Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2026-03-25
ECLI:NL:RBGEL:2026:2491
Civiel recht; Goederenrecht
Bodemzaak
4,057 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:2491 text/xml public 2026-04-16T10:26:20 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-03-25 452125 Uitspraak Bodemzaak NL Arnhem Civiel recht; Goederenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2491 text/html public 2026-04-07T10:18:04 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:2491 Rechtbank Gelderland , 25-03-2026 / 452125 Geen geslaagd beroep op verkrijgende of bevrijdende verjaring strook grond, geen daad van inbezitneming. RECHTBANK Gelderland Civiel recht Zittingsplaats Arnhem Zaaknummer: C/05/452125 / HA ZA 25-225 Vonnis van 25 maart 2026 in de zaak van [naam eisend bedrijf in conventie / verwerend in reconventie] B.V. , te [vestigingsplaats] , eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: [eiser in conventie] , advocaat: mr. E. Vels-Turan, tegen 1 [naam gedaagde in conventie / eiser in reconventie 1] , te [woonplaats] , 2. [naam gedaagde in conventie / eiser in reconventie 2] , te [woonplaats] , gedaagde partijen in conventie, eisende partijen in reconventie, hierna samen te noemen: [gedaagden in conventie] , advocaat: mr. F.A.R. van den Berg. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 5 november 2025 - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 13 februari 2026. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De zaak in het kort 2.1. Deze zaak gaat over een strook grond rondom de erfgrens tussen de percelen van [eiser in conventie] en [gedaagden in conventie] Op 26 augustus 2024 heeft een erfgrensreconstructie plaatsgevonden door het kadaster. Volgens [eiser in conventie] volgt daaruit dat een strook grond, die nu in gebruik is bij [gedaagden in conventie] (hierna: de betwiste strook grond) tot haar perceel behoort. Daarom vordert zij in conventie een verklaring voor recht dat de perceelsgrens tussen de percelen van partijen is zoals deze door het kadaster is opgemeten tijdens de erfgrensreconstructie. [gedaagden in conventie] doen een beroep op verkrijgende dan wel bevrijdende verjaring en vorderen in reconventie een verklaring voor recht dat zij eigenaar zijn van de betwiste strook grond. 2.2. De rechtbank komt tot de conclusie dat [gedaagden in conventie] geen geslaagd beroep kunnen doen op verkrijgende dan wel bevrijdende verjaring, omdat [gedaagden in conventie] onvoldoende hebben onderbouwd dat door hen dan wel hun rechtsvoorgangers sprake is geweest van inbezitneming van de betwiste strook grond. Dat betekent dat de vordering in conventie grotendeels wordt toegewezen en dat de vorderingen in reconventie worden afgewezen. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot deze beslissingen is gekomen. 3 De beoordeling 3.1. Omdat de vorderingen in conventie en in reconventie met elkaar samenhangen, zullen deze gezamenlijk worden beoordeeld. Geen geslaagd beroep op verkrijgende dan wel bevrijdende verjaring door [gedaagden in conventie] 3.2. Op 14 mei 2024 is [eiser in conventie] eigenaar geworden van een perceel gelegen nabij de [straatnaam] in [plaatsnaam] , kadastraal bekend als [kadaster-registratie 1] . Dit perceel grenst aan de percelen van [gedaagden in conventie] , kadastraal bekend als [kadaster-registratie 2] . [gedaagden in conventie] zijn sinds 11 juli 2019 eigenaar van deze percelen. Op 26 augustus 2024 heeft een erfgrensreconstructie plaatsgevonden door het kadaster. Partijen zijn het erover eens dat de erfgrens die hierin is vastgesteld op een andere plaats loopt dan de afrastering die nu bepaalt hoe de percelen van partijen feitelijk in gebruik zijn. Deze afrastering loopt over het perceel 226 en daardoor is een deel van dat perceel nu feitelijk in gebruik is bij de eigenaren van de percelen 415 en 416. [gedaagden in conventie] gebruiken de betwiste strook grond onder andere om met paarden langs de paardenbak die op hun perceel ligt te lopen. Partijen zijn het er over eens dat de afrastering al sinds in elk geval 1994 op dezelfde plaats staat. Partijen hebben