Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2026-03-25
ECLI:NL:RBGEL:2026:2382
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,051 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:2382 text/xml public 2026-04-16T16:10:25 2026-03-25 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-03-25 AWB 24/5958 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026041608 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2382 text/html public 2026-04-16T13:02:41 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:2382 Rechtbank Gelderland , 25-03-2026 / AWB 24/5958 IB/PVV arbeidskorting, loon uit vroegere of tegenwoordige arbeid, uitkering ingevolge ziektewet door voormalig werkgever, beroep ongegrond. RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 24/5958 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 25 maart 2026 in de zaak tussen [belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende (gemachtigde: [gemachtigde]), en de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Heerlen, de inspecteur. Inleiding In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 4 april 2024. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2022 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 29.119. Gelijktijdig met het opleggen van de aanslag is een bedrag van € 106 aan belastingrente in rekening gebracht. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende de gemachtigde en namens de inspecteur [persoon A], [persoon B] en [persoon C]. Feiten 1. Voor het jaar 2022 heeft belanghebbende de volgende inkomsten genoten: Inhoudingsplichtige Tijdvak Loon Loonbelastingtabel Soort inkomen [bedrijf 1] 15-02 t/m 31-12 € 20.930 Groen ZW-uitkering [bedrijf 2] 01-01 t/m 14-02 € 7.779 Loon [bedrijf 2] 01-02 t/m 14-02 € 1.043 Groen Ontslagvergoeding 2. Belanghebbende had bij [bedrijf 2] B.V. ([bedrijf 2]) een tijdelijk arbeidscontract van 14 februari 2021 tot en met 14 februari 2022. 3. [bedrijf 1] B.V. is 100% aandeelhouder van [bedrijf 2]. 4. Belanghebbende is per 15 februari 2022 ziek uit dienst gegaan. Zij was op 17 augustus 2021 ziek geworden. 5. Belanghebbende heeft in haar aangifte IB/PVV 2022 de volgende inkomsten opgegeven: Loon uit tegenwoordige dienstbetrekking € 28.709 Loon uit vroegere dienstbetrekking € 1.043 Specifieke zorgkosten € -/- 633 Verzamelinkomen € 29.119 6. De inspecteur heeft met dagtekening 17 november 2023 de aanslag IB/PVV 2022 als volgt vastgesteld: Loon uit tegenwoordige dienstbetrekking € 7.779 Loon uit vroegere dienstbetrekking € 21.973 Specifieke zorgkosten € -/- 633 Verzamelinkomen € 29.119 7. De inspecteur heeft het inkomen van [bedrijf 1] B.V. gerekend tot het loon uit vroegere dienstbetrekking, waardoor belanghebbende over dat inkomen geen arbeidskorting kan toepassen. Beoordeling door de rechtbank 8. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur het door belanghebbende genoten inkomen van [bedrijf 1] B.V. terecht tot het loon uit vroegere dienstbetrekking heeft vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. 9. Het beroep is ongegrond . Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 10. Belanghebbende is van mening dat zij recht heeft op de arbeidskorting, de uitkering kwalificeert volgens haar als arbeidsinkomen. Zij voert daartoe aan dat haar ex-werkgever eigen risico drager is, en ook na het dienstverband verantwoordelijk is gebleven voor de uitbetaling van loon. Er is dan ook een gelijke situatie met een werknemer die ziek is vanuit een doorlopend dienstverband en wel in aanmerking komt voor de arbeidskorting. Bovendien is de ex-werkgever ook gehouden aan de re-integratie verplichtingen als ware het dienstverband nog aanwezig. De Belastingdienst handelt inconsequent volgens belanghebbende. De ex-werkgever dient zich namelijk te houden aan de verplichtingen als ware er nog een dienstverband, maar belanghebbende wordt beoordeeld als ware er geen relatie meer met de ex-werkgever. Belanghebbende doet tevens een beroep op het gelijkheidsbeginsel. 