Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2026-04-01
ECLI:NL:RBGEL:2026:2317
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
4,083 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:2317 text/xml public 2026-04-15T11:49:20 2026-03-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-04-01 11939168 Uitspraak Bodemzaak NL Arnhem Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2317 text/html public 2026-04-01T12:54:56 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:2317 Rechtbank Gelderland , 01-04-2026 / 11939168 Eiser stopt ten onrechte de betalingsregeling met gedaagde. De gevorderde buitengerechtelijke kosten worden afgewezen en de proceskosten worden gecompenseerd. RECHTBANK GELDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Arnhem Zaaknummer: 11939168 \ CV EXPL 25-8588 Vonnis van 1 april 2026 in de zaak van FBTO ZORGVERZEKERINGEN N.V. , te Leeuwarden, eisende partij, hierna te noemen: FBTO, gemachtigde: Syncasso Gerechtsdeurwaarders B.V., tegen [naam gedaagde] , te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , procederend in persoon. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 25 september 2025 met een tweetal ongenummerde producties; - de conclusie van antwoord met een ongenummerde productie; - de conclusie van repliek met producties 1 tot en met 11, tevens houdende akte vermindering van eis; - de conclusie van dupliek; - de aanvullende conclusie van dupliek met een tweetal ongenummerde producties; - de akte van FBTO, tevens houdende akte vermeerdering van eis. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. [gedaagde] heeft een zorgverzekeringsovereenkomst (met als relatienummer [nummer] ) met FBTO voor de basisverzekering en/of aanvullende verzekering(en). 2.2. [gedaagde] laat de declaratie van FBTO van 5 februari 2025 onbetaald, waarbij een bedrag van € 241,56 aan eigen risico in rekening is gebracht. 2.3. Op 28 februari 2025 stuurt FBTO een declaratie naar [gedaagde] , waarbij een bedrag van € 139,22 aan eigen risico in rekening wordt gebracht. 2.4. FBTO en [gedaagde] sluiten een betalingsregeling van € 25,00 per maand, ingaande op 1 april 2025, voor de declaratie van 5 februari 2025. Deze regeling wordt per e-mailbericht door FBTO op 18 maart 2025 schriftelijk bevestigd. Hierin is onder meer het volgende opgenomen: “ Wij schrijven € 241,56 in 10 keer af van uw rekening. (…) Lees de spelregels ook even door: U betaalt per automatische incasso; U zorgt ervoor dat wij het maandbedrag elke maand kunnen afschrijven; U betaalt ook uw premie op tijd. Houdt u zich aan deze spelregels? Dan blijft u uw zorgkosten in delen betalen. Een nieuwe rekening voor zorgkosten? Die tellen we op bij het nog openstaande bedrag. U krijgt in dat geval een nieuwe mail van ons met een overzicht van de afschrijfdatums. Wordt het openstaande bedrag te hoog om een 12 maanden te betalen met € 25,-? Dan verhogen wij het maandbedrag automatisch.” 2.5. Eind maart 2025 vertrekt [gedaagde] voor langere tijd naar het buitenland. 2.6. Op 28 maart 2025 boekt FBTO een bedrag van € 25,00 automatisch af van de rekening van [gedaagde] . 2.7. Op 28 maart 2025 wordt het door FBTO automatisch geïncasseerde bedrag van € 139,22 gestorneerd. 2.8. Op 1 april 2025 stuurt FBTO per e-mailbericht een herinnering naar [gedaagde] voor het verschuldigde eigen risico van € 139,22. 2.9. Op 24 april 2025 stuurt FBTO een e-mailbericht naar [gedaagde] met daarin onder meer het volgende: “W ij stoppen de betalingsregeling. U heeft de rekening of een termijnbedrag niet op tijd betaald. De afspraak is dan dat u de rest van het bedrag van de betalingsregeling in 1 keer betaald. Wij vinden het jammer dat het zo gelopen is.” 2.10. Op 27 mei 2025 stuurt FBTO een herinnering naar [gedaagde] , waarbij een bedrag van in totaal € 375,78 in rekening wordt gebracht. 2.11. Op 25 juni 2025 stuurt de gemachtigde van FBTO een kosteloze aanmaning naar [gedaagde] , waarbij een bedrag van € 64,58 aan buitengerechtelijke kosten wordt aangezegd. 2.12. Bij e-mailbericht van 1 juli 2025 verzoekt [gedaagde] bij de gemachtigde van FBTO om een betalingsregeling voor het bedrag van € 361,56. 