzieningenrechter zal moeten worden gemaakt of de rechtbank zal worden verzocht om een vereffenaar te benoemen. 2.25. [betrokkene] heeft de onder 2.23 vermelde koopovereenkomst op 16 januari 2026 getekend. 2.26. Bij e-mailbericht van 30 januari 2026 heeft de voormalig advocaat van [de gedaagde] aan de advocaat van [de eiser] laten weten dat hij [de gedaagde] niet meer bijstaat. 2.27. Op 4 februari 2026 heeft de kantonrechter toestemming verleend aan de bewindvoerder van eiser sub 9 om namens hem op te treden in een kort geding tegen [de gedaagde] over de gedwongen medewerking aan de verkoop van de woning. 2.28. Bij e-mailbericht van 18 maart 2026 heeft de bij de verkoop betrokken notaris antwoord gegeven op de eerder door [de gedaagde] en [zoon gedaagde] gestelde vragen en aan hen laten weten dat perceel [perceelnummer 1] op naam staat van de erven Kersten, dat perceel [perceelnummer 2] op naam staat van ene [betrokkene] , niet zijnde de aspirant-koper van de woning, en dat via verjaring kan worden vastgesteld of deze percelen aan partijen toebehoren. 3 Het geschil 3.1. [de eiser] vorderen bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad [de gedaagde] te bevelen om binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis medewerking te verlenen aan de totstandbrenging en uitvoering van de koopovereenkomst (productie XII van [de eiser] ) met betrekking tot de woning en verdere aanhorigheden aan de [adres] , kadastraal bekend [kadasterkenmerk] op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 per dag(deel), tot een maximum van € 120.000,00 en met veroordeling van [de gedaagde] in de kosten van het geding. 3.2. [de gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [de eiser] daarbij een spoedeisend belang hebben. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen. 4.2. [de eiser] vorderen in dit kort geding dat [de gedaagde] , als deelgenoot in de nalatenschap van erflater, meewerkt aan de totstandkoming van de als productie XII. bij de dagvaarding gevoegde koopovereenkomst ter zake de verkoop van de woning. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 31 maart 2023 beslist dat dat ook in kort geding mogelijk is, ook als het in feite een wijze van verdeling van een gemeenschapsgoed als bedoeld in artikel 3:185 BW betreft. Op grond van deze koopovereenkomst worden de percelen [perceelnummer 3] , [perceelnummer 4] en een (nader uit te meten) gedeelte van perceel [perceelnummer 1] verkocht aan [betrokkene] voor een bedrag van € 1.200.000,00 kosten koper. In artikel 20.1 van die koopovereenkomst staat dat de erfgenamen er alles aan zullen doen om het deel van perceel [perceelnummer 1] dat in de voortuin ligt van de woning in eigendom te verkrijgen, maar dat als het niet mogelijk blijkt om dit stuk grond op de datum van levering over te dragen, het risico voor de verkrijging van dat gedeelte van perceel [perceelnummer 1] overgaat op [betrokkene] . De koopovereenkomst is door [de eiser] en [betrokkene] ondertekend. De beoogde datum voor de notariële overdracht van de woning van 16 februari 2026 is niet gehaald omdat [de gedaagde] tot op heden weigert om de koopovereenkomst te ondertekenen. [de gedaagde] heeft de eerste koopovereenkomst (met als leveringsdatum 1 augustus 2025) na herhaalde sommaties daartoe en onder druk van een uitgebrachte kort gedingdagvaarding wel ondertekend (op 12 augustus 2025). Destijds heeft [betrokkene] echter niet getekend, omdat de in de koopovereenkomst genoemde data voor het bodemonderzoek (21 juli 2025), de zekerheidstelling door [betrokkene] (23 juli 2025) en de levering (1 augustus 2025) inmiddels waren verstreken en gebleken was dat perceel [perceelnummer 1] niet op naam van de erfgenamen staat. In de koopovereenkomst die in dit kort geding voorligt is het verkrijgen van het nader uit te meten deel van perceel [perceelnummer 1] ondervangen op de in artikel 20.1 geregelde wijze.
