Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2026-04-03
ECLI:NL:RBGEL:2026:2567
RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrechtzaaknummers: ARN 25/2824 en ARN 25/2875 uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaken tussen [naam bedrijf 1] B.V. en [naam bedrijf 2] B.V. , gevestigd in [plaats 1], eiseres (in zaak ARN 25/2824) (gemachtigde: mr. T.A. Timmermans), [eiser], uit [plaats 1], eiser (in zaak ARN 25/2875) (gemachtigde mr. S. Oord), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente West Betuwe (gemachtigde: mr. A. de Zeeuw). Als derde-partij nemen aan de zaken deel: [derde-partij 1] B.V. (zaak 25/2875), gevestigd in [plaats 2], en [derde-partij 2] B.V. (zaak 25/2824), gevestigd in [plaats 3], hierna in enkelvoud vergunninghouder. Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over een aan vergunninghouder verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van bedrijfsunits aan de [locatie] in [plaats 1]. Eiseres en eiser zijn het niet eens met de verleende omgevingsvergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de omgevingsvergunning. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de omgevingsvergunning in stand blijft omdat het college de aanvraag op een goede manier heeft getoetst aan de bouwverordening en gebruik heeft kunnen maken van de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid. Eiseres en eiser krijgen dus geen gelijk en de beroepen zijn ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.2. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaken. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3. Daarbij gaat de rechtbank in op de volgende vragen. Heeft het college de vergunning op de juiste wijze getoetst aan de bouwverordening? Heeft het college gebruik kunnen maken van de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid? Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. Procesverloop 2. Vergunninghouder heeft op 15 juni 2022 een aanvraag ingediend voor nieuwbouw van bedrijfsunits op het perceel van de [locatie] in [plaats 1]. 2.1. Op 20 december 2022 heeft het college de van rechtswege verleende omgevingsvergunning gepubliceerd. Eiseres en eiser hebben hiertegen bezwaar gemaakt. 2.2. Bij beslissing op bezwaar van 21 mei 2025 heeft het college het besluit van 20 december 2022 herroepen en, na een inhoudelijke toetsing, de gevraagde vergunning verleend voor de activiteiten bouwen, een werk aanleggen of uitvoeren, iets doen wat volgens het bestemmingsplan niet mag (binnenplanse afwijking), en het maken of veranderen van uitwegen. 2.3. Eiseres en eiser hebben beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. 2.4. Bij uitspraak van 5 september 2025 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank uitspraak gedaan op een verzoek om voorlopige voorziening van eiseres 1. De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat partijen van mening verschillen over de gevolgen van het heien in het perceel waarvan de bodem vervuild is. Omdat de gevolgen van eventuele verspreiding van de vervuiling groot zijn en niet op voorhand kan worden gezegd dat door het heien geen verplaatsing zal plaatsvinden, is de omgevingsvergunning van 21 mei 2025 geschorst. 2.5. Het college heeft een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift ingediend. 2.6. De rechtbank heeft de beroepen op 29 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [persoon A] namens eiseres en gemachtigde van eiseres, [persoon B] namens eiser en gemachtigde van eiser, de gemachtigde van het college, en [persoon C], [persoon D] en [persoon E] (specialist bodem) namens vergunninghouder. Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank beoordeelt de verleende omgevingsvergunning aan de hand van de beroepsgronden van eiseres en eiser. Ingetrokken beroepsgronden 4. Eiseres heeft de beroepsgronden over archeologisch onderzoek, het aantal bedrijfsunits, het welstandsadvies en het ontbreken van een aanlegvergunning tijdens de zitting ingetrokken. Achtergrond 5. Vergunninghouder heeft in 2022 een omgevingsv Er kan namelijk een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen op verontreinigde bodem worden verleend als het college voorwaarden verbindt aan de vergunning en uit een goedgekeurd saneringsplan blijkt dat de bodem voor het beoogde doel geschikt kan worden gemaakt. Vaststaat dat er in dit geval een saneringsplan is opgesteld dat door het college is goedgekeurd en dat onderdeel uitmaakt van de vergunning. Omgevingsvergunning 7.4. In de vergunning staan onder 6 de regels voor werk in de bodem. “ 6. De regels voor werk in de bodem - Voorafgaand aan graafwerkzaamheden t.b.v. de bouw moet de milieuhygiënische kwaliteit van de grondwallen op de bouwlocatie worden bepaald door de uitvoering van één of meerdere partijkeuringen conform BRL SIKB 1000. - De rapportage van de partijkeuring(-en) moet tenminste vier weken voorafgaand aan de graafwerkzaamheden bij Omgevingsdienst Rivierenland (ODR) worden ingediend ter beoordeling. Er wordt dan ook beoordeeld of de grond uit de wallen ofwel herschikt kan worden onder de bebouwing en verharding, ofwel afgevoerd moet worden naar een erkende verwerker. - Minstens vier weken voorafgaand aan graafwerkzaamheden t.b.v. de bouw moeten bij het digitale omgevingsloket (DSO) meldingen en informatieplichten MBA Saneren en MBA Graven boven Interventiewaarde ingediend worden. Het rapport "Saneringsplan [locatie] te [plaats 1]", Bottomline Projectbegeleiding, projector. 400-8, 7 februari 2025, kan bij de informatieplichten als bijlage worden ingediend. - De maatregelen die voortvloeien uit de beoordeling van de ingediende meldingen en informatieplichten vanuit voorwaarde 3 moeten opgevolgd worden. - De verwachting is dat er geen graafwerkzaamheden beneden grondwaterniveau uitgevoerd worden. Als het toch nodig is om grondwater uit de bodem te pompen en te lozen op de riolering of een watergang moet u hiervoor toestemming vragen bij uw gemeente en/of bij Waterschap Rivierenland. Wat u moet doen kunt u nagaan via het omgevingsloket.” Wat staat er in het saneringsplan? 7.5. In het saneringsplan wordt geconcludeerd dat sprake is van een ernstige immobiele bodemverontreiniging. Deze conclusie is gebaseerd op diverse bodemonderzoeken van onder meer 2020, 2023 en 2024. Het bodemvolume waarin de grond is verontreinigd met zware metalen, PAK, minerale olie en EOX groter dan de interventiewaarde, overschrijden het volumecriterium van 25 m³ grond in de Wet bodembescherming. Uit onderzoek is gebleken dat de stortlaag niet heeft geresulteerd in een sterke grondwaterverontreiniging. Doel van de sanering is het herschikken van de verontreinigde grond en voorzien van een duurzame afdeklaag. 7.6. De sanering vindt plaats in combinatie met de ontwikkeling van het perceel. De toekomstige bebouwing en de verharding van het parkeerterrein dekken de volledige verontreiniging af. Omdat de deklaag van het perceel een minimale dikte heeft moet er bij de sloop zoveel mogelijk voorkomen worden dat er in de grond wordt geroerd. Bij de uitvoering moet ook voorkomen worden dat de verontreiniging zich in verticale richting verspreidt. Om te vermijden dat tijdens het heiproces stortmateriaal naar beneden verplaatst, is een speciale tool ontwikkeld waarmee de gaten voor de heipalen worden voor geprikt. De tool van het voorprikken zorgt ervoor dat de grond opzij wordt gedrukt in plaats van naar beneden. 7.7. De sanering moet worden uitgevoerd volgens de beoordelingsrichtlijn uitvoering bodemsanering BRL SIKB7000 en het SIKB protocol 7001 uitvoering van landbodemsaneringen met conventionele methoden. Bij de uitvoering van de sanering worden de ontgravingswerkzaamheden uitgevoerd door een gecertificeerde aannemer en het gehele saneringstraject begeleid door een gecertificeerd milieukundig toezichthouder. Na afronding van de sanering stelt de milieukundig toezichthouder een evaluatierapport op. 7.8. Na uitvoering van de bouwwerkzaamheden worden drie peilbuizen geselecteerd of geplaatst aan de benedenstroomse zijde van de saneringslocatie. G Wanneer er toch schade optreedt is dat geen gebrek dat kleeft aan de vergunning die in deze zaak ter beoordeling voorligt, maar is dat een civiele kwestie tussen partijen. 