2.13. De gemachtigde van FBTO en [gedaagde] sluiten een betalingsregeling van € 50,00 per maand. Bij brief van 23 oktober 2025 bevestigt de gemachtigde van FBTO de gemaakte betalingsregeling. [gedaagde] heeft vier termijnen van deze betalingsregeling betaald. 3 Het geschil 3.1. FBTO heeft, na bij de conclusie van repliek en bij akte haar vordering te hebben verminderd, de veroordeling van [gedaagde] gevorderd tot betaling van een bedrag van € 231,10, met de veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten. 3.2. FBTO heeft aan haar verminderde vordering ten grondslag gelegd dat [gedaagde] een tweetal declaraties, betreffende het verplicht eigen risico, onbetaald heeft gelaten. [gedaagde] heeft, ondanks een betalingsregeling, diverse herinneringen en aanmaningen, het verschuldigde bedrag aan verplicht eigen risico niet (volledig) voldaan. FBTO heeft de vordering uit handen moeten geven, reden waarom zij ook aanspraak maakt op de buitengerechtelijke kosten en de reeds verschenen wettelijke rente. Volgens FBTO is de betalingsregeling stopgezet, omdat [gedaagde] de automatische incasso voor de declaratie van 28 februari 2025 heeft laten storneren. 3.3. [gedaagde] heeft erkend dat zij een tweetal declaraties onbetaald heeft gelaten, maar zij maakt bezwaar tegen de gevorderde buitengerechtelijke kosten en de proceskosten. 4 De beoordeling 4.1. Nu tussen partijen niet in geschil is dat [gedaagde] bij FBTO ingeschreven staat, een bedrag van € 380,78 (€ 241,56 en € 139,22) aan eigen risico verschuldigd is en [gedaagde] voor dagvaarding een bedrag van € 25,00 heeft voldaan, gaat de kantonrechter daarvan uit. Dit betekent dat [gedaagde] in beginsel een bedrag van € 355,78 verschuldigd is. [gedaagde] heeft geen separaat verweer gevoerd tegen de gevorderde wettelijke rente. De kantonrechter wijst daarom ook dit deel (€ 10,74) toe. Buitengerechtelijke kosten en proceskosten 4.2. FBTO heeft naast de hoofdsom en rente ook buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten gevorderd. Voor de buitengerechtelijke incassokosten verwijst FBTO naar de kosteloze aanmaning, de betalingsregeling(en) en aanmaningen. 4.3. De kantonrechter stelt vast dat partijen een betalingsregeling hebben gesloten die FBTO op 18 maart 2025 schriftelijk heeft bevestigd (rov.2.4.). Voor de kantonrechter is, mede gelet op de inhoud van de tussen partijen gesloten betalingsregeling, onduidelijk waarom FBTO deze betalingsregeling heeft beëindigd. Anders dan dat FBTO gesteld heeft, volgt uit deze betalingsregeling niet dat deze gestopt zou worden op het moment dat een (oude) zorgnota niet betaald zou zijn. Immers, in de betalingsregeling is enkel opgenomen dat [gedaagde] per automatische incasso dient te betalen, dat [gedaagde] ervoor dient te zorgen dat het bedrag ook maandelijks kan worden afgeschreven en dat [gedaagde] haar premie ook op tijd dient te betalen. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] niet voldaan zou hebben aan voormelde eisen. In tegendeel zelf. Uit de overgelegde producties volgt immers dat [gedaagde] haar zorgverzekeringspremies op tijd heeft betaald en dat FBTO het bedrag voor de betalingsregeling ook automatisch heeft kunnen incasseren, zodat zij niet gerechtigd was om de betalingsregeling stop te zetten. Daarbij komt dat, in tegenstelling tot wat FBTO betoogd heeft, ook het gestorneerde bedrag aan eigen risico voor de declaratie van 28 februari 2025 conform de betalingsregeling mocht worden opgeteld bij het openstaande bedrag. Naar het oordeel van de kantonrechter betrof dit immers een nieuwe zorgnota en niet, zoals FBTO betoogd heeft, een oude zorgnota. De declaratie van 28 februari 2025 ziet immers op het verschuldigde bedrag aan eigen risico uit februari 2025, terwijl de voormelde betalingsregeling ziet op het verschuldigde bedrag aan eigen risico uit januari 2025. 4.4. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft FBTO daarmee in strijd gehandeld met de op grond van artikel 6:2 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) op haar rustende verplichting om zich overeenkomstig de eisen van de redelijkheid en billijkheid tegenover [gedaagde] te gedragen.
