Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2026-03-24
ECLI:NL:RBGEL:2026:2297
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,020 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBGEL:2026:2297 text/xml public 2026-03-27T17:00:29 2026-03-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-03-24 ARN 25/3546 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2297 text/html public 2026-03-24T10:09:21 2026-03-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:2297 Rechtbank Gelderland , 24-03-2026 / ARN 25/3546 De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de boete had moeten vaststellen op € 800. De hoogte van de boete is vastgesteld met toepassing van de bijlage bij de Beleidsregel boetevaststelling inburgering zoals die gold tot 1 januari 2022. Het volgen van minder dan 150 cursusuren leidt op grond van die bijlage tot een boete van € 1.250 die, vanwege het feit dat eiseres ten tijde van het bestreden besluit één examenonderdeel heeft behaald, is gematigd met 20% tot een bedrag van € 1.000. Op grond van de thans geldende Regeling inburgering 2021 wordt aan een inburgeringsplichtige echter een boete van maximaal € 1.000 opgelegd, die bij het behalen van één examenonderdeel wordt gematigd tot € 800. Bij verandering van regels van sanctierecht moeten de voor de overtreder meest gunstige bepalingen worden toegepast. Het voorgaande betekent dat verweerder de boete had moeten vaststellen op € 800 (€ 1.000 minus een korting van 20%). RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 25/3546 uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen [eiseres], uit [plaats], eiseres, en de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (thans: de minister van Werk en Participatie), verweerder (gemachtigde: [gemachtigde]). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de aan eiseres opgelegde boete van € 1.000 wegens het te laat inburgeren. Eiseres is het niet eens met de opgelegde boete en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of verweerder een boete mocht opleggen aan eiseres. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de boete had moeten vaststellen op € 800. Dit betekent dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiseres is sinds 7 juni 2021 inburgeringsplichtig. Met de brief van 14 juni 2024 heeft DUO aan eiseres medegedeeld dat zij tot en met 6 juni 2024 de tijd had om in te burgeren en dat zij niet op tijd heeft voldaan aan de inburgeringsplicht. Dit betekent dat DUO een boete kan opleggen van € 1.000. Vervolgens is met het besluit van 30 augustus 2024 aan eiseres een boete opgelegd van € 1.000. Met het bestreden besluit van 14 juli 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de opgelegde boete gebleven. 2.1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 23 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, vergezeld van een vriendin, en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat eiseres niet tijdig is ingeburgerd. 3.1. Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Wet inburgering (Wi) (voor zover van belang) legt verweerder een boete op aan de inburgeringsplichtige wegens het overschrijden van de inburgeringstermijn. Verweerder moet de hoogte van de boete afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij moet verweerder rekening houden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. In situaties waarin verwijtbaarheid volledig ontbreekt bestaat er geen grond voor boeteoplegging. Die situatie doet zich in elk geval voor als de overtreder aannemelijk heeft gemaakt dat hij al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was heeft gedaan om de overtreding te voorkomen. Een verminderde mate van verwijtbaarheid kan aanleiding geven de opgelegde boete te matigen. Kan eiseres worden verweten dat zij niet tijdig is ingeburgerd? 4. Eiseres stelt dat het haar niet kan worden verweten dat zij niet tijdig is ingeburgerd. Eiseres heeft deelgenomen aan de lessen en deelexamens. Er is dan ook niet gebleken dat zij niet bereid is te integreren. Door persoonlijke omstandigheden was eiseres echter niet in staat om tijdig in te burgeren. Zo heeft eiseres afspraken bij medisch specialisten en een verslag van haar operatie overgelegd aan DUO. De operatie heeft door de lange wachttijden pas plaatsgevonden in januari 2025. Daarnaast ervaart eiseres grote psychische problemen door de scheiding van haar voormalig echtgenoot. Deze problemen zijn erger geworden doordat eiseres haar zoon heeft moeten achterlaten in Iran. Verder stelt eiseres dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met haar leeftijd en haar opleidingsniveau. 4.1. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het eiseres kan worden verweten dat zij niet tijdig is ingeburgerd. Eiseres heeft weliswaar persoonlijke omstandigheden naar voren gebracht die ongetwijfeld impact op haar zullen hebben gehad, maar zij heeft niet met stukken onderbouwd dat zij door deze omstandigheden niet in staat was om binnen de geldende termijn van drie jaar tijdig in te burgeren. Ook heeft eiseres geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij vanwege medische onderzoeken en behandelingen ten minste drie aaneengesloten maanden niet in staat is geweest om onderwijs te volgen. Verder wijst eiseres op haar leeftijd en opleidingsniveau, maar dit zijn geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat het haar niet kan worden verweten dat zij niet tijdig is ingeburgerd. Is de boete onevenredig hoog? 5. Eiseres stelt dat de boete onevenredig hoog is, waardoor deze verder had moeten worden gematigd. Verweerder heeft ten onrechte geen rekening gehouden met de persoonlijke en financiële situatie van eiseres. Eiseres heeft geen eigen inkomen waardoor de boete een onredelijke financiële last met zich meebrengt. Verder stelt eiseres dat verweerder alleen in uitzonderlijke gevallen mag overgaan tot het opleggen van een boete. Verweerder heeft echter routinematig een boete opgelegd aan eiseres, terwijl zij in voldoende mate haar bereidheid tot inburgering heeft getoond. 5.1. De rechtbank stelt voorop dat de boete te hoog is vastgesteld. Een inburgeringsplichtige die niet tijdig voldoet aan de inburgeringsplicht kreeg onder de Wi een boete opgelegd van maximaal € 1.250. Ter zitting is bevestigd dat de hoogte van de boete is vastgesteld met toepassing van de bijlage bij de Beleidsregel boetevaststelling inburgering zoals die gold tot 1 januari 2022. Het volgen van minder dan 150 cursusuren leidt op grond van die bijlage tot een boete van € 1.250 die, vanwege het feit dat eiseres ten tijde van het bestreden besluit één examenonderdeel heeft behaald, is gematigd met 20% tot een bedrag van € 1.000. Op grond van de thans geldende Regeling inburgering 2021 wordt aan een inburgeringsplichtige echter een boete van maximaal € 1.000 opgelegd, die bij het behalen van één examenonderdeel wordt gematigd tot € 800. Uit artikel 5:46, vierde lid, van de Awb, gelezen in verbinding met artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht vloeit voort dat bij verandering van regels van sanctierecht de voor de overtreder meest gunstige bepalingen moeten worden toegepast. Het voorgaande betekent dat verweerder de boete had moeten vaststellen op € 800 (€ 1.000 minus een korting van 20%). 5.2. De rechtbank is van oordeel dat verweerder geen aanleiding heeft hoeven zien om de boete verder te matigen. Eiseres stelt weliswaar dat de boete onredelijk hoog is vanwege haar persoonlijke en financiële situatie, maar deze stelling heeft zij niet onderbouwd met stukken. Daarbij komt dat verweerder eiseres erop heeft gewezen dat zij een betalingsregeling kan treffen als zij de boete niet in één keer kan betalen.