7.12. Wat betreft het infiltreren van hemelwater is duidelijk dat dat inmiddels anders wordt geregeld. Waar aanvankelijk het plan was dat het regenwater zou worden geïnfiltreerd in de bodem, is in de vergunning gekozen voor waterbergingscompensatie elders. In de vergunning staat hierover dat de watercompensatie dient plaats te vinden conform de bij het waterschap aan te vragen watervergunning. Uit de berekening van 29 september 2023 die onderdeel uitmaakt van de vergunning, blijkt dat er een waterberging van 598 m³ nodig is. Tijdens de zitting is toegelicht dat in overleg met het waterschap compensatie is gezocht richting de Linge. 7.13. Voor zover eiser stelt dat hij niet kan controleren hoe het college de melding van het saneringsplan heeft getoetst, heeft eiser onvoldoende onderbouwd waarom hij van mening is dat de toetsing niet op een reguliere en juiste manier is verlopen. De rechtbank ziet daarom geen reden om te twijfelen aan de wijze van toetsen door het college. 7.14. De beroepsgronden slagen niet. Heeft het college gebruik kunnen maken van de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid? 8. Eiseres betoogt dat een bedrijfsverzamelgebouw op het perceel in strijd met het bestemmingsplan is. Eiseres voert aan dat zij tegen de komst van een bedrijfsverzamelgebouw is vanwege de mogelijke impact op de omgeving voor wat betreft parkeren, verkeersafwikkeling en bereikbaarheid van hulpdiensten bij calamiteiten. Met deze belangen en de belangen van omwonenden is volgens haar onvoldoende rekening gehouden. Toetsingskader 8.1. Ter plaatse zijn het bestemmingsplan “Bedrijventerreinen” en het Paraplubestemmingsplan “Parkeren 2019” van toepassing. Het perceel heeft de bestemming ‘Bedrijventerrein’ met dubbelbestemmingen ‘Waterstaat -Waterbergingsgebied’ en ‘Waarde – Archeologie 2’ en gebiedsaanduidingen ‘wetgevingszone afwijkingsgebied 1’, ‘wetgevingszone – afwijkingsgebied 2’ en ‘overige zone – vernietigde bestemming’. Verder is zijn twee maatvoeringsaanduidingen van toepassing, een maximum bebouwingspercentage van 60% en een maximum bouwhoogte van tien meter. Het college kan binnen de aanduiding ‘wetgevingzone - afwijkingsgebied 1’, binnenplans afwijken om een bedrijfsverzamelgebouw toe te staan, als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: er zijn voldoende laad- en losmogelijkheden en parkeervoorzieningen voorzien; er vindt geen onevenredige aantasting plaats van het woon- en leefmilieu en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden. Overwegingen 8.2. De rechtbank is van oordeel dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat gebruikmaking van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid niet leidt tot strijd met een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank stelt vast dat het parkeren niet meer in geschil is, omdat duidelijk is dat het benodigde aantal parkeerplaatsen volledig op eigen terrein wordt gerealiseerd. Voor wat betreft de toename van de verkeersintensiteit heeft het college zich gebaseerd op een beoordeling van de gemeentelijke verkeersdeskundige. Die heeft aan de hand van actuele gegevens over verkeersbewegingen gekeken naar de capaciteit van de huidige infrastructuur en de te verwachten toename van verkeersbewegingen. Daaruit blijkt dat de huidige gebiedsontsluitingsweg met een maximum snelheid van 50 km per uur voldoende capaciteit heeft om de toename in verkeersbewegingen als gevolg van het bouwplan op te vangen. Om het verkeer bij het in- en uitrijden zoveel mogelijk te optimaliseren is wel geadviseerd om op het terrein van het bedrijfsverzamelgebouw eenrichtingsverkeer aan te houden. Dat advies is overgenomen en maakt via een situatietekening onderdeel uit van de vergunning. Eiseres heeft de uitgangspunten van de verkeerskundige niet gemotiveerd weerlegd. Gelet hierop is er geen aanleiding voor het oordeel dat het college in de toename van het aantal