Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2026-03-27
ECLI:NL:RBGEL:2026:2419
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
8,148 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:2419 text/xml public 2026-04-16T13:29:51 2026-03-27 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-03-27 AWB24_6839 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2419 text/html public 2026-04-16T13:29:30 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:2419 Rechtbank Gelderland , 27-03-2026 / AWB24_6839 Inkomstenbelasting. Aftrek collegegeld als studiekosten voor een buitenlandse student? RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 24/6839 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 27 maart 2026 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende (gemachtigde: [gemachtigde] ), en de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Heerlen, de inspecteur. Inleiding In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 20 december 2023. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2018 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een verzamelinkomen van € 0. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende hiertegen ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslag gehandhaafd. Belanghebbende heeft daartegen bij de Rechtbank Zeeland-West-Brabant beroep ingesteld. Genoemde rechtbank heeft dit stuk op de voet van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht ter behandeling doorgestuurd naar de Rechtbank Gelderland. De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De rechtbank heeft het beroep op 4 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en namens de inspecteur [persoon A] en [persoon B] . Feiten 1. Belanghebbende is op 25 augustus 2018 naar Nederland geëmigreerd voor het volgen van een masteropleiding aan de [naam universiteit] (de universiteit). Het opleidingsjaar 2018/2019 startte op 1 september 2018. 2. Belanghebbende heeft van de universiteit met dagtekening 14 juni 2018 een factuur (de factuur) naar een te betalen bedrag van € 32.067 ontvangen. Op de factuur staan onder meer te betalen bedragen vermeld voor collegegeld voor het studiejaar 2018/2019 (€ 18.600), leefgeld, verzekering en kosten van de universiteit. De uiterste termijn van betaling van de factuur is 1 juli 2018. 3. Op 21 juni 2018 is het volledige factuurbedrag betaald. Het leefgeld is door de universiteit terugbetaald. 4. Belanghebbende heeft op 10 juni 2023 aangifte IB/PVV 2018 gedaan. Daarin is vermeld dat zij van 1 januari tot 25 augustus 2018 in Indonesië (buitenlandse periode) en van 25 augustus tot en met 31 december 2018 in Nederland (binnenlandse periode) woonde. Na aftrek van de wettelijke drempel is een restant persoonsgebonden aftrek wegens in de binnenlandse periode gemaakte scholingsuitgaven (aftrek studiekosten) van € 18.350 aangegeven. 5. De aanslag IB/PVV 2018 is met dagtekening 28 september 2023 opgelegd naar een verzamelinkomen van nihil. De in de aangifte geclaimde aftrek studiekosten is hierbij niet verleend. Er is geen beschikking nog te verrekenen persoonsgebonden aftrek vastgesteld. Beoordeling door de rechtbank 6. De rechtbank beoordeelt of belanghebbende in aanmerking komt voor een aftrek studiekosten en een daarmee verband houdende beschikking restant persoonsgebonden aftrek ultimo 2018 van € 18.350. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. Omdat de aanslag IB/PVV 2018 nihil bedraagt, zal de rechtbank deze niet beoordelen. Belanghebbende kan hier immers niet beter van worden. 7. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 8. Artikel 6.40, eerste lid, van de Wet IB 2001 bepaalt dat uitgaven ter zake van persoonsgebonden aftrekposten voor aftrek in aanmerking komen op het tijdstip waarop zij zijn betaald, zijn verrekend, ter beschikking zijn gesteld of rentedragend zijn geworden. 