Volledig
Op grond van die bepaling gaat het risico voor het verkrijgen van een deel van perceel [perceelnummer 1] na de overdracht van de percelen [perceelnummer 3] en [perceelnummer 4] over op [betrokkene] . [de gedaagde] wil deze koopovereenkomst niet ondertekenen omdat hij door de gang van zaken geen enkel vertrouwen heeft in [betrokkene] . Hij is niet tegen de verkoop van de woning maar hij wil dat de woning (via een andere makelaar) aan een ander(e) (projectontwikkelaar) wordt verkocht. Dit heeft zijn zoon ter zitting uitgebreid toegelicht. Op de bezwaren van [de gedaagde] wordt hierna ingegaan. 4.3. [de gedaagde] voert aan dat eiser sub 9 verstandelijk beperkt is en buiten dit geding staat. Dit verweer gaat niet op. De voorzieningenrechter stelt vast dat de goederen van eiser sub 9 onder bewind zijn gesteld. Aangezien de vereffening en de verdeling van de nalatenschap van erflater in geschil is en dit de financiële belangen van eiser sub 9 raakt, kan alleen de bewindvoerder in rechte voor eiser sub 9 optreden. De bewindvoerder acht het kennelijk in het belang van eiser sub 9 dat deze vordering in kort geding wordt ingesteld tegen [de gedaagde] en de kantonrechter heeft hiervoor ook toestemming gegeven. 4.4. [de gedaagde] verwijt [de eiser] allereerst dat alleen [eiser 1] en [eiser 4] de verkoopopdracht aan HW Makelaardij hebben verstrekt en niet alle erfgenamen samen. Dit is volgens [de gedaagde] in strijd met de vereffeningsvolmacht (artikel 8) in de verklaring van erfrecht. Op de zitting hebben [eiser 1] en [eiser 4] toegelicht dat zij de verkoopopdracht aan HW Makelaardij hebben verstrekt na overleg met alle erfgenamen, via onder meer de WhatsAppgroep. [de gedaagde] heeft dat betwist. [de eiser] hebben ter zitting niet kunnen staven dat [de gedaagde] (via WhatsApp of op een andere manier) met het verstrekken van voornoemde verkoopopdracht heeft ingestemd, zodat dit gelet op de gemotiveerde betwisting door [de gedaagde] niet is komen vast te staan. Dat is echter verder niet van belang, gelet op het volgende. [de gedaagde] heeft uiteindelijk wel ingestemd met de verkoopprijs van € 1.200.000,00. Hij heeft tijdens de zitting desgevraagd toegelicht dat zijn WhatsApp-bericht van 21 mei 2025 (zie 2.7), waarin hij schrijft ‘met tegenzin akkoord te gaan’, op de verkoopprijs zag. [de gedaagde] heeft uiteindelijk op 12 augustus 2025 ook de eerste koopovereenkomst getekend voor de verkoop van de woning aan [betrokkene] tegen die prijs. Vervolgens heeft [betrokkene] die koopovereenkomst niet ondertekend omdat meerdere termijnen waren verstreken en inmiddels gebleken was dat perceel [perceelnummer 1] deels door de voortuin van de woning loopt. In de koopovereenkomst die in dit kort geding voorligt wordt de complicatie dat het betreffende deel van perceel [perceelnummer 1] nog geen eigendom is van erfgenamen, ondervangen op de in artikel 20.1 geregelde wijze. Volgens [de gedaagde] klopt het niet dat [betrokkene] de koopovereenkomst niet heeft willen ondertekenen vanwege de complicatie met perceel [perceelnummer 1] . De werkelijke reden is dat [betrokkene] de uiteindelijk op 17 oktober 2025 geplande levering van de woning heeft willen vertragen omdat de overdrachtsbelasting per 1 januari 2026 is verlaagd, aldus [de gedaagde] . [de eiser] hebben dit gemotiveerd weersproken. [de gedaagde] heeft, wat er verder ook van zij, niet onderbouwd dat het gegeven dat [betrokkene] minder overdrachtsbelasting verschuldigd zal zijn bij overdracht van de woning in 2026 dan in het geval de geplande levering op 1 augustus 2025 of 17 oktober 2025 zou hebben plaatsgevonden, leidt tot benadeling van de erfgenamen. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat [de gedaagde] op deze grond belang erbij heeft dat de verkoop aan [betrokkene] niet doorgaat. 