11. De inspecteur is van mening dat het inkomen van [bedrijf 1] B.V. niet kwalificeert als inkomen uit tegenwoordige tijd (arbeidsinkomen), waardoor belanghebbende geen recht heeft op toepassing van de arbeidskorting. 12. Artikel 8.1, eerste lid, onderdeel e, van de Wet IB 2001 bepaalt dat tot arbeidsinkomen wordt gerekend, het gezamenlijke bedrag van hetgeen door de belastingplichtige met tegenwoordige dienstbetrekking is genoten als winst uit een of meer ondernemingen, loon en resultaat uit een of meer werkzaamheden. 13. Op grond van artikel 8.1, tweede lid, onderdeel c, van Wet IB 2001 wordt onder meer tevens tot arbeidsinkomen gerekend uitkeringen ingevolge de Ziektewet (ZW), voor zover die betrekking hebben op de periode waarin de dienstbetrekking in de zin van die wet nog niet is beëindigd of voor zover die voortvloeien uit een vrijwillige verzekering als bedoeld in artikel 64 van die wet. 14. In de wetsgeschiedenis is onder meer het volgende vermeld: De voorgestelde maatregel geldt derhalve niet voor ZW-uitkeringen die betrekking hebben op de periode waarin de dienstbetrekking aanwezig is of voortvloeien uit een vrijwillige verzekering voor de ZW. Indien een persoon bijvoorbeeld een tijdelijk contract van 1 januari tot 1 mei van dat kalenderjaar heeft en vanaf 15 april tot 1 juni recht heeft op een ZW-uitkering, telt de ZW-uitkering over de periode 15 april tot 1 mei mee als arbeidsinkomen en telt de ZW-uitkering over de periode 1 mei tot 1 juni niet mee als arbeidsinkomen. De ZW-uitkering over de periode 1 mei tot 1 juni blijft dus buiten beschouwing bij de bepaling van de hoogte van de arbeidskorting en de IACK. De voorgestelde maatregel geldt zoals gezegd niet voor ZW-uitkeringen waarop mensen recht hebben op basis van een door henzelf afgesloten vrijwillige ZW-verzekering. Voor alle duidelijkheid wordt opgemerkt dat het moment waarop een ZW-uitkering wordt ontvangen, niet relevant is voor de voorgestelde maatregel. De voorgestelde maatregel geldt voor alle overige ZW-uitkeringen. Met andere woorden, voor zover de ZW-uitkering niet voortkomt uit een lopende dienstbetrekking in de zin van de ZW en ook niet uit een vrijwillige ZW verzekering, wordt de ZW-uitkering niet langer aangemerkt als arbeidsinkomen en telt die ZW-uitkering niet mee voor de bepaling van de hoogte van de arbeidskorting en de IACK. Dat is dus het geval indien het bijvoorbeeld een ZW uitkering betreft van: 1. personen die ziek worden binnen 4 weken na beëindiging van de dienstbetrekking, de zogenoemde nawerking van de ZW-verzekering (artikel 29, tweede lid, derde zin, onderdeel b, ZW); 2. personen die ziek zijn bij beëindiging van de dienstbetrekking (bijvoorbeeld in geval van tijdelijke contractanten) en personen waarvan de dienstbetrekking eindigt binnen het tijdvak van 104 weken, genoemd in artikel 29, tweede lid, derde zin, onderdeel c, ZW (bijvoorbeeld uitzendkrachten met een uitzendbeding); 15. De rechtbank overweegt dat de dienstbetrekking van belanghebbende is geëindigd per 15 februari 2022, vanwege het aflopen van het tijdelijke arbeidscontract. Er is dan ook geen sprake van loondoorbetalingsverplichting bij ziekte in de zin van artikel 7:628 van het BW. De uitkering die belanghebbende ontvangt van [bedrijf 1] B.V. komt dus niet voort uit een lopende dienstbetrekking, maar krijgt zij op grond van de ZW. Het UWV verstrekt normaal gesproken de ZW-uitkering, maar omdat [bedrijf 1] B.V. eigen risico drager is, doet [bedrijf 1] B.V. dat. Deze situatie van belanghebbende is expliciet genoemd in de hiervoor genoemde kamerstukken. Dat de ex-werkgever eigenrisicodrager is doet daar niet aan af. 16. Belanghebbende heeft een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Zij stelt dat haar situatie gelijk is aan die van belastingplichtigen die via het UWV een uitkering krijgen.