9. Het overmaken van een geldbedrag naar de bankrekening van een ander is niet alleen als een betaling in de zin van artikel 6.40, lid 1, letter a, van de Wet IB 2001 aan te merken in gevallen waarin daartoe op het moment van het overmaken van het geld een verplichting bestaat en dus degene die het geld op zijn bankrekening krijgt gestort, een opeisbare vordering tot betaling heeft. Van een betaling in zojuist bedoelde zin is ook sprake indien op het moment van het overmaken van een geldbedrag naar de bankrekening van een ander een rechtsverhouding tussen partijen bestaat, waaruit in de toekomst een betalingsverplichting ter zake van het collegegeld voortvloeit die als persoonsgebonden aftrekpost kan worden aangemerkt en de overmaking van het geldbedrag naar de bedoeling van partijen ertoe strekt om van tevoren aan die verplichting te voldoen. Daarbij is niet van belang of een eventuele prestatie van de wederpartij waarop de betaling betrekking heeft, op dat moment al is verricht. Van een betaling in de zin van artikel 6.40, lid 1, letter a, van de Wet IB 2001 is daarentegen geen sprake indien de belastingplichtige een geldbedrag naar de bankrekening van een ander overmaakt zonder dat daaraan een bestaande of toekomstige verplichting als hiervoor bedoeld ten grondslag ligt. In dat geval is een rechtstoestand ontstaan waarin het overgemaakte bedrag ter beschikking van de belastingplichtige is gebleven. De mogelijkheid bestaat dan dat het bedrag naar de bedoeling van partijen is overgemaakt als depotstorting, waarop een of meer bedragen die naderhand verschuldigd zijn op een later moment in mindering kunnen worden gebracht. In een zodanig geval vindt op dat latere moment verrekening plaats in de zin van artikel 6.40, lid 1, letter b, van de Wet IB 2001. De bewijslast ter zake van een en ander rust op belanghebbende. 10. Een ieder die gebruik wenst te kunnen maken van onderwijsvoorzieningen, examenvoorzieningen of voorzieningen van andere aard ten behoeve van initieel onderwijs aan een instelling, dient zich door het instellingsbestuur als student te laten inschrijven. De inschrijving geschiedt voor het gehele studiejaar, in deze zaak voor de periode van 1 september 2018 tot en met 31 augustus 2019. Een student is voor elk studiejaar dat hij door het instellingsbestuur voor een opleiding is ingeschreven, collegegeld verschuldigd. Tot inschrijving wordt niet overgegaan dan nadat het bewijs is overgelegd dat het verschuldigde collegegeld is of wordt voldaan. Voor inschrijving als student vanaf de aanvang van het studiejaar (1 september) is dus voldoende als de student voordien een bewijs heeft overgelegd dat het collegegeld wordt voldaan. 11. Het collegegeld wordt door of namens de student voldaan (a) door betaling ineens, (b) betaling in vijf termijnen, op verzoek van degene die zich tot betaling heeft verbonden, (c) dan wel betaling in een ander aantal termijnen overeenkomstig een door het instellingsbestuur en degene die zich tot betaling heeft verbonden te treffen betalingsregeling. Indien de student kiest voor betaling ineens, kan die betaling ook na de aanvang van het studiejaar plaatsvinden, mits de student, of een derde namens hem of haar, maar voor de aanvang van het studiejaar een bewijs heeft overgelegd dat het collegegeld wordt voldaan. Daarvoor zal doorgaans voldoende zijn als de student, of een derde namens hem, voor 1 september van het komende studiejaar een machtiging aan de instelling heeft verstrekt om het verschuldigde collegegeld van zijn bankrekening af te schrijven. De feitelijke incasso bij betaling ineens, vindt dan plaats na aanvang van het studiejaar. 12. De rechtbank stelt vast dat de universiteit belanghebbende één betalingsmogelijkheid van de factuur heeft geboden, te weten betaling binnen twee weken na de factuurdatum 14 juni 2018. De universiteit heeft belanghebbende geen mogelijkheid geboden tot betaling van het collegegeld in termijnen dan wel volgens een daartoe te treffen betalingsregeling, op de voet van artikel 7.47, eerste lid, aanhef en letters b en c, van de Whw. 13.
