Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2026-03-19
ECLI:NL:RBGEL:2026:2287
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
7,981 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:2287 text/xml public 2026-03-25T08:17:15 2026-03-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-03-19 324704-24; 238209.24 (gev. ttz) en 233057.24 (gev. ttz). Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Zutphen Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2287 text/html public 2026-03-25T08:13:36 2026-03-25 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:2287 Rechtbank Gelderland , 19-03-2026 / 324704-24; 238209.24 (gev. ttz) en 233057.24 (gev. ttz). Veroordeling voor o.a. bedreiging. Zorgmachtiging niet doelmatig. Geen tbs, gelet op de relatieve ernst van het feit, de geringe recidive, ontbreken van inschatting recidiverisico en de rechtbank oplegging niet proportioneel acht. Oplegging gevangenisstraf van 3 maanden. Geen art. 38v Sr. RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Zutphen Parketnummers: 05/324704-24; 05.238209.24 (gev. ttz) en 05.233057.24 (gev. ttz). Datum uitspraak : 19 maart 2025 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1978 in Aruba, zonder vaste woon- of verblijfplaats, op dit moment gedetineerd in de P.I. [verblijfsplaats] . Raadsman: mr. C.D.A.J. Majoie, advocaat in Arnhem . Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen. 1 De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: Parketnummer 05/324704-24 1. hij op of omstreeks 12 oktober 2024 te Arnhem, althans in Nederland, opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens enig wettelijk voorschrift, te weten artikel 55d van het Wetboek van Strafvordering, gedaan door een ambtenaar, te weten, [ambtenaar] (werkzaam als hoofdagent bij de Eenheid Oost-Nederland), belast met de uitoefening van enig toezicht en/of belast met en/of bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten, door, nadat deze ambtenaar hem had bevolen of van hem had gevorderd mee te werken aan een ademonderzoek en/of ademanalyse, hieraan geen gevolg te geven; 2. hij op of omstreeks 12 oktober 2024 te [plaats] , althans in Nederland, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen: "wat doe je in mijn straat, laat ik je hier niet meer zien, anders steek ik je neer" en/of "ik ga je steken", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of door een stuk glas, althans een daarop gelijkend voorwerp, aan die [slachtoffer 1] te tonen en/of stekende bewegingen te maken richting het lichaam van die [slachtoffer 1] . Parketnummer 05/233057-24 hij op of omstreeks 2 juli 2024 te Arnhem opzettelijk in het openbaar, te weten op/aan het Elderveldplein, een of meer handelingen die aanstotelijk waren voor de eerbaarheid heeft verricht, door ten overstaan, althans in de aanwezigheid van [slachtoffer 2] - over zijn kleding heen zijn penis vast te pakken, althans zijn hand bij/op zijn penis te leggen en/of - zijn hand in zijn broek te doen en/of zijn penis vast te pakken, althans zijn hand bij/op zijn penis te leggen en/of (hierbij) schuddende bewegingen te maken en/of - zijn broek en/of onderbroek omlaag te doen en/of - (hierbij) tegen die [slachtoffer 2] te zeggen “jij hebt echt mooie billen” en/of “ik ga jou neuken” en/of “jij mag jij pijpen” en/of “ik heb een grote lul, je mag kijken”, althans woorden van soortgelijke seksuele en/of intimiderende aard of strekking; Parketnummer 05/238209-24 hij op of omstreeks 23 juli 2024 te Arnhem, [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door hem de woorden toe te voegen: "Jij moet dood" en/of door een bierflesje boven zijn, verdachtes, hoofd te houden en/of (daarbij) in de richting van voornoemde [slachtoffer 3] te houden/zwaaien, althans woorden en/of feitelijkheden van gelijke dreigende aard en/of strekking. 