ter zitting toegelicht dat de betwiste strook grond vanaf de schuur op het perceel van [gedaagde in conventie 1] ongeveer 40 (volgens [gedaagden in conventie] ) a 60 centimeter (volgens [eiser in conventie] ) breed is en tot het eind van de percelen wijder uitloopt naar ongeveer 160 centimeter breed. De lengte van de strook is volgens [gedaagden in conventie] ongeveer 80 meter lang. 3.3. Kern van de zaak is de vraag of [gedaagden in conventie] door verkrijgende dan wel bevrijdende verjaring eigenaar zijn geworden van de betwiste strook grond. Voor verkrijgende verjaring is op grond van artikel 3:99 BW vereist dat [gedaagden in conventie] (dan wel hun rechtsvoorganger(s)) 10 jaar onafgebroken bezitter zijn geweest van de betwiste strook grond en dat dit bezit te goeder trouw is verkregen. Ook voor een beroep op bevrijdende verjaring is vereist dat de rechtsvoorgangers de betwiste strook grond in bezit hebben genomen. Voor bezit is noodzakelijk dat de bezitter zich zodanig gedraagt dat de eigenaar tegen wie de verjaring loopt daaruit niet anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert eigenaar te zijn. Daarbij gaat het niet om wat zich in het hoofd van betrokkenen heeft afgespeeld, maar wat er feitelijk is gebeurd. Voor iedere buitenstaander moet duidelijk zijn dat de ander acties heeft verricht waaruit blijkt dat hij eigenaar is van het perceel en het moet voor de eigenaar tegen wie de verjaring loopt ook zodanig duidelijk zijn dat hij tijdig maatregelen kan nemen om de inbreuk op zijn recht te beëindigen. 3.4. [gedaagden in conventie] hebben als daden van inbezitneming gewezen op het aanwezig zijn van de afrastering en het dagelijks gebruik van de betwiste strook grond als looppad langs de manegebak. Deze afrastering staat er in elk geval al sinds 1994 en hebben [gedaagden in conventie] samen met de rechtsvoorganger van [eiser in conventie] , [naam] , in 2021 vernieuwd en op dezelfde plaats herplaatst, aldus [gedaagden in conventie] 3.5. Deze omstandigheden duiden weliswaar op langdurig gebruik van de betwiste strook grond door [gedaagden in conventie] en hun rechtsvoorganger(s), maar kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet als bezitsdaad worden aangemerkt. Dat [gedaagden in conventie] en mogelijk ook hun rechtsvoorganger de betwiste strook grond altijd als onderdeel van hun perceel hebben beschouwd, is zoals hiervoor onder 3.3. in het kader is geschetst niet relevant. Het gaat immers niet om wat zich in de hoofden van de betrokkenen heeft afgespeeld, maar wat er feitelijk is gebeurd. [eiser in conventie] dan wel haar rechtsvoorganger hebben uit het aanwezig zijn dan wel het herplaatsen van de afrastering en het gebruik van de betwiste strook grond als looppad niet zonder meer een wilsuiting van (de rechtsvoorgangers van) [gedaagden in conventie] om als bezitter op te treden kunnen afleiden. Het kan ook niet als het prijsgeven van het bezit door [eiser in conventie] en haar rechtsvoorganger worden gezien. Het duidt naar het oordeel van de rechtbank enkel op gebruik van de betwiste strook grond en voor inbezitneming is meer nodig, zoals bijvoorbeeld het bebouwen ervan of het plaatsen van een ondoordringbare afscheiding. 3.6. Omdat hetgeen [gedaagden in conventie] hebben aangevoerd niet kan leiden tot de conclusie dat (de rechtsvoorgangers van) [gedaagden in conventie] de betwiste strook grond in bezit hebben genomen, is nooit een termijn aangevangen die had kunnen leiden tot verkrijgende dan wel bevrijdende verjaring. [gedaagden in conventie] zijn dus niet door verjaring eigenaar geworden van de betwiste strook grond. Conclusie 3.7. Omdat [gedaagden in conventie] geen beroep toekomt op verkrijgende dan wel bevrijdende verjaring, geldt het uitgangspunt dat de kadastrale grens tussen de percelen van partijen de juridische eigendomsgrens is. Dat betekent dat de betwiste strook grond in eigendom toebehoort aan [eiser in conventie] en dat de gevorderde verklaring voor recht dat de perceelsgrens is zoals deze door het kadaster is opgemeten, wordt toegewezen. De vorderingen in reconventie zullen worden afgewezen. 3.8.