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:2419 text/xml public 2026-04-16T13:29:51 2026-03-27 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-03-27 AWB24_6839 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2419 text/html public 2026-04-16T13:29:30 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:2419 Rechtbank Gelderland , 27-03-2026 / AWB24_6839 Inkomstenbelasting. Aftrek collegegeld als studiekosten voor een buitenlandse student? RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 24/6839 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 27 maart 2026 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende (gemachtigde: [gemachtigde] ), en de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Heerlen, de inspecteur. Inleiding In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 20 december 2023. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2018 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een verzamelinkomen van € 0. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende hiertegen ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslag gehandhaafd. Belanghebbende heeft daartegen bij de Rechtbank Zeeland-West-Brabant beroep ingesteld. Genoemde rechtbank heeft dit stuk op de voet van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht ter behandeling doorgestuurd naar de Rechtbank Gelderland. De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De rechtbank heeft het beroep op 4 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en namens de inspecteur [persoon A] en [persoon B] . Feiten 1. Belanghebbende is op 25 augustus 2018 naar Nederland geëmigreerd voor het volgen van een masteropleiding aan de [naam universiteit] (de universiteit). Het opleidingsjaar 2018/2019 startte op 1 september 2018. 2. Belanghebbende heeft van de universiteit met dagtekening 14 juni 2018 een factuur (de factuur) naar een te betalen bedrag van € 32.067 ontvangen. Op de factuur staan onder meer te betalen bedragen vermeld voor collegegeld voor het studiejaar 2018/2019 (€ 18.600), leefgeld, verzekering en kosten van de universiteit. De uiterste termijn van betaling van de factuur is 1 juli 2018. 3. Op 21 juni 2018 is het volledige factuurbedrag betaald. Het leefgeld is door de universiteit terugbetaald. 4. Belanghebbende heeft op 10 juni 2023 aangifte IB/PVV 2018 gedaan. Daarin is vermeld dat zij van 1 januari tot 25 augustus 2018 in Indonesië (buitenlandse periode) en van 25 augustus tot en met 31 december 2018 in Nederland (binnenlandse periode) woonde. Na aftrek van de wettelijke drempel is een restant persoonsgebonden aftrek wegens in de binnenlandse periode gemaakte scholingsuitgaven (aftrek studiekosten) van € 18.350 aangegeven. 5. De aanslag IB/PVV 2018 is met dagtekening 28 september 2023 opgelegd naar een verzamelinkomen van nihil. De in de aangifte geclaimde aftrek studiekosten is hierbij niet verleend. Er is geen beschikking nog te verrekenen persoonsgebonden aftrek vastgesteld. Beoordeling door de rechtbank 6. De rechtbank beoordeelt of belanghebbende in aanmerking komt voor een aftrek studiekosten en een daarmee verband houdende beschikking restant persoonsgebonden aftrek ultimo 2018 van € 18.350. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. Omdat de aanslag IB/PVV 2018 nihil bedraagt, zal de rechtbank deze niet beoordelen. Belanghebbende kan hier immers niet beter van worden. 7. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 8. Artikel 6.40, eerste lid, van de Wet IB 2001 bepaalt dat uitgaven ter zake van persoonsgebonden aftrekposten voor aftrek in aanmerking komen op het tijdstip waarop zij zijn betaald, zijn verrekend, ter beschikking zijn gesteld of rentedragend zijn geworden. 