Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2026-03-25
ECLI:NL:RBGEL:2026:2346
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Voorlopige voorziening
1,249 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBGEL:2026:2346 text/xml public 2026-03-31T17:00:22 2026-03-25 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-03-25 AWB - 26 _ 1239 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2346 text/html public 2026-03-26T13:23:48 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:2346 Rechtbank Gelderland , 25-03-2026 / AWB - 26 _ 1239 Herhaald verzoek om een voorlopige voorziening, kennelijk ongegrond, geen omgevingsvergunning nodig, geen sprake van een overtreding, handhavingsverzoek terecht afgewezen. RECHTBANK GELDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: ARN 26/1239 uitspraak van de voorzieningenrechter van in de zaak tussen [verzoeker], uit [plaats], verzoeker en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede (gemachtigde: L.J.A. Hogendoorn). Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van het college waarin zijn handhavingsverzoek is afgewezen. 1.1. Bij besluit van 7 januari 2026 heeft het college geweigerd om handhavend op te treden tegen een transformatorhuisje nabij zijn woning, omdat van een overtreding geen sprake is. Verzoeker heeft eerder een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend tegen dat besluit. Bij uitspraak van 5 maart 2026 heeft de voorzieningenrechter dat verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard, omdat verzoeker geen bezwaar had gemaakt tegen het besluit van 7 januari 2026. 1.2. Verzoeker heeft ondertussen alsnog bezwaar gemaakt en een nieuw (herhaald) verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Daarover gaat deze zaak. 1.3. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. Het college is alleen bevoegd om handhavend op te treden als sprake is van een overtreding. Van een overtreding zou sprake zijn als voor het plaatsen van het transformatorhuisje een omgevingsvergunning nodig zou zijn en dit huisje zonder die vergunning zou zijn geplaatst. De voorzieningenrechter heeft in haar eerdere uitspraak van 5 maart 2026 reeds een voorlopig rechtmatigheidsoordeel gegeven over het besluit waarin het handhavingsverzoek van verzoeker is afgewezen en heeft daarin opgemerkt dat zij, net als het college, van oordeel is dat het realiseren van het transformatorhuisje op grond van de artikelen 2.27 en 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving niet omgevingsvergunningplichtig is en dat het handhavingsverzoek dan ook terecht is afgewezen. De voorzieningenrechter heeft geen aanleiding om daar nu anders over te denken. 2.1. Verzoeker voert nog aan dat het handhavingsbesluit onvoldoende gemotiveerd is en onzorgvuldig is voorbereid, maar ook dat volgt de voorzieningenrechter niet. Uit het bestreden besluit volgt voldoende duidelijk waarom het transformatorhuisje niet vergunningplichtig is en waarom er dus geen sprake is van een overtreding waar handhavend tegen opgetreden kan worden. Ook voert verzoeker nog aan dat het bestreden besluit een bevoegdheidsgebrek bevat omdat het besluit niet kenbaar namens het college is genomen. Zoals de voorzieningenrechter ook al eerder heeft overwogen, kan dat gebrek eventueel worden hersteld in de beslissing op bezwaar. Verzoeker wijst er verder nog op dat het college onvoldoende invulling heeft gegeven aan de beginselplicht tot handhaving en dat zijn belangen niet voldoende zijn meegewogen, maar het college kan alleen handhavend optreden als sprake is van een overtreding. Zoals onder 2 is overwogen, is daar in dit geval geen sprake van. Het college moet het handhavingsverzoek dan afwijzen. Aan een belangenafweging komt het college dan niet meer toe. Conclusie en gevolgen 3. Het verzoek is kennelijk ongegrond en de voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening dan ook af. 3.1. Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Goldebeld, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De griffier is verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Rb. Gelderland (vzr.) 5 maart 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:1714, r.o. 3.8. Rb. Gelderland (vzr.) 5 maart 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:1714, r.o. 3.6.