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:2491 text/xml public 2026-04-16T10:26:20 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-03-25 452125 Uitspraak Bodemzaak NL Arnhem Civiel recht; Goederenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2491 text/html public 2026-04-07T10:18:04 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:2491 Rechtbank Gelderland , 25-03-2026 / 452125 Geen geslaagd beroep op verkrijgende of bevrijdende verjaring strook grond, geen daad van inbezitneming. RECHTBANK Gelderland Civiel recht Zittingsplaats Arnhem Zaaknummer: C/05/452125 / HA ZA 25-225 Vonnis van 25 maart 2026 in de zaak van [naam eisend bedrijf in conventie / verwerend in reconventie] B.V. , te [vestigingsplaats] , eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: [eiser in conventie] , advocaat: mr. E. Vels-Turan, tegen 1 [naam gedaagde in conventie / eiser in reconventie 1] , te [woonplaats] , 2. [naam gedaagde in conventie / eiser in reconventie 2] , te [woonplaats] , gedaagde partijen in conventie, eisende partijen in reconventie, hierna samen te noemen: [gedaagden in conventie] , advocaat: mr. F.A.R. van den Berg. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 5 november 2025 - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 13 februari 2026. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De zaak in het kort 2.1. Deze zaak gaat over een strook grond rondom de erfgrens tussen de percelen van [eiser in conventie] en [gedaagden in conventie] Op 26 augustus 2024 heeft een erfgrensreconstructie plaatsgevonden door het kadaster. Volgens [eiser in conventie] volgt daaruit dat een strook grond, die nu in gebruik is bij [gedaagden in conventie] (hierna: de betwiste strook grond) tot haar perceel behoort. Daarom vordert zij in conventie een verklaring voor recht dat de perceelsgrens tussen de percelen van partijen is zoals deze door het kadaster is opgemeten tijdens de erfgrensreconstructie. [gedaagden in conventie] doen een beroep op verkrijgende dan wel bevrijdende verjaring en vorderen in reconventie een verklaring voor recht dat zij eigenaar zijn van de betwiste strook grond. 2.2. De rechtbank komt tot de conclusie dat [gedaagden in conventie] geen geslaagd beroep kunnen doen op verkrijgende dan wel bevrijdende verjaring, omdat [gedaagden in conventie] onvoldoende hebben onderbouwd dat door hen dan wel hun rechtsvoorgangers sprake is geweest van inbezitneming van de betwiste strook grond. Dat betekent dat de vordering in conventie grotendeels wordt toegewezen en dat de vorderingen in reconventie worden afgewezen. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot deze beslissingen is gekomen. 3 De beoordeling 3.1. Omdat de vorderingen in conventie en in reconventie met elkaar samenhangen, zullen deze gezamenlijk worden beoordeeld. Geen geslaagd beroep op verkrijgende dan wel bevrijdende verjaring door [gedaagden in conventie] 3.2. Op 14 mei 2024 is [eiser in conventie] eigenaar geworden van een perceel gelegen nabij de [straatnaam] in [plaatsnaam] , kadastraal bekend als [kadaster-registratie 1] . Dit perceel grenst aan de percelen van [gedaagden in conventie] , kadastraal bekend als [kadaster-registratie 2] . [gedaagden in conventie] zijn sinds 11 juli 2019 eigenaar van deze percelen. Op 26 augustus 2024 heeft een erfgrensreconstructie plaatsgevonden door het kadaster. Partijen zijn het erover eens dat de erfgrens die hierin is vastgesteld op een andere plaats loopt dan de afrastering die nu bepaalt hoe de percelen van partijen feitelijk in gebruik zijn. Deze afrastering loopt over het perceel 226 en daardoor is een deel van dat perceel nu feitelijk in gebruik is bij de eigenaren van de percelen 415 en 416. [gedaagden in conventie] gebruiken de betwiste strook grond onder andere om met paarden langs de paardenbak die op hun perceel ligt te lopen. Partijen zijn het er over eens dat de afrastering al sinds in elk geval 1994 op dezelfde plaats staat. Partijen hebben ter zitting toegelicht dat de betwiste strook grond vanaf de schuur