2 Overwegingen ten aanzien van het bewijs Parketnummer 05/324704-24 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan beide ten laste gelegde feiten. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit. Ten aanzien van feit 1 heeft verdachte niet opzettelijk geweigerd mee te werken aan de ademanalyse. Voor feit 2 bevat de aangifte onvoldoende steunbewijs. Getuige [getuige 1] kan door het kijkgat van haar voordeur niet hebben gezien dat verdachte een voorwerp kapotsloeg tegen de muur aan de kant van haar woning. De beoordeling door de rechtbank Feit 1 Op 12 oktober 2024 werd verdachte aangehouden in verband met verdenking van een geweldsmisdrijf, te weten een bedreiging. Diezelfde dag werd verdachte in zijn cel in Arnhem door verbalisant [ambtenaar] gevorderd mee te werken aan een ademanalyse. Verdachte gaf aan dat hij niet ging meewerken. Aan verdachte werd uitgelegd dat dit een strafbaar feit oplevert. Verdachte werkte daarna nog steeds niet mee. Verdachte heeft verklaard dat hij in zijn cel moest blazen en dat hij dat heeft geweigerd. De rechtbank overweegt dat opsporingsambtenaren ingevolge artikel 55d van het Wetboek van Strafvordering in het belang van het onderzoek kunnen bevelen dat een aangehouden verdachte van een geweldsmisdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten medewerking verleent aan onder andere een (voorlopige) ademanalyse. De rechtbank stelt vast dat verdachte heeft geweigerd hieraan medewerking te verlenen. Daarmee heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het niet voldoen van een ambtelijk bevel. Gelet op de verklaring van verdachte zelf dat hij moest blazen maar dit heeft geweigerd, is ook sprake van opzet. Dit verweer slaagt dus niet. Kortom, de rechtbank acht feit 1 wettig en overtuigend bewezen. Feit 2 Aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij op 12 oktober 2024 bij zijn vriendin in [plaats] was. Toen aangever de galerij op liep, kwam de buurman uit het naastgelegen appartement naar buiten. De man liep recht op aangever af en ging neus aan neus met hem staan. De man had een glas vast waar drinken in zat. Aangever hoorde de man vervolgens zeggen “wat doe je in mijn straat, laat ik je hier niet meer zien, anders steek ik je neer”. De man liep hierop terug zijn woning in. Aangever hoorde vervolgens een geluid van brekend glas. De man kwam weer naar buiten en ging weer neus aan neus met aangever staan met een kapot stuk glas in zijn hand, te weten een bodem van een drinkglas, met scherpe punten. De man maakte er stekende bewegingen mee op ongeveer 15 centimeter afstand van de borstkas van aangever. Getuige [getuige 1] , de vriendin van aangever, heeft verklaard dat zij vlak na het vertrek van haar vriend hoorde dat de buurman over de galerij liep in de richting van de liften en dat hij aan het schreeuwen was. Getuige zag door het kijkgat van haar voordeur haar buurman heen en weer lopen over de galerij. Verbalisanten zagen in de keuken van de woning van de buurman een boodschappentas staan. In deze tas lag een stuk van een drinkglas. De verbalisanten beschrijven dit stuk glas als de bodem van een kleurloos helder drinkglas waar scherpe punten uitstaken. De politie constateerde dat de buurman verdachte betreft. Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het bedreigen van aangever [slachtoffer 1] . De verklaring van aangever wordt ondersteund door de verklaring van getuige [getuige 1] en de bevindingen van de politie. De rechtbank merkt hierbij in het bijzonder nog op dat het stuk glas dat door aangever gedetailleerd is beschreven overeenkomt met het glas dat de verbalisanten aantroffen in de boodschappentas in het huis van verdachte. Parketnummer 05/233057-24 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde feit.