9. Het overmaken van een geldbedrag naar de bankrekening van een ander is niet alleen als een betaling in de zin van artikel 6.40, lid 1, letter a, van de Wet IB 2001 aan te merken in gevallen waarin daartoe op het moment van het overmaken van het geld een verplichting bestaat en dus degene die het geld op zijn bankrekening krijgt gestort, een opeisbare vordering tot betaling heeft. Van een betaling in zojuist bedoelde zin is ook sprake indien op het moment van het overmaken van een geldbedrag naar de bankrekening van een ander een rechtsverhouding tussen partijen bestaat, waaruit in de toekomst een betalingsverplichting ter zake van het collegegeld voortvloeit die als persoonsgebonden aftrekpost kan worden aangemerkt en de overmaking van het geldbedrag naar de bedoeling van partijen ertoe strekt om van tevoren aan die verplichting te voldoen. Daarbij is niet van belang of een eventuele prestatie van de wederpartij waarop de betaling betrekking heeft, op dat moment al is verricht. Van een betaling in de zin van artikel 6.40, lid 1, letter a, van de Wet IB 2001 is daarentegen geen sprake indien de belastingplichtige een geldbedrag naar de bankrekening van een ander overmaakt zonder dat daaraan een bestaande of toekomstige verplichting als hiervoor bedoeld ten grondslag ligt. In dat geval is een rechtstoestand ontstaan waarin het overgemaakte bedrag ter beschikking van de belastingplichtige is gebleven. De mogelijkheid bestaat dan dat het bedrag naar de bedoeling van partijen is overgemaakt als depotstorting, waarop een of meer bedragen die naderhand verschuldigd zijn op een later moment in mindering kunnen worden gebracht. In een zodanig geval vindt op dat latere moment verrekening plaats in de zin van artikel 6.40, lid 1, letter b, van de Wet IB 2001. De bewijslast ter zake van een en ander rust op belanghebbende. 10. Een ieder die gebruik wenst te kunnen maken van onderwijsvoorzieningen, examenvoorzieningen of voorzieningen van andere aard ten behoeve van initieel onderwijs aan een instelling, dient zich door het instellingsbestuur als student te laten inschrijven. De inschrijving geschiedt voor het gehele studiejaar, in deze zaak voor de periode van 1 september 2018 tot en met 31 augustus 2019. Een student is voor elk studiejaar dat hij door het instellingsbestuur voor een opleiding is ingeschreven, collegegeld verschuldigd. Tot inschrijving wordt niet overgegaan dan nadat het bewijs is overgelegd dat het verschuldigde collegegeld is of wordt voldaan. Voor inschrijving als student vanaf de aanvang van het studiejaar (1 september) is dus voldoende als de student voordien een bewijs heeft overgelegd dat het collegegeld wordt voldaan. 11. Het collegegeld wordt door of namens de student voldaan (a) door betaling ineens, (b) betaling in vijf termijnen, op verzoek van degene die zich tot betaling heeft verbonden, (c) dan wel betaling in een ander aantal termijnen overeenkomstig een door het instellingsbestuur en degene die zich tot betaling heeft verbonden te treffen betalingsregeling. Indien de student kiest voor betaling ineens, kan die betaling ook na de aanvang van het studiejaar plaatsvinden, mits de student, of een derde namens hem of haar, maar voor de aanvang van het studiejaar een bewijs heeft overgelegd dat het collegegeld wordt voldaan. Daarvoor zal doorgaans voldoende zijn als de student, of een derde namens hem, voor 1 september van het komende studiejaar een machtiging aan de instelling heeft verstrekt om het verschuldigde collegegeld van zijn bankrekening af te schrijven. De feitelijke incasso bij betaling ineens, vindt dan plaats na aanvang van het studiejaar. 12. De rechtbank stelt vast dat de universiteit belanghebbende één betalingsmogelijkheid van de factuur heeft geboden, te weten betaling binnen twee weken na de factuurdatum 14 juni 2018. De universiteit heeft belanghebbende geen mogelijkheid geboden tot betaling van het collegegeld in termijnen dan wel volgens een daartoe te treffen betalingsregeling, op de voet van artikel 7.47, eerste lid, aanhef en letters b en c, van de Whw. 13.