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:2317 text/xml public 2026-04-15T11:49:20 2026-03-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-04-01 11939168 Uitspraak Bodemzaak NL Arnhem Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2317 text/html public 2026-04-01T12:54:56 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:2317 Rechtbank Gelderland , 01-04-2026 / 11939168 Eiser stopt ten onrechte de betalingsregeling met gedaagde. De gevorderde buitengerechtelijke kosten worden afgewezen en de proceskosten worden gecompenseerd. RECHTBANK GELDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Arnhem Zaaknummer: 11939168 \ CV EXPL 25-8588 Vonnis van 1 april 2026 in de zaak van FBTO ZORGVERZEKERINGEN N.V. , te Leeuwarden, eisende partij, hierna te noemen: FBTO, gemachtigde: Syncasso Gerechtsdeurwaarders B.V., tegen [naam gedaagde] , te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , procederend in persoon. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 25 september 2025 met een tweetal ongenummerde producties; - de conclusie van antwoord met een ongenummerde productie; - de conclusie van repliek met producties 1 tot en met 11, tevens houdende akte vermindering van eis; - de conclusie van dupliek; - de aanvullende conclusie van dupliek met een tweetal ongenummerde producties; - de akte van FBTO, tevens houdende akte vermeerdering van eis. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. [gedaagde] heeft een zorgverzekeringsovereenkomst (met als relatienummer [nummer] ) met FBTO voor de basisverzekering en/of aanvullende verzekering(en). 2.2. [gedaagde] laat de declaratie van FBTO van 5 februari 2025 onbetaald, waarbij een bedrag van € 241,56 aan eigen risico in rekening is gebracht. 2.3. Op 28 februari 2025 stuurt FBTO een declaratie naar [gedaagde] , waarbij een bedrag van € 139,22 aan eigen risico in rekening wordt gebracht. 2.4. FBTO en [gedaagde] sluiten een betalingsregeling van € 25,00 per maand, ingaande op 1 april 2025, voor de declaratie van 5 februari 2025. Deze regeling wordt per e-mailbericht door FBTO op 18 maart 2025 schriftelijk bevestigd. Hierin is onder meer het volgende opgenomen: “ Wij schrijven € 241,56 in 10 keer af van uw rekening. (…) Lees de spelregels ook even door: U betaalt per automatische incasso; U zorgt ervoor dat wij het maandbedrag elke maand kunnen afschrijven; U betaalt ook uw premie op tijd. Houdt u zich aan deze spelregels? Dan blijft u uw zorgkosten in delen betalen. Een nieuwe rekening voor zorgkosten? Die tellen we op bij het nog openstaande bedrag. U krijgt in dat geval een nieuwe mail van ons met een overzicht van de afschrijfdatums. Wordt het openstaande bedrag te hoog om een 12 maanden te betalen met € 25,-? Dan verhogen wij het maandbedrag automatisch.” 2.5. Eind maart 2025 vertrekt [gedaagde] voor langere tijd naar het buitenland. 2.6. Op 28 maart 2025 boekt FBTO een bedrag van € 25,00 automatisch af van de rekening van [gedaagde] . 2.7. Op 28 maart 2025 wordt het door FBTO automatisch geïncasseerde bedrag van € 139,22 gestorneerd. 2.8. Op 1 april 2025 stuurt FBTO per e-mailbericht een herinnering naar [gedaagde] voor het verschuldigde eigen risico van € 139,22. 2.9. Op 24 april 2025 stuurt FBTO een e-mailbericht naar [gedaagde] met daarin onder meer het volgende: “W ij stoppen de betalingsregeling. U heeft de rekening of een termijnbedrag niet op tijd betaald. De afspraak is dan dat u de rest van het bedrag van de betalingsregeling in 1 keer betaald. Wij vinden het jammer dat het zo gelopen is.” 2.10. Op 27 mei 2025 stuurt FBTO een herinnering naar [gedaagde] , waarbij een bedrag van in totaal € 375,78 in rekening wordt gebracht. 2.11. Op 25 juni 2025 stuurt de gemachtigde van FBTO een kosteloze aanmaning naar [gedaagde] , waarbij een bedrag van € 64,58 aan buitengerechtelijke kosten wordt aangezegd. 2.12. Bij e-mailbericht van 1 juli 2025 verzoekt [gedaagde] bij de gemachtigde van FBTO om een betalingsregeling voor het bedrag van € 361,56. 