Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2026-03-30
ECLI:NL:RBGEL:2026:2413
RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 25/902 uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen [eiser 1], [eiser 2] en [eiser 3], eisers (gemachtigde: mr. S.J. Koolen), en de minister van Buitenlandse Zaken (gemachtigde: mr. L.H.T. Geuzendam). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het van rechtswege vervallen en intrekken van de Nederlandse paspoorten van eisers omdat zij niet over het Nederlanderschap beschikken. Eisers zijn het daar niet mee eens en voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het van rechtswege vervallen en intrekken van de Nederlandse paspoorten van eisers. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister terecht heeft besloten dat de paspoorten van eisers van rechtswege zijn vervallen. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Met het besluit van 10 mei 2021 is aan eisers verzocht om per ommegaande hun paspoorten in te leveren bij de Nederlandse ambassade in Jordanië. De minister heeft met het besluit van 20 juli 2021 het bezwaar tegen het besluit van 10 mei 2021 niet-ontvankelijk verklaard, omdat de brief van 10 mei 2021 volgens de minister geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 2.1. Deze rechtbank heeft met de uitspraak van 5 juli 2022 het beroep van eisers gegrond verklaard, het besluit van 20 juli 2021 vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar van eisers te nemen. De minister heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). Verder heeft de minister op 21 oktober 2022 een nieuw besluit op het bezwaar van eisers genomen waarbij de minister bij het besluit van 10 mei 2021 is gebleven. 2.2. Eisers hebben in de hoger beroepsprocedure gereageerd op het besluit van 21 oktober 2022. De Afdeling heeft vervolgens het beroep tegen het besluit van 21 oktober 2022 naar deze rechtbank verwezen. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 17 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eisers en hun gemachtigde zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. Beoordeling door de rechtbank Wat ging er vooraf aan deze uitspraak? 3. Op 5 november 2020 hebben eisers een Nederlands paspoort aangevraagd en die zijn daarop aan hen verstrekt. Nadien is volgens de minister uit onderzoek gebleken dat zij nooit in het bezit zijn geweest van het Nederlanderschap. Gebleken is dat hun moeder op 21 juni 2001 in Jordanië is getrouwd met [persoon A], maar dat zij dit niet kenbaar heeft gemaakt toen zij in Nederland verbleef. Dit betekent dat [persoon A] de juridische vader is van [eiser 1] (geboren op [geboortedag 1] 2003), [eiser 3] (geboren op [geboortedag 2] 2004) en [eiser 2] (geboren op [geboortedag 3] 2005). De aktes van erkenning waarin de Nederlandse [persoon B] hen bij geboorte heeft erkend zijn daardoor niet rechtsgeldig. Dit betekent volgens de minister dat de paspoorten van eisers van rechtswege zijn vervallen. Eisers zijn daarom in de brief van 10 mei 2021 verzocht om per ommegaande hun paspoorten in te leveren bij de Nederlandse ambassade in Jordanië. Wanneer zij dat niet doen, zullen hun gegevens worden opgenomen in het Register Paspoortsignaleringen. 3.1. Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen de brief van 10 mei 2021. Met het besluit van 20 juli 2021 heeft de minister het bezwaar van eisers niet-ontvankelijk verklaard, omdat de brief van 10 mei 2021 geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb waardoor er geen mogelijkheden zijn om bezwaar te maken of in beroep te gaan. 3.2. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van 20 juli 2021. De rechtbank heeft met de uitspraak van 5 juli 2022 het beroep van eisers gegrond verklaard, omdat de bri