op het perceel van [gedaagde in conventie 1] ongeveer 40 (volgens [gedaagden in conventie] ) a 60 centimeter (volgens [eiser in conventie] ) breed is en tot het eind van de percelen wijder uitloopt naar ongeveer 160 centimeter breed. De lengte van de strook is volgens [gedaagden in conventie] ongeveer 80 meter lang. 3.3. Kern van de zaak is de vraag of [gedaagden in conventie] door verkrijgende dan wel bevrijdende verjaring eigenaar zijn geworden van de betwiste strook grond. Voor verkrijgende verjaring is op grond van artikel 3:99 BW vereist dat [gedaagden in conventie] (dan wel hun rechtsvoorganger(s)) 10 jaar onafgebroken bezitter zijn geweest van de betwiste strook grond en dat dit bezit te goeder trouw is verkregen. Ook voor een beroep op bevrijdende verjaring is vereist dat de rechtsvoorgangers de betwiste strook grond in bezit hebben genomen. Voor bezit is noodzakelijk dat de bezitter zich zodanig gedraagt dat de eigenaar tegen wie de verjaring loopt daaruit niet anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert eigenaar te zijn. Daarbij gaat het niet om wat zich in het hoofd van betrokkenen heeft afgespeeld, maar wat er feitelijk is gebeurd. Voor iedere buitenstaander moet duidelijk zijn dat de ander acties heeft verricht waaruit blijkt dat hij eigenaar is van het perceel en het moet voor de eigenaar tegen wie de verjaring loopt ook zodanig duidelijk zijn dat hij tijdig maatregelen kan nemen om de inbreuk op zijn recht te beëindigen. 3.4. [gedaagden in conventie] hebben als daden van inbezitneming gewezen op het aanwezig zijn van de afrastering en het dagelijks gebruik van de betwiste strook grond als looppad langs de manegebak. Deze afrastering staat er in elk geval al sinds 1994 en hebben [gedaagden in conventie] samen met de rechtsvoorganger van [eiser in conventie] , [naam] , in 2021 vernieuwd en op dezelfde plaats herplaatst, aldus [gedaagden in conventie] 3.5. Deze omstandigheden duiden weliswaar op langdurig gebruik van de betwiste strook grond door [gedaagden in conventie] en hun rechtsvoorganger(s), maar kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet als bezitsdaad worden aangemerkt. Dat [gedaagden in conventie] en mogelijk ook hun rechtsvoorganger de betwiste strook grond altijd als onderdeel van hun perceel hebben beschouwd, is zoals hiervoor onder 3.3. in het kader is geschetst niet relevant. Het gaat immers niet om wat zich in de hoofden van de betrokkenen heeft afgespeeld, maar wat er feitelijk is gebeurd. [eiser in conventie] dan wel haar rechtsvoorganger hebben uit het aanwezig zijn dan wel het herplaatsen van de afrastering en het gebruik van de betwiste strook grond als looppad niet zonder meer een wilsuiting van (de rechtsvoorgangers van) [gedaagden in conventie] om als bezitter op te treden kunnen afleiden. Het kan ook niet als het prijsgeven van het bezit door [eiser in conventie] en haar rechtsvoorganger worden gezien. Het duidt naar het oordeel van de rechtbank enkel op gebruik van de betwiste strook grond en voor inbezitneming is meer nodig, zoals bijvoorbeeld het bebouwen ervan of het plaatsen van een ondoordringbare afscheiding. 3.6. Omdat hetgeen [gedaagden in conventie] hebben aangevoerd niet kan leiden tot de conclusie dat (de rechtsvoorgangers van) [gedaagden in conventie] de betwiste strook grond in bezit hebben genomen, is nooit een termijn aangevangen die had kunnen leiden tot verkrijgende dan wel bevrijdende verjaring. [gedaagden in conventie] zijn dus niet door verjaring eigenaar geworden van de betwiste strook grond. Conclusie 3.7. Omdat [gedaagden in conventie] geen beroep toekomt op verkrijgende dan wel bevrijdende verjaring, geldt het uitgangspunt dat de kadastrale grens tussen de percelen van partijen de juridische eigendomsgrens is. Dat betekent dat de betwiste strook grond in eigendom toebehoort aan [eiser in conventie] en dat de gevorderde verklaring voor recht dat de perceelsgrens is zoals deze door het kadaster is opgemeten, wordt toegewezen. De vorderingen in reconventie zullen worden afgewezen. 3.8.