Volledig
Uit de hiervoor weergeven bepalingen van de Whw blijkt dat de universiteit belanghebbende op het verkeerde been heeft gezet door te suggereren dat zij binnen twee weken na de dagtekening van de factuur het collegegeld moest hebben betaald. Voor inschrijving als student was immers voldoende geweest indien zij voor 1 september 2018 een bewijs had overgelegd dat het collegegeld zou worden voldaan. Voor aanvang van het studiejaar was het collegegeld niet verschuldigd. De verplichting het collegegeld te betalen is daarmee naar het oordeel van de rechtbank niet voor 1 september 2018 ontstaan. 14. Uit de stellingen van belanghebbende blijkt dat indien zij op de hoogte was geweest van de mogelijkheid om zich in te kunnen schrijven als student zonder het collegegeld binnen twee weken na factuurdatum reeds te hebben moeten betalen, zij voor een andere wijze van betaling van het collegegeld hebben gekozen. Uit artikel 7.37, tweede lid, in samenhang met artikel 7.47, eerste lid, van de Whw volgt immers dat voor een geldige inschrijving het voldoende was om vóór 1 september 2018 aan te tonen dat het collegegeld zou worden betaald en een betaling daarvan na haar aankomst in Nederland op 25 augustus 2018 zou zonder meer tot aftrek van scholingsuitgaven hebben geleid. 15. Hieruit vloeit voort dat belanghebbende bij de feitelijke betaling van het collegegeld heeft gedwaald met betrekking tot het tijdstip van opeisbaarheid daarvan. Aannemelijk is dat ook de universiteit bij het opstellen van de factuur heeft gedwaald door op de factuur te vermelden dat het factuurbedrag, daaronder begrepen het collegegeld, moest worden voldaan binnen twee weken na factuurdatum, terwijl de Whw ook andere betalingswijzen dan een betaling in één keer noemt en ingeval van een betaling van het collegegeld in één keer, onder daartoe te stellen voorwaarden de betaling daarvan ook na de aanvang van het studiejaar kan plaatsvinden. 16. Als gevolg van ieders dwaling hadden zowel belanghebbende als de universiteit op het moment van betaling niet de bedoeling om te voldoen aan een verplichting die voortvloeit of zou voortvloeien uit een toen al tussen hen bestaande rechtsverhouding ter zake van de betaling van het collegegeld. Van een bestaande rechtsverhouding was geen sprake omdat belanghebbende op dat moment nog niet was ingeschreven als student aan de universiteit. Van een toekomstige rechtsverhouding was evenmin sprake omdat belanghebbende op ieder moment voor 1 september 2018 haar inschrijving ongedaan had kunnen maken waardoor geen collegegeld zou zijn verschuldigd. 17. Uit het voorgaande concludeert de rechtbank dat de betaling van belanghebbende toegerekend moet worden aan het tijdstip waarop de verschuldigdheid van het collegegeld op zijn vroegst kan zijn ontstaan: 1 september 2018. Daarvoor was er slechts sprake van een depotstorting. Wat de inspecteur hierover verder nog heeft opgemerkt, kan hieraan niets afdoen. Bij deze stand van zaken komt de rechtbank niet toe aan het door belanghebbende gedane beroep op gewekt vertrouwen als gevolg van de afhandeling van haar aangifte IB/PVV 2019, noch aan haar beroep op het gelijkheidsbeginsel. 18. Bij betaling op 1 september 2018, is niet in geschil dat recht bestaat op een aftrek studiekosten en een daarmee verband houdende beschikking restant persoonsgebonden aftrek ultimo 2018 van € 18.350. De rechtbank zal overeenkomstig beslissen. Dit betekent dat het beroep gegrond is voor zover het de beschikking restant persoonsgebonden aftrek betreft. Vergoeding immateriële schade 19. Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding voor immateriële schade vanwege de lange afhandelingsduur van deze zaak. 20. Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid is het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek. 21. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het verzoek van belanghebbende om een schadevergoeding uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in zijn arresten van 19 februari 2016. Belastinggeschillen moeten binnen een redelijke termijn worden berecht. Een redelijke termijn is in beginsel een termijn van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsprocedure samen. De rechtbank ziet geen aanleiding de termijn te verlengen. 