Volledig
Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit dat verdachte niet zijn hand bij zijn penis heeft gelegd en schuddende bewegingen heeft gemaakt, tenzij dit te zien is op het filmpje. Dit is de raadsman niet duidelijk. De beoordeling door de rechtbank Aangeefster [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij op 20 juli 2024 bij de Dinner 66 in Arnhem was toen buiten een man haar aansprak en zei “jij heb echt mooie billen” en “ik ga jou neuken”. De man keek haar doordringend aan en hield, terwijl hij dit zei, zijn hand bij zijn geslachtsdeel. Vervolgens zei de man “jij mag mij pijpen” en “ik heb een grote lul, je mag kijken”. Hierop deed hij zijn shirt omhoog en trok hij zijn broek naar beneden. Aangeefster keek toen meteen weg. Toen zij weer opkeek, had de man zijn hand nog steeds op zijn geslachtsdeel en zei meerdere malen “je bent echt een mooie meid” en “je hebt mooie billen, jij mag mij pijpen”. Getuige [getuige 2] was op 20 juli 2024 ook aanwezig bij de Dinner 66. Hij hoorde de man tegen aangeefster zeggen: “kom pijpen, kom neuken. Doe je broek omlaag”. Getuige zag dat de man zijn broek omlaag deed. Diezelfde man werd even later door de politie aangesproken. De man die door de politie is aangesproken betrof verdachte. Getuige [getuige 2] heeft ook een filmpje gemaakt van het voorval. Dit filmpje is later door een verbalisant bekeken. De verbalisant zag dat de man veel bewegingen maakte met zijn lichaam en naar zijn geslachtsdeel greep. Hij had zijn geslachtsdeel vast door de stof van zijn broek. Vervolgens deed de man zijn broek omlaag. De man had zijn geslachtsdeel weer vast met de stof van zijn onderkleding daaromheen. De man hield zijn geslachtsdeel ruim 4 seconden vast en schudde daarmee op en neer. De verbalisant herkende de man op het filmpje als zijnde verdachte. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het bovenstaande, verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het verrichten van handelingen die aanstotelijk zijn voor de eerbaarheid ten overstaan van aangeefster, waaronder het leggen van zijn hand bij zijn penis en het maken van schuddende bewegingen. De rechtbank spreekt verdachte vrij van het naar beneden doen van zijn onderbroek, omdat dit niet op de beelden is te zien en alleen aangeefster hierover verklaart. Parketnummer 05/238209-24 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde feit. De aangifte wordt ondersteund door getuige [getuige 3] en het feit dat verdachte tijdens zijn verhoor dreigend en intimiderend was richting de politie. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak bepleit. De beoordeling door de rechtbank Op 23 juli 2024 doet [slachtoffer 3] aangifte van bedreiging. Hij heeft verklaard dat hij, in de rol van projectleider/stadsmarinier van winkelcentrum de [winkelcentrum] in Arnhem, een man aansprak op zijn gedrag omdat deze man schreeuwde naar bezoekers van het winkelcentrum en hen intimideerde. Aangever heeft verklaard dat, nadat hij de man had aangesproken, de man naar hem riep dat hij een kankerlijer was en dat hij dood moest. Aangever liep weer naar de man toe. De man trok een fles bier uit zijn tas en maakte deze open. Aangeefster heeft de man hierop aangesproken, waarop de man het bierflesje naar achter haalde en het gevoel gaf dat hij wilde uithalen in de richting van het hoofd van aangever. De man is vervolgens naar de grond gewerkt. Getuige [getuige 3] , een collega van aangever, heeft in haar eerste verhoor verklaard dat zij zag dat de man aangever uitschold. Vervolgens pakte de man een biertje uit zijn rugtas en maakte de dop hiervan open. Aangever wilde het biertje afpakken waarop de man aan aangever ging zitten. In het aanvullend verhoor van getuige [getuige 3] werd als eerste vraag gesteld of zij kan inschatten of de man het bierflesje omhoog deed om te slaan of omdat hij niet wilde dat het flesje werd afgepakt. Hierop heeft de getuige verklaard dat hij ermee wilde gaan slaan en dat hij erbij riep “wat wil je nou kankerlijer”. Vervolgens werd haar de vraag gesteld of zij exact kan vertellen wat de verdachte aan bedreigende woorden heeft gezegd tegen haar collega. Hierop antwoordde zij dat zij niet heeft gehoord wat de man heeft gezegd. De rechtbank merkt op dat getuige [getuige 3] geen woordelijke bedreigingen heeft gehoord. Verder heeft zij in haar eerste verhoor niets gezegd over het naar achter halen/heffen van het bierflesje door verdachte om daarmee in de