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:2382 text/xml public 2026-04-16T16:10:25 2026-03-25 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-03-25 AWB 24/5958 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026041608 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2382 text/html public 2026-04-16T13:02:41 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:2382 Rechtbank Gelderland , 25-03-2026 / AWB 24/5958 IB/PVV arbeidskorting, loon uit vroegere of tegenwoordige arbeid, uitkering ingevolge ziektewet door voormalig werkgever, beroep ongegrond. RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 24/5958 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 25 maart 2026 in de zaak tussen [belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende (gemachtigde: [gemachtigde]), en de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Heerlen, de inspecteur. Inleiding In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 4 april 2024. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2022 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 29.119. Gelijktijdig met het opleggen van de aanslag is een bedrag van € 106 aan belastingrente in rekening gebracht. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende de gemachtigde en namens de inspecteur [persoon A], [persoon B] en [persoon C]. Feiten 1. Voor het jaar 2022 heeft belanghebbende de volgende inkomsten genoten: Inhoudingsplichtige Tijdvak Loon Loonbelastingtabel Soort inkomen [bedrijf 1] 15-02 t/m 31-12 € 20.930 Groen ZW-uitkering [bedrijf 2] 01-01 t/m 14-02 € 7.779 Loon [bedrijf 2] 01-02 t/m 14-02 € 1.043 Groen Ontslagvergoeding 2. Belanghebbende had bij [bedrijf 2] B.V. ([bedrijf 2]) een tijdelijk arbeidscontract van 14 februari 2021 tot en met 14 februari 2022. 3. [bedrijf 1] B.V. is 100% aandeelhouder van [bedrijf 2]. 4. Belanghebbende is per 15 februari 2022 ziek uit dienst gegaan. Zij was op 17 augustus 2021 ziek geworden. 5. Belanghebbende heeft in haar aangifte IB/PVV 2022 de volgende inkomsten opgegeven: Loon uit tegenwoordige dienstbetrekking € 28.709 Loon uit vroegere dienstbetrekking € 1.043 Specifieke zorgkosten € -/- 633 Verzamelinkomen € 29.119 6. De inspecteur heeft met dagtekening 17 november 2023 de aanslag IB/PVV 2022 als volgt vastgesteld: Loon uit tegenwoordige dienstbetrekking € 7.779 Loon uit vroegere dienstbetrekking € 21.973 Specifieke zorgkosten € -/- 633 Verzamelinkomen € 29.119 7. De inspecteur heeft het inkomen van [bedrijf 1] B.V. gerekend tot het loon uit vroegere dienstbetrekking, waardoor belanghebbende over dat inkomen geen arbeidskorting kan toepassen. Beoordeling door de rechtbank 8. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur het door belanghebbende genoten inkomen van [bedrijf 1] B.V. terecht tot het loon uit vroegere dienstbetrekking heeft vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. 9. Het beroep is ongegrond . Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 10. Belanghebbende is van mening dat zij recht heeft op de arbeidskorting, de uitkering kwalificeert volgens haar als arbeidsinkomen. Zij voert daartoe aan dat haar ex-werkgever eigen risico drager is, en ook na het dienstverband verantwoordelijk is gebleven voor de uitbetaling van loon. Er is dan ook een gelijke situatie met een werknemer die ziek is vanuit een doorlopend dienstverband en wel in aanmerking komt voor de arbeidskorting. Bovendien is de ex-werkgever ook gehouden aan de re-integratie verplichtingen als ware het dienstverband nog aanwezig. De Belastingdienst handelt inconsequent volgens belanghebbende. De ex-werkgever dient zich namelijk te houden aan de verplichtingen als ware er nog een dienstverband, maar belanghebbende wordt beoordeeld als ware er geen relatie meer met de ex-werkgever. Belanghebbende doet tevens een beroep op het gelijkheidsbeginsel. 