22. De inspecteur heeft het bezwaarschrift van belanghebbende op 2 oktober 2023 ontvangen. De periode tussen deze datum en de uitspraak van de rechtbank is afgerond twee jaar en zes maanden. De redelijke termijn is dus met zes maanden overschreden. Dit betekent dat belanghebbende recht heeft op een schadevergoeding van € 500. De uitspraak op bezwaar is op 20 december 2024 gedaan. Daarmee heeft de bezwaarfase vijftien maanden geduurd, dus negen maanden langer dan de termijn van zes maanden die voor de inspecteur geldt. De rechtbank zal de inspecteur daarom veroordelen om een bedrag van € 500 aan belanghebbende te vergoeden. Conclusie en gevolgen 23. Het beroep is gegrond, omdat de opgevoerde scholingsuitgaven in aftrek kunnen worden gebracht op het inkomen en geen beschikking restant persoonsgebonden aftrek is vastgesteld. De rechtbank zal het restant persoonsgebonden aftrek 2018 nader vaststellen op € 18.350. De rechtbank vernietigt in zoverre de uitspraak op bezwaar. Daarnaast heeft belanghebbende recht op een vergoeding immateriële schade van € 500. 24. Omdat het beroep gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van haar proceskosten. 25. De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 2.534 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 666, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover die ziet op het restant persoonsgebonden aftrek 2018; - stelt het bedrag aan restant persoonsgebonden aftrek 2018 vast op € 18.350; - bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde deel van de bestreden uitspraak op bezwaar; - veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 500; - veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende van € 2.534; - bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 51 aan belanghebbende moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Wevers, rechter, in aanwezigheid van mr. H.H. Ruis, griffier. Uitgesproken op 27 maart 2026. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. griffier rechter Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Hoge Raad 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060, r.o. 4.2.1., 4.2.2. en 4.2.3. Artikel 7.32, eerste en vierde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (Whw). Artikel 7.43, eerste lid, van de Whw.
Volledig
Uit de hiervoor weergeven bepalingen van de Whw blijkt dat de universiteit belanghebbende op het verkeerde been heeft gezet door te suggereren dat zij binnen twee weken na de dagtekening van de factuur het collegegeld moest hebben betaald. Voor inschrijving als student was immers voldoende geweest indien zij voor 1 september 2018 een bewijs had overgelegd dat het collegegeld zou worden voldaan. Voor aanvang van het studiejaar was het collegegeld niet verschuldigd. De verplichting het collegegeld te betalen is daarmee naar het oordeel van de rechtbank niet voor 1 september 2018 ontstaan. 14. Uit de stellingen van belanghebbende blijkt dat indien zij op de hoogte was geweest van de mogelijkheid om zich in te kunnen schrijven als student zonder het collegegeld binnen twee weken na factuurdatum reeds te hebben moeten betalen, zij voor een andere wijze van betaling van het collegegeld hebben gekozen. Uit artikel 7.37, tweede lid, in samenhang met artikel 7.47, eerste lid, van de Whw volgt immers dat voor een geldige inschrijving het voldoende was om vóór 1 september 2018 aan te tonen dat het collegegeld zou worden betaald en een betaling daarvan na haar aankomst in Nederland op 25 augustus 2018 zou zonder meer tot aftrek van scholingsuitgaven hebben geleid. 15. Hieruit vloeit voort dat belanghebbende bij de feitelijke betaling van het collegegeld heeft gedwaald met betrekking tot het tijdstip van opeisbaarheid daarvan. Aannemelijk is dat ook de universiteit bij het opstellen van de factuur heeft gedwaald door op de factuur te vermelden dat het factuurbedrag, daaronder begrepen het collegegeld, moest worden voldaan binnen twee weken na factuurdatum, terwijl de Whw ook andere betalingswijzen dan een betaling in één keer noemt en ingeval van een betaling van het collegegeld in één keer, onder daartoe te stellen voorwaarden de betaling daarvan ook na de aanvang van het studiejaar kan plaatsvinden. 