richting van aangever uit te halen. In het tweede verhoor verklaart zij hier wel over, maar pas nadat haar daarover een sturende en suggestieve vraag is gesteld. De rechtbank acht de kans aanwezig dat de verklaring door deze vraagstelling is beïnvloed. Dit betekent dat zij die verklaring onvoldoende betrouwbaar acht en deze daarom niet zal gebruiken voor het bewijs. Omdat de aangifte daarmee niet door enig ander bewijsmiddel wordt ondersteund, is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor tenlastegelegde. De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij. 3 De bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: Parketnummer 05/324704-24 1. hij op of omstreeks 12 oktober 2024 te Arnhem, althans in Nederland , opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens enig wettelijk voorschrift, te weten artikel 55d van het Wetboek van Strafvordering, gedaan door een ambtenaar, te weten, [ambtenaar] (werkzaam als hoofdagent bij de Eenheid Oost-Nederland), belast met de uitoefening van enig toezicht en/of belast met en/of bevoegd verklaard tot het opsporen en/ of onderzoeken van strafbare feiten, door, nadat deze ambtenaar hem had bevolen of van hem had gevorderd mee te werken aan een ademonderzoek en /of ademanalyse, hieraan geen gevolg te geven; 2. hij op of omstreeks 12 oktober 2024 te [plaats] , althans in Nederland , [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen: "wat doe je in mijn straat, laat ik je hier niet meer zien, anders steek ik je neer" en/of "ik ga je steken ", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en /of door een stuk glas, althans een daarop gelijkend voorwerp , aan die [slachtoffer 1] te tonen en /of stekende bewegingen te maken richting het lichaam van die [slachtoffer 1] . Parketnummer 05/233057-24 hij op of omstreeks 2 juli 2024 te Arnhem opzettelijk in het openbaar, te weten op /aan het Elderveldplein, een of meer handelingen die aanstotelijk waren voor de eerbaarheid heeft verricht, door ten overstaan, althans in de aanwezigheid van [slachtoffer 2] - over zijn kleding heen zijn penis vast te pakken, althans zijn hand bij /op zijn penis te leggen en /of - zijn hand in zijn broek te doen en /of zijn penis vast te pakken, althans zijn hand bij /op zijn penis te leggen en /of (hierbij) schuddende bewegingen te maken en /of - zijn broek en/of onderbroek omlaag te doen en/ of - (hierbij) tegen die [slachtoffer 2] te zeggen “jij hebt echt mooie billen” en /of “ik ga jou neuken” en /of “jij mag mij pijpen” en /of “ik heb een grote lul, je mag kijken”, althans woorden van soortgelijke seksuele en/of intimiderende aard of strekking; Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
Volledig
4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: Parketnummer 05/324704-24 feit 1: opzettelijk niet voldoen aan een bevel of vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar belast met het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten feit 2: bedreiging met zware mishandeling en/of met enig misdrijf tegen het leven gericht Parketnummer 05/233057-24 het opzettelijk in het openbaar handelingen die aanstotelijk zijn voor de eerbaarheid verrichten 5 De strafbaarheid van de feiten De feiten zijn strafbaar. 6 De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7 De overwegingen ten aanzien van de straf en/of maatregel Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte – uitgaande van een verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte – zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden, met aftrek van het voorarrest, en met oplegging van de maatregel tot terbeschikkingstelling (hierna: tbs-maatregel) met verpleging van overheidswege. Tot slot heeft de officier van justitie een artikel 38v Sr-maatregel gevorderd in de vorm van een contactverbod met de heer [slachtoffer 1] voor de duur van 3 jaar, met voor iedere overtreding een vervangende hechtenis van 14 dagen met een maximum van 6 maanden. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft primair bepleit dat het disproportioneel is om een tbs-maatregel op te leggen. De raadsman heeft aangevoerd dat aan verdachte voorwaarden kunnen worden opgelegd. Verdachte is bereid om daaraan mee te werken. Tot slot heeft de raadsman bepleit dat verdachte, gelet op artikel 67a lid 3 Sv, zo snel mogelijk in vrijheid wordt gesteld. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte. De ernst van de feiten Verdachte heeft een voorbijganger op de galerij van zijn toenmalige woning bedreigd. Verdachte ging neus aan neus staan met de man en zei dat hij hem ging neersteken. Vervolgens sloeg hij een stuk glas stuk en maakte met de bodem van dat glas, waar scherpe punten uitstaken, stekende bewegingen in de richting van de borstkas van de man. Verdachte heeft hiermee inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer en hem flink angst aangejaagd. Daarna werd verdachte aangehouden en heeft hij geweigerd mee te werken aan een ademanalyse. Dit is niet alleen vervelend gedrag, maar belemmert de politie ook in haar taakvervulling. Tot slot heeft verdachte handelingen verricht die aanstotelijk waren voor de eerbaarheid ten overstaan van een 16-jarig meisje. Verder hield hij zijn geslachtsdeel vast en zei tegen haar dat zij seksuele handelingen bij hem mocht verrichten. Zulk gedrag is onacceptabel en draagt bij aan grote gevoelens van onveiligheid in de samenleving. In alle gevallen betrof het willekeurige slachtoffers waar verdachte zich zonder aanleiding tegen richtte. Dit maakte het angstgevoel bij hen nog groter. De persoon van de verdachte Uit het strafblad van verdachte van 22 januari 2026 blijkt dat verdachte de afgelopen vijf jaren voor vijf geweldsmisdrijven is veroordeeld, waaronder een bedreiging. Er is dus sprake van recidive. Uit de Pro Justitia-rapportage van 27 augustus 2025, opgemaakt door zowel een psycholoog als een psychiater, blijkt het volgende. Verdachte heeft nauwelijks zijn medewerking aan het onderzoek verleend. Ondanks dat concluderen onderzoekers dat er sprake is van psychopathologie bij verdachte. Het beeld dat is ontstaan van verdachte is consistent en eenduidig, maar laat zich niet volledig diagnostisch preciseren. Er worden tijdens de observatie in het Pieter Baan Centrum (PBC) aanwijzingen gezien voor een verstandelijke ontwikkelingsstoornis (verstandelijke beperking). Zo worden op verschillende levensgebieden problemen gezien die erop kunnen wijzen dat verdachte niet over de cognitieve capaciteiten beschikt om zijn leven zelfstandig vorm te geven. De beschikbare informatie is echter onvoldoende om een verstandelijke ontwikkelingsstoornis (verstandelijke beperking) vast te kunnen stellen of uit te kunnen sluiten. Gedurende zijn opname in het PBC (evenals in de PI) heeft verdachte dwangmedicatie (antipsychoticum) toegediend gekregen wat van invloed is op het beeld dat gedurende de observatieperiode van hem is gekregen. Uit eerdere reclasseringsrapportages en uit het penitentiair dossier blijkt dat verdachte sinds 2022 meermaals een psychose heeft doorgemaakt. Het beloop van de psychotische klachten is niet volledig duidelijk, zo kan niet geheel worden uitgesloten dat de psychotische klachten zich uitsluitend voordeden als reactie op middelengebruik. Daarnaast is het mogelijk dat verdachte, door een beperkte draagkracht voortkomend uit een mogelijke verstandelijke beperking, meerdere keren psychotisch is ontregeld als gevolg van langdurige overvraging. Het feit dat antipsychotische dwangmedicatie werd opgestart en verlengd toont aan dat er sprake was van ernstige psychopathologie. Concluderend is duidelijk dat er sprake is van recidiverende psychotische episodes, waarbij niet kan worden bepaald in welk diagnostische context deze psychotische symptomen zich precies voordoen. Om die reden wordt de problematiek geclassificeerd als ongespecificeerde schizofreniespectrum – of andere psychotische stoornis. Daarnaast kan worden vastgesteld dat er sprake is van een stoornis in het gebruik van alcohol en van cocaïne die momenteel, in de gereguleerde omgeving van detentie, in remissie lijkt te zijn. Verdachte’s gestoorde agressieregulatie past mogelijk bij een beperkt beoordelingsvermogen en een gebrek aan remming als gevolg van psychotische symptomen en middelengebruik zoals die buiten zijn verblijf in het PBC wel worden gezien bij verdachte. Mogelijk heeft ook zijn lage intelligentie, waardoor verdachte de wereld om hem heen niet goed lijkt te begrijpen, invloed op zijn gebrekkige emotie- en agressieregulatie. Zowel de ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis als de stoornis in het gebruik van alcohol en cocaïne waren bij verdachte aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde. Ten aanzien van alle aan verdachte ten laste gelegde feiten geldt dat de onderzoekers aanwijzingen zien voor vreemd, ontremd gedrag, maar niet duidelijk is geworden wat de triggers voor de ogenschijnlijke