11. De inspecteur is van mening dat het inkomen van [bedrijf 1] B.V. niet kwalificeert als inkomen uit tegenwoordige tijd (arbeidsinkomen), waardoor belanghebbende geen recht heeft op toepassing van de arbeidskorting. 12. Artikel 8.1, eerste lid, onderdeel e, van de Wet IB 2001 bepaalt dat tot arbeidsinkomen wordt gerekend, het gezamenlijke bedrag van hetgeen door de belastingplichtige met tegenwoordige dienstbetrekking is genoten als winst uit een of meer ondernemingen, loon en resultaat uit een of meer werkzaamheden. 13. Op grond van artikel 8.1, tweede lid, onderdeel c, van Wet IB 2001 wordt onder meer tevens tot arbeidsinkomen gerekend uitkeringen ingevolge de Ziektewet (ZW), voor zover die betrekking hebben op de periode waarin de dienstbetrekking in de zin van die wet nog niet is beëindigd of voor zover die voortvloeien uit een vrijwillige verzekering als bedoeld in artikel 64 van die wet. 14. In de wetsgeschiedenis is onder meer het volgende vermeld: De voorgestelde maatregel geldt derhalve niet voor ZW-uitkeringen die betrekking hebben op de periode waarin de dienstbetrekking aanwezig is of voortvloeien uit een vrijwillige verzekering voor de ZW. Indien een persoon bijvoorbeeld een tijdelijk contract van 1 januari tot 1 mei van dat kalenderjaar heeft en vanaf 15 april tot 1 juni recht heeft op een ZW-uitkering, telt de ZW-uitkering over de periode 15 april tot 1 mei mee als arbeidsinkomen en telt de ZW-uitkering over de periode 1 mei tot 1 juni niet mee als arbeidsinkomen. De ZW-uitkering over de periode 1 mei tot 1 juni blijft dus buiten beschouwing bij de bepaling van de hoogte van de arbeidskorting en de IACK. De voorgestelde maatregel geldt zoals gezegd niet voor ZW-uitkeringen waarop mensen recht hebben op basis van een door henzelf afgesloten vrijwillige ZW-verzekering. Voor alle duidelijkheid wordt opgemerkt dat het moment waarop een ZW-uitkering wordt ontvangen, niet relevant is voor de voorgestelde maatregel. De voorgestelde maatregel geldt voor alle overige ZW-uitkeringen. Met andere woorden, voor zover de ZW-uitkering niet voortkomt uit een lopende dienstbetrekking in de zin van de ZW en ook niet uit een vrijwillige ZW verzekering, wordt de ZW-uitkering niet langer aangemerkt als arbeidsinkomen en telt die ZW-uitkering niet mee voor de bepaling van de hoogte van de arbeidskorting en de IACK. Dat is dus het geval indien het bijvoorbeeld een ZW uitkering betreft van: 1. personen die ziek worden binnen 4 weken na beëindiging van de dienstbetrekking, de zogenoemde nawerking van de ZW-verzekering (artikel 29, tweede lid, derde zin, onderdeel b, ZW); 2. personen die ziek zijn bij beëindiging van de dienstbetrekking (bijvoorbeeld in geval van tijdelijke contractanten) en personen waarvan de dienstbetrekking eindigt binnen het tijdvak van 104 weken, genoemd in artikel 29, tweede lid, derde zin, onderdeel c, ZW (bijvoorbeeld uitzendkrachten met een uitzendbeding); 15. De rechtbank overweegt dat de dienstbetrekking van belanghebbende is geëindigd per 15 februari 2022, vanwege het aflopen van het tijdelijke arbeidscontract. Er is dan ook geen sprake van loondoorbetalingsverplichting bij ziekte in de zin van artikel 7:628 van het BW. De uitkering die belanghebbende ontvangt van [bedrijf 1] B.V. komt dus niet voort uit een lopende dienstbetrekking, maar krijgt zij op grond van de ZW. Het UWV verstrekt normaal gesproken de ZW-uitkering, maar omdat [bedrijf 1] B.V. eigen risico drager is, doet [bedrijf 1] B.V. dat. Deze situatie van belanghebbende is expliciet genoemd in de hiervoor genoemde kamerstukken. Dat de ex-werkgever eigenrisicodrager is doet daar niet aan af. 16. Belanghebbende heeft een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Zij stelt dat haar situatie gelijk is aan die van belastingplichtigen die via het UWV een uitkering krijgen.