2.13. De gemachtigde van FBTO en [gedaagde] sluiten een betalingsregeling van € 50,00 per maand. Bij brief van 23 oktober 2025 bevestigt de gemachtigde van FBTO de gemaakte betalingsregeling. [gedaagde] heeft vier termijnen van deze betalingsregeling betaald. 3 Het geschil 3.1. FBTO heeft, na bij de conclusie van repliek en bij akte haar vordering te hebben verminderd, de veroordeling van [gedaagde] gevorderd tot betaling van een bedrag van € 231,10, met de veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten. 3.2. FBTO heeft aan haar verminderde vordering ten grondslag gelegd dat [gedaagde] een tweetal declaraties, betreffende het verplicht eigen risico, onbetaald heeft gelaten. [gedaagde] heeft, ondanks een betalingsregeling, diverse herinneringen en aanmaningen, het verschuldigde bedrag aan verplicht eigen risico niet (volledig) voldaan. FBTO heeft de vordering uit handen moeten geven, reden waarom zij ook aanspraak maakt op de buitengerechtelijke kosten en de reeds verschenen wettelijke rente. Volgens FBTO is de betalingsregeling stopgezet, omdat [gedaagde] de automatische incasso voor de declaratie van 28 februari 2025 heeft laten storneren. 3.3. [gedaagde] heeft erkend dat zij een tweetal declaraties onbetaald heeft gelaten, maar zij maakt bezwaar tegen de gevorderde buitengerechtelijke kosten en de proceskosten. 4 De beoordeling 4.1. Nu tussen partijen niet in geschil is dat [gedaagde] bij FBTO ingeschreven staat, een bedrag van € 380,78 (€ 241,56 en € 139,22) aan eigen risico verschuldigd is en [gedaagde] voor dagvaarding een bedrag van € 25,00 heeft voldaan, gaat de kantonrechter daarvan uit. Dit betekent dat [gedaagde] in beginsel een bedrag van € 355,78 verschuldigd is. [gedaagde] heeft geen separaat verweer gevoerd tegen de gevorderde wettelijke rente. De kantonrechter wijst daarom ook dit deel (€ 10,74) toe. Buitengerechtelijke kosten en proceskosten 4.2. FBTO heeft naast de hoofdsom en rente ook buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten gevorderd. Voor de buitengerechtelijke incassokosten verwijst FBTO naar de kosteloze aanmaning, de betalingsregeling(en) en aanmaningen. 4.3. De kantonrechter stelt vast dat partijen een betalingsregeling hebben gesloten die FBTO op 18 maart 2025 schriftelijk heeft bevestigd (rov.2.4.). Voor de kantonrechter is, mede gelet op de inhoud van de tussen partijen gesloten betalingsregeling, onduidelijk waarom FBTO deze betalingsregeling heeft beëindigd. Anders dan dat FBTO gesteld heeft, volgt uit deze betalingsregeling niet dat deze gestopt zou worden op het moment dat een (oude) zorgnota niet betaald zou zijn. Immers, in de betalingsregeling is enkel opgenomen dat [gedaagde] per automatische incasso dient te betalen, dat [gedaagde] ervoor dient te zorgen dat het bedrag ook maandelijks kan worden afgeschreven en dat [gedaagde] haar premie ook op tijd dient te betalen. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] niet voldaan zou hebben aan voormelde eisen. In tegendeel zelf. Uit de overgelegde producties volgt immers dat [gedaagde] haar zorgverzekeringspremies op tijd heeft betaald en dat FBTO het bedrag voor de betalingsregeling ook automatisch heeft kunnen incasseren, zodat zij niet gerechtigd was om de betalingsregeling stop te zetten. Daarbij komt dat, in tegenstelling tot wat FBTO betoogd heeft, ook het gestorneerde bedrag aan eigen risico voor de declaratie van 28 februari 2025 conform de betalingsregeling mocht worden opgeteld bij het openstaande bedrag. Naar het oordeel van de kantonrechter betrof dit immers een nieuwe zorgnota en niet, zoals FBTO betoogd heeft, een oude zorgnota. De declaratie van 28 februari 2025 ziet immers op het verschuldigde bedrag aan eigen risico uit februari 2025, terwijl de voormelde betalingsregeling ziet op het verschuldigde bedrag aan eigen risico uit januari 2025. 4.4. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft FBTO daarmee in strijd gehandeld met de op grond van artikel 6:2 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) op haar rustende verplichting om zich overeenkomstig de eisen van de redelijkheid en billijkheid tegenover [gedaagde] te gedragen.