ontremming zijn geweest. Onderzoekers hebben geen zicht verkregen of en in welke mate verdachtes pathologie van invloed is geweest op zijn denken en handelen ten tijde van de tenlasteleggingen. Voor geen van de feiten is het delictscenario voldoende helder om een uitspraak te kunnen doen over de eventuele doorwerking van de stoornissen in deze feiten. Er kon derhalve geen advies gegeven worden over de mate van toerekenen. Omdat onvoldoende duidelijk is of en op welke wijze de psychopathologie van verdachte een rol heeft gespeeld in de hem ten laste gelegde feiten kon er geen geïndividualiseerde risicotaxatie worden opgesteld ten aanzien van de kans op herhaling van dergelijke feiten. Aangezien er onvoldoende zicht is gekregen op het delictscenario in de verschillende tenlastegelegde feiten, (en er daardoor geen duidelijkheid verkregen is over doorwerking van pathologie en over recidiverisico) kan niet worden onderbouwd welke interventies het recidivegevaar zouden kunnen beperken. Er wordt daarom geen advies gegeven over eventuele behandeling of begeleiding en binnen welk kader dit te realiseren is. De rechtbank is van oordeel dat bij verdachte sprake is van een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis en een stoornis in het gebruik van alcohol en cocaïne. Die stoornissen waren bij verdachte aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde.
Volledig
De rechtbank ziet, gelet op de bevindingen van de deskundigen, geen aanknopingspunten om het bewezenverklaarde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Zij acht verdachte daarom volledig toerekeningsvatbaar. De reclassering schrijft in haar rapport van 30 oktober 2025 dat zij vele risico’s constateert bij een terugkeer van verdachte in de samenleving, maar dat zij geen mogelijkheden ziet voor het opstellen van een plan van aanpak. Verdachte heeft een verleden waarbij meerdere voorwaardelijke strafdelen ten uitvoer zijn gelegd en ook nu werkt hij zeer wisselend mee. Verdachte nuanceert zijn middelengebruik en heeft te weinig ziektebesef om een plan van aanpak te laten slagen. Tot slot schrijft de reclassering dat gezien de huidige problematiek waar verdachte mee kampt, zowel psychiatrisch als zijn verslavingsproblematiek, een taakstraf niet uitvoerbaar lijkt. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is wat een passende afdoening is in deze zaak. Zorgmachtiging Op 27 november 2025 werd de zaak van verdachte inhoudelijk behandeld. De rechtbank kwam vervolgens in raadkamer tot de conclusie dat zij onvoldoende voorgelicht was over de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Het was de rechtbank niet duidelijk waarom het niet noodzakelijk werd geacht om een zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte gezondheidszorg (Wvggz) aan verdachte te verlenen. De rechtbank wenste daarover nader te worden ingelicht, te meer nu verdachte sinds het medicatiegebruik gedurende de hechtenis stabieler, rustiger en beter aanspreekbaar is. De zaak werd daarom heropend en aan de officier van justitie werd de opdracht gegeven (opnieuw) de (on)mogelijkheden van een zorgmachtiging te onderzoeken dan wel nader toe te lichten. De geneesheer-directeur van Pro Persona in Wolfheze geeft vervolgens in diens bevindingen van 26 januari 2026 het volgende aan. Vastgesteld wordt dat sprake is van ernstig nadeel. Er wordt echter niet voldaan aan het doelmatigheidscriterium. In dit kader is het volgende van belang. Op dit moment is er sprake van een stabiele situatie in een strak gestructureerde en beveiligde context met toezicht, geen toegang tot middelen en een duidelijke structuur. Deze voorwaarden kunnen binnen het Wvggz-kader niet langdurig en in dezelfde mate worden gewaarborgd, terwijl deze wel nodig zijn om te komen tot een duurzaam afwenden van het ernstig nadeel. Zodra verdachte buiten een gesloten setting komt (wat juist de bedoeling is tijdens een GGZ-behandeling) volgt hoogstwaarschijnlijk onmiddellijke terugval in alcohol/drugsgebruik, wat direct invloed gaat hebben op het delictgevaar. Verdachte is niet te motiveren tot beschermd wonen, waardoor ambulante dwang in de praktijk niet uitvoerbaar is. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank een zorgmachtiging in deze zaak geen passende optie, zodat de rechtbank deze ook niet ambtshalve zal afgeven. Tbs-maatregel De door verdachte gepleegde bedreiging is een feit dat in artikel 37a Sr wordt genoemd en waarvoor de tbs-maatregel opgelegd kan worden. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat bij de verdachte tijdens het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Omdat verdachte niet heeft meegewerkt aan het onderzoek naar zijn persoon en zelf geen hulp wil, is het opleggen van een tbs met voorwaarden geen mogelijkheid. De vraag die de rechtbank daarom moet beantwoorden is of de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen de oplegging een tbs-maatregel met dwangverpleging eist (het ‘gevaarscriterium’). Deze maatregel is de meest ingrijpende beveiligingsmaatregel die in het Nederlandse strafrecht kan worden opgelegd. Er moet dan ook sprake zijn van gevaar voor ernstige recidive. In dit kader is het volgende van belang. Verdachte heeft in deze zaak geen delict gepleegd dat als ernstig moet worden gekwalificeerd. Ook in het verleden heeft verdachte geen ernstige delicten gepleegd. De deskundigen hebben de kans op herhaling van de gepleegde feiten niet kunnen inschatten, laat staan de kans op het plegen van ernstige delicten. Bij deze stand van zaken kan de rechtbank niet vaststellen dat sprake is van een dusdanig ernstig gevaar voor recidive dat dit de oplegging van een tbs maatregel met dwangverpleging eist. Daar komt bij dat de rechtbank het opleggen van de tbs-maatregel in dit geval niet proportioneel acht. De verdachte heeft inmiddels bijna anderhalf jaar in voorarrest gezeten en de verwachting is dat de verdachte nog een lange tijd zal moeten wachten op een geschikte plek in een tbs-instelling. Tot die tijd zal de verdachte niet behandeld worden. Daarmee staat de sanctionering van het feit niet meer in verhouding tot de ernst daarvan. Al met al zal de rechtbank aan de verdachte geen tbs-maatregel opleggen. Gevangenisstraf Voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank niets anders resteert dan het opleggen van een straf. De rechtbank heeft hierbij acht geslagen op de geldende oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), waarin voor een bedreiging met een steekwapen een taakstraf van 120 uren en het niet voldoen aan een ambtelijk bevel een taakstraf van 20 uren de uitgangspunten zijn. Voor handelingen verrichten die aanstotelijk zijn voor de eerbaarheid is geen oriëntatiepunt. Doorgaans worden hier geldboetes voor opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de aard en de ernst van de feiten, de recidive en de persoon van verdachte een gevangenisstraf gerechtvaardigd is. Alles overwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. Hoewel de rechtbank inziet dat verdachte hulp nodig heeft, is er gelet op de duur van het voorarrest (523 dagen) geen ruimte voor een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden. 38v-maatregel De officier van justitie heeft de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid van de verdachte geëist. Ter beveiliging van de maatschappij of ter voorkoming van strafbare feiten kan een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid worden opgelegd. De rechtbank ziet hiertoe echter geen aanleiding. De bedreiging is inmiddels anderhalf jaar geleden. Het betrof een bedreiging tegen een voor verdachte willekeurig onbekend persoon, de vriend van zijn voormalige buurvrouw. Verdachte is zijn woning kwijtgeraakt, dus zal daar niet meer verblijven. Gelet hierop zal de rechtbank de maatregel niet opleggen. Omdat de onvoorwaardelijke gevangenisstraf de duur van het voorarrest overstijgt heft de rechtbank het bevel tot voorlopige hechtenis met onmiddellijke ingang op. 8 De toegepaste wettelijke bepalingen De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 57, 184, 254b en 285 van het Wetboek van Strafrecht. 9 De beslissing De rechtbank: spreekt verdachte vrij van het onder parketnummer 05/238209-24 ten laste gelegde feit; verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij; verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’; verklaart verdachte hiervoor strafbaar; veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden ; beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht; heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met onmiddellijke ingang. Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Schoo (voorzitter), mr. R.M.H. Pennings en mr. S.H.W. Martens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. T.J. Schoen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 maart 2026. mr. Pennings en mr. Martens zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.