16. Als gevolg van ieders dwaling hadden zowel belanghebbende als de universiteit op het moment van betaling niet de bedoeling om te voldoen aan een verplichting die voortvloeit of zou voortvloeien uit een toen al tussen hen bestaande rechtsverhouding ter zake van de betaling van het collegegeld. Van een bestaande rechtsverhouding was geen sprake omdat belanghebbende op dat moment nog niet was ingeschreven als student aan de universiteit. Van een toekomstige rechtsverhouding was evenmin sprake omdat belanghebbende op ieder moment voor 1 september 2018 haar inschrijving ongedaan had kunnen maken waardoor geen collegegeld zou zijn verschuldigd. 17. Uit het voorgaande concludeert de rechtbank dat de betaling van belanghebbende toegerekend moet worden aan het tijdstip waarop de verschuldigdheid van het collegegeld op zijn vroegst kan zijn ontstaan: 1 september 2018. Daarvoor was er slechts sprake van een depotstorting. Wat de inspecteur hierover verder nog heeft opgemerkt, kan hieraan niets afdoen. Bij deze stand van zaken komt de rechtbank niet toe aan het door belanghebbende gedane beroep op gewekt vertrouwen als gevolg van de afhandeling van haar aangifte IB/PVV 2019, noch aan haar beroep op het gelijkheidsbeginsel. 18. Bij betaling op 1 september 2018, is niet in geschil dat recht bestaat op een aftrek studiekosten en een daarmee verband houdende beschikking restant persoonsgebonden aftrek ultimo 2018 van € 18.350. De rechtbank zal overeenkomstig beslissen. Dit betekent dat het beroep gegrond is voor zover het de beschikking restant persoonsgebonden aftrek betreft. Vergoeding immateriële schade 19. Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding voor immateriële schade vanwege de lange afhandelingsduur van deze zaak. 20. Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid is het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek. 21. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het verzoek van belanghebbende om een schadevergoeding uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in zijn arresten van 19 februari 2016. Belastinggeschillen moeten binnen een redelijke termijn worden berecht. Een redelijke termijn is in beginsel een termijn van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsprocedure samen. De rechtbank ziet geen aanleiding de termijn te verlengen. 22. De inspecteur heeft het bezwaarschrift van belanghebbende op 2 oktober 2023 ontvangen. De periode tussen deze datum en de uitspraak van de rechtbank is afgerond twee jaar en zes maanden. De redelijke termijn is dus met zes maanden overschreden. Dit betekent dat belanghebbende recht heeft op een schadevergoeding van € 500. De uitspraak op bezwaar is op 20 december 2024 gedaan. Daarmee heeft de bezwaarfase vijftien maanden geduurd, dus negen maanden langer dan de termijn van zes maanden die voor de inspecteur geldt. De rechtbank zal de inspecteur daarom veroordelen om een bedrag van € 500 aan belanghebbende te vergoeden. Conclusie en gevolgen 23. Het beroep is gegrond, omdat de opgevoerde scholingsuitgaven in aftrek kunnen worden gebracht op het inkomen en geen beschikking restant persoonsgebonden aftrek is vastgesteld. De rechtbank zal het restant persoonsgebonden aftrek 2018 nader vaststellen op € 18.350. De rechtbank vernietigt in zoverre de uitspraak op bezwaar. Daarnaast heeft belanghebbende recht op een vergoeding immateriële schade van € 500. 24. Omdat het beroep gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van haar proceskosten. 25. De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 2.534 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 666, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover die ziet op het restant persoonsgebonden aftrek 2018; - stelt het bedrag aan restant persoonsgebonden aftrek 2018 vast op € 18.350; - bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde deel van de bestreden uitspraak op bezwaar; - veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 500; - veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende van € 2.534; - bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 51 aan belanghebbende moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Wevers, rechter, in aanwezigheid van mr. H.H. Ruis, griffier. Uitgesproken op 27 maart 2026. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. griffier rechter Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Hoge Raad 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060, r.o. 4.2.1., 4.2.2. en 4.2.3. Artikel 7.32, eerste en vierde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (Whw). Artikel 7.43, eerste lid, van de Whw.