4.5. Verder verwijt [de gedaagde] [de eiser] dat hij de koopovereenkomst met als leveringsdatum 17 oktober 2025 nooit heeft gezien. De voorzieningenrechter gaat voorbij aan dat verwijt omdat de nakoming van die overeenkomst niet voorligt in dit kort geding. Bovendien blijkt uit de in het geding gebrachte stukken niet dat de koopovereenkomst met als datum van levering 17 oktober 2025 een andere koopovereenkomst is dan de koopovereenkomst met 1 augustus 2025 als datum van levering, die op 12 augustus 2025 door [de gedaagde] is ondertekend. Het ligt voor de hand dat (enkel) de datum van levering is aangepast omdat de oorspronkelijke datum niet is gehaald door het late ondertekenen door [de gedaagde] . Ook de door [de gedaagde] met betrekking tot de koopovereenkomst met als leveringsdatum 3 april 2026 (zie onder 2.22) geuite bezwaren zijn in dit kort geding niet relevant. Aan [de gedaagde] kan worden toegegeven dat deze overeenkomst nadelig had kunnen uitwerken voor de erfgenamen, nu deze koopovereenkomst door zowel de koper als de verkoper kon worden ontbonden indien de erfgenamen er niet in zouden slagen perceel [perceelnummer 1] voor 10 november 2026 te verwerven, maar ook deze overeenkomst ligt in dit kort geding niet voor. De koopovereenkomst die in dit kort geding voorligt (zie onder 2.23) bevat geen ontbindende voorwaarde voor het geval de erfgenamen er niet in slagen perceel [perceelnummer 1] te verwerven, zodat [de gedaagde] ook op dit punt niet aannemelijk heeft gemaakt dat de verkoop aan [betrokkene] nadelig is voor de erfgenamen. 4.6. Verder is het volgens [de gedaagde] merkwaardig dat perceel [perceelnummer 2] niet wordt genoemd in dit kort geding en ook geen deel uitmaakt van de koopovereenkomst die nu voorligt, aangezien de voortuin van de woning ook deels op dat perceel ligt en het waarschijnlijk is dat erflater ook van (een deel van) dat perceel door verjaring eigenaar is geworden. Volgens [de gedaagde] vertegenwoordigt dit stuk van perceel [perceelnummer 2] (net als perceel [perceelnummer 1] ) ook waarde en wordt het op deze manier gratis aan [betrokkene] aangeboden als blijkt dat erflater daarvan toch door verjaring eigenaar is geworden. [de eiser] hebben ter zitting toegelicht dat zij niet (meer) proberen om perceel [perceelnummer 2] in eigendom te verkrijgen. De eventuele verkrijging van het deel van perceel [perceelnummer 2] levert volgens [de eiser] niets extra’s op gelet op de beperkte omvang ervan, terwijl het wel veel extra tijd en geld kost om te pogen het betreffende deel van perceel [perceelnummer 2] in eigendom te verkrijgen. [de eiser] willen daarin om die reden niet nog meer geld in investeren. Perceel [perceelnummer 2] (althans een gedeelte daarvan) maakt dan ook geen onderdeel uit van de koopovereenkomst in kwestie. [de gedaagde] heeft daartegenover niet onderbouwd wat de waarde zou zijn van het deel van perceel [perceelnummer 1] en perceel [perceelnummer 2] dat nu door de voortuin van de woning loopt en ook niet dat dit opweegt tegen de kosten die naar alle waarschijnlijkheid moeten worden gemaakt en de tijd die moet worden geïnvesteerd om dit stukje grond in eigendom te verkrijgen. 4.7. Volgens [de gedaagde] had bovendien een meerwaardeclausule in de koopovereenkomst moeten worden opgenomen. Ook hierin kan hij niet worden gevolgd. Uit de in het geding gebrachte stukken blijkt dat [betrokkene] niet heeft willen instemmen met een dergelijke clausule in de koopovereenkomst omdat het proces, de tijdsspanne en de planvorming uiteindelijk bij de gemeente Wijchen ligt. [de gedaagde] heeft binnen het bestek van dit kort geding ook niet aannemelijk gemaakt dat het niet opnemen van een meerwaardeclausule in de weg zou moeten staan aan de verkoop aan [betrokkene] . Hij heeft weliswaar gesteld dat de percelen na wijziging van de bestemming van agrarische grond naar bouwgrond veel meer waard zouden kunnen worden en hij vermoedt dat [betrokkene] de percelen direct gaat doorverkopen en de meerwaarde in zijn eigen zak steekt, maar dit is door [de eiser] betwist en door [de gedaagde] niet nader onderbouwd. Dat geldt ook voor het door [de gedaagde] ter zitting uitgesproken vermoeden dat [de eiser] een financieel belang hebben bij de verkoop aan [betrokkene] omdat hij een deal met hen zou hebben gemaakt dat zij een bedrag ‘onder de tafel’ zouden ontvangen. 4.8.
Volledig
Ten slotte heeft [betrokkene] volgens [de gedaagde] zonder toestemming van [de gedaagde] werkzaamheden uitgevoerd op de percelen in verband met de daar aangetroffen Japanse Duizendknoop. [de eiser] hebben in dit verband aangevoerd dat [eiser 1] de erfgenamen via de WhatsAppgroep op de hoogte heeft gesteld van de voorgenomen werkzaamheden en dat [de gedaagde] heeft nagelaten hierop te reageren, zodat [de eiser] ervan uitgingen dat ook [de gedaagde] ermee akkoord was. Uit de door [de gedaagde] zelf in het geding gebrachte WhatsApp-correspondentie blijkt inderdaad dat [eiser 1] op 12 oktober 2025 aan de overige erfgenamen heeft laten weten dat er Japanse Dduizendknoop is gevonden en dat [betrokkene] de voor de verwijdering daarvan geraamde kosten van € 12.000,00 voor zijn rekening wil nemen. [de gedaagde] had hiervan dan ook op de hoogte kunnen zijn. Ook stelt [de gedaagde] dat de Japanse Duizendknoop niet op een juiste wijze is verwijderd. Nog daargelaten dat dit binnen het bestek van dit kort geding niet kan worden vastgesteld, is het ook niet relevant of [betrokkene] de Japanse Duizendknoop op een juiste wijze heeft laten verwijderen, nu hij de woning immers wil kopen. [de gedaagde] is verder bang dat [betrokkene] de kosten voor het verwijderen van de Japanse Duizendknoop op de erfgenamen zal gaan verhalen indien de verkoop van de percelen aan hem geen doorgang zal vinden maar ook dit argument snijdt geen hout. Zoals hierna zal worden geoordeeld is [de gedaagde] gehouden mee te werken aan de verkoop van de woning aan [betrokkene] zodat de verkoop aan [betrokkene] zal kunnen doorgaan. [betrokkene] heeft de koopovereenkomst immers al getekend. 4.9. De conclusie is dat [de gedaagde] onvoldoende steekhoudende bezwaren tegen de verkoop van de woning aan [betrokkene] heeft opgeworpen. 4.10. De nalatenschap van erflater is door een aantal erfgenamen beneficiair aanvaard. Ter zitting hebben [de eiser] toegelicht waaruit de nalatenschap bestaat. Het spaargeld en de inboedel van erflater zijn inmiddels verdeeld en vast staat dat ook [de gedaagde] zijn aandeel daarin heeft ontvangen, zodat alleen nog de woning resteert, waarop nog een relatief geringe hypotheekschuld van circa € 32.000,00 rust. De nalatenschap bevat volgens [de eiser] verder geen schulden. [de gedaagde] heeft dit niet weersproken. De vereffening zal dan ook bestaan uit het voldoen van voornoemde hypotheekschuld. Gelet op de (getaxeerde) waarde van de woning is het alleszins aannemelijk dat de baten de schulden van de nalatenschap ver overstijgen. De woning zal moeten worden verkocht alvorens tot verdeling van de nalatenschap kan worden overgegaan. Nu er een koper bereid is gevonden die meer dan de getaxeerde waarde voor de woning wil betalen, moet [de gedaagde] gelet op het voorgaande meewerken aan de verkoop van de woning aan [betrokkene] . [de gedaagde] heeft niet aangetoond dat de woning op korte termijn aan een ander kan worden verkocht en dan meer zal opbrengen. 4.11. [de gedaagde] heeft nog betwist dat [de eiser] spoedeisend belang hebben bij hun vordering maar ook hierin kan hij niet worden gevolgd. [de eiser] willen de nalatenschap van erflater graag afwikkelen en dat is op dit moment feitelijk niet mogelijk omdat [de gedaagde] weigert de koopovereenkomst te tekenen. Niet weersproken is dat de aan de woning verbonden maandelijkse vaste lasten ten laste van de nalatenschapsboedel doorlopen. Bovendien staat de woning op dit moment leeg, met alle risico’s van dien. Ter zitting hebben [de eiser] toegelicht dat zij etensresten hebben aangetroffen in de woning, zodat bij hen tevens de vrees bestaat dat krakers hun intrek in de woning zullen nemen. Ook moeten een aantal van de erfgenamen nog erfbelasting voldoen en uitstel van betaling daarvan kan enkel tegen een relatief hoge rente. 4.12. [de eiser] vorderen medewerking door [de gedaagde] aan de totstandbrenging en uitvoering van de koopovereenkomst. De voorzieningenrechter begrijpt dat deze vordering niet alleen ziet op het ondertekenen van de koopovereenkomst maar ook op het uitvoeren daarvan door middel van de notariële overdracht van de woning. [de eiser] willen de woning immers zo snel mogelijk aan [betrokkene] overdragen. In artikel 4 van de koopovereenkomst staat dat de akte van levering zal worden gepasseerd op 16 februari 2026 of zoveel eerder of later als partijen tezamen overeenkomen. Aangezien deze datum inmiddels is verstreken zal de datum van levering in overleg tussen de erfgenamen en [betrokkene] moeten worden bepaald. [de gedaagde] dient daaraan op eerste verzoek eveneens zijn medewerking te verlenen. De vordering zal gelet op het voorgaande worden toegewezen, in die zin dat [de gedaagde] zal worden veroordeeld de koopovereenkomst binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis te ondertekenen en mee te werken aan de levering van de woning door op de nader te bepalen datum van overdracht de akte van overdracht te ondertekenen. De door [de eiser] gevorderde dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd als uit het dictum volgt. [de gedaagde] heeft daartegen geen afzonderlijk verweer gevoerd en het is onvoldoende aannemelijk dat [de gedaagde] vrijwillig aan deze veroordelingen zal voldoen. 4.13. [de gedaagde] heeft in zijn verweerschrift van 22 maart 2026 ook vorderingen jegens [de eiser] geformuleerd die zien op de advocaatkosten die [de gedaagde] in het kader van het vorige kort geding heeft gemaakt en de advocaat- en makelaarskosten die [de eiser] hebben voldaan van de erfenisrekening. Ook wil [de gedaagde] dat de voorzieningenrechter een onafhankelijke mediator of vereffenaar aanwijst indien [de eiser] er niet mee akkoord gaan dat er een (nieuwe) makelaar wordt ingeschakeld om meerdere projectontwikkelaars te benaderen. Dit komt neer op een eis in reconventie. Een eis in reconventie is een proceshandeling en kan dus slechts worden ingesteld door een partij die bij advocaat is verschenen (artikel 6.1. van het Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken). Aangezien [de gedaagde] in persoon en niet vertegenwoordigd door een advocaat is verschenen, kan de eis in reconventie niet worden toegelaten. Bij bericht van de voorzieningenrechter van 26 februari 2026 is dit al naar aanleiding van vragen van [de gedaagde] daartoe aan hem meegedeeld. De voorzieningenrechter laat die vorderingen van [de gedaagde] dan ook buiten beschouwing. 4.14. In de aard van de procedure en de familierelatie tussen partijen wordt aanleiding gezien de kosten van deze procedure tussen partijen te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 5 De beslissing De voorzieningenrechter 5.1. veroordeelt [de gedaagde] om binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis de koopovereenkomst met betrekking tot de woning en verdere aanhorigheden aan de [adres] , zoals door [de eiser] als productie XII in het geding is gebracht, te ondertekenen en om op eerste verzoek van [de eiser] dan wel de notaris mee te werken aan het bepalen van een nieuwe datum en tijdstip voor de notariële overdracht van de woning aan [betrokkene] , 5.2. veroordeelt [de gedaagde] zijn volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan de levering van de woning door het ondertekenen van de notariële akte van levering op de nader te bepalen datum en tijdstip van notariële overdracht van de woning, 5.3. veroordeelt [de gedaagde] om aan [de eiser] een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de in 5.1. en/of 5.2. uitgesproken veroordelingen voldoet, tot voor de niet-nakoming van deze veroordelingen in totaal een maximum van € 100.000,00 is bereikt, 5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 5.5. compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, 5.6. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Peerdeman en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026. 1328 ECLI:NL:HR:2023:499.