Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2026-03-03
ECLI:NL:RBGEL:2026:2268
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Proces-verbaal
2,035 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBGEL:2026:2268 text/xml public 2026-03-31T11:51:51 2026-03-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-03-03 AWB-26_457 Uitspraak Proces-verbaal NL Arnhem Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2268 text/html public 2026-03-31T11:47:40 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:2268 Rechtbank Gelderland , 03-03-2026 / AWB-26_457 Herziening ouderdomspensioen van alleenstaandennorm naar gehuwdennorm. Onweerlegbaar rechtsvermoeden in artikel 1, vijfde lid, aanhef en onder c, van de Algemene Ouderdomswet (AOW). De SVB is terecht uitgegaan van hoofdverblijf op hetzelfde adres in de periode in geding. Volgens eiser is er, ondanks het bestaan van de samenlevingsovereenkomst met de huurder, geen sprake van een gezamenlijke huishouding. Eiser voert in dat verband aan dat hij samen met de huurder in een schriftelijke verklaring is overeengekomen, dat ieder van hen een eigen huishouding houdt. De rechtbank stelt vast dat in de verklaring niet is omschreven op welke periode deze betrekking heeft. Daar komt nog bij dat deze verklaring naar het oordeel van de rechtbank dermate algemeen van aard is, dat deze onvoldoende is om daarmee af te wijken van de samenlevingsovereenkomst. Dit, nog daargelaten of een dergelijke afwijking rechtskracht heeft. Terecht is hoofdverblijf aangenomen en is uitgegaan van de aanwezigheid van een geldende samenlevingsovereenkomst, zodat sprake is van het onweerlegbare rechtsvermoeden van het bestaan van een gezamenlijke huishouding. RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 25/457 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 maart 2026 in de zaak tussen [eiser], uit [plaats], eiser en de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de SVB (gemachtigde: mr. O.F.M. Vonk). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de herziening van zijn ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) van de alleenstaande norm naar de gehuwdennorm over de periode van 1 oktober 2021 tot en met 31 juli 2024. 1.1. Met het bestreden besluit van 13 december 2024 op het bezwaar van eiser is de SVB bij het besluit van 1 augustus 2024gebleven. 1.2. De SVB heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.3. De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van de SVB van 13 december 2024 op 3 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en de gemachtigde van de SVB deelgenomen. 1.4. Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt of de SVB terecht is overgegaan tot herziening van eisers AOW-pensioen over de periode van 1 oktober 2021 tot en met 31 juli 2024. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. 3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Toetsingskader 4. In artikel 1, vierde lid, van de AOW is bepaald dat van gezamenlijke huishouding sprake is, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. 4.1. In artikel 1, vijfde lid, aanhef en onder c, van de AOW is bepaald dat een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig wordt geacht, indien de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract. 4.1.1. De rechtbank overweegt dat indien de situatie genoemd in artikel 1, vijfde lid, aanhef en onder c, van de AOW zich voordoet, sprake is van een onweerlegbaar rechtsvermoeden van het bestaan van een gezamenlijke huishouding. Dit betekent dat de betrokkenen worden geacht een gezamenlijke huishouding te voeren. De SVB hoeft in dit geval niet nader te onderzoeken of wordt voldaan aan het criterium van de wederzijdse zorg, zoals genoemd in artikel 1, vierde lid, van de AOW. De onweerlegbaarheid van het rechtsvermoeden houdt in dat het leveren van tegenbewijs door de betrokkene(n) niet mogelijk is. Hoofdverblijf 5. Tijdens de zitting in beroep heeft eiser het hoofdverblijf van hem en [persoon A] op eisers adres vanaf 15 september 2021 betwist. Eiser heeft een uittreksel uit de Basisregistratie Personen (BRP) getoond, waarop is vermeld dat [persoon A] per 1 februari 2022 is ingeschreven op eisers adres. 5.1. De rechtbank overweegt dat voor de beantwoording van de vraag of er hoofdverblijf in dezelfde woning is, niet de inschrijving in de BRP maar de feitelijke woonsituatie bepalend is. In het dossier bevindt zich een door [persoon A] ondertekend huurcontract met eiser, gedateerd op 1 mei 2021 en ingaande per dezelfde datum. Daarmee is aannemelijk dat [persoon A] in ieder geval vanaf 15 september 2021 hoofdverblijf op eisers adres had. Tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft eiser, blijkens het verslag dat daarvan is opgemaakt, zelfs bevestigd dat [persoon A] al vanaf 1 mei 2021 feitelijk bij hem woonde. De rechtbank concludeert dan ook, dat de SVB er terecht van is uitgegaan dat eiser en [persoon A] op de datum van het sluiten van het samenlevingscontract hoofdverblijf hadden in dezelfde woning en dat dit tijdens de periode in geding zo is gebleven. Ten aanzien van de periode vanaf 1 februari 2022 heeft eiser het hoofdverblijf van [persoon A] op eisers adres immers niet betwist. Samenlevingscontract 6. Eiser heeft betoogd dat in zijn geval geen sprake is van een samenlevingscontract, maar van een samenlevingsovereenkomst. Ondanks het bestaan van deze samenlevingsovereenkomst per 15 september 2021, is er volgens eiser geen sprake van een gezamenlijke huishouding tussen hem en [persoon A]. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft eiser een drietal verklaringen in de procedure gebracht. Met deze verklaringen wordt volgens eiser conform artikel 1, vierde lid, van de samenlevingsovereenkomst afgesproken dat ieder van hen een eigen huishouding houdt. Overigens heeft eiser betoogd dat er geen sprake is van wederzijdse zorg. 6.1. Deze beroepsgrond van eiser slaagt niet. Allereerst hecht de rechtbank aan het door eiser gemaakte – en overigens niet nader gemotiveerde – onderscheid tussen de benamingen samenlevingscontract en samenlevingsovereenkomst in deze procedure geen betekenis. De rechtbank zal in het onderstaande de term samenlevingsovereenkomst gebruiken. 6.2. De aanwezigheid van een geldige samenlevingsovereenkomst op 15 september 2021 brengt samen met het hoofdverblijf in de woning met zich dat sprake is van een onweerlegbaar rechtsvermoeden per deze datum. Het leveren van tegenbewijs is door de onweerlegbaarheid van het rechtsvermoeden niet mogelijk. De SVB hoefde daarom niet te onderzoeken of sprake was van wederzijdse zorg. De beroepsgronden die eiser met betrekking tot het ontbreken van wederzijdse zorg heeft aangevoerd slagen daarom niet. 6.3. De door eiser ingebrachte verklaringen, waarmee naar eisers idee uitvoering is gegeven aan artikel 1, vierde lid, van de samenlevingsovereenkomst baten eiser niet. 6.3.1. In artikel 1, vierde lid, van de samenlevingsovereenkomst is bepaald dat in afwijking van het bepaalde in de leden 2 en 3 van artikel 1 van de samenlevingsovereenkomst, partijen – mits in onderling overleg en schriftelijk vastgelegd – steeds voor een kalenderjaar of een gedeelte daarvan een andere (wijze van) verdeling van bepaalde of alle kosten van de huishouding kunnen overeenkomen en/of kunnen vastleggen dat bepaalde uitgaven niet als kosten van de huishouding worden aangemerkt. 6.3.2. Allereerst hebben de verklaringen van 14 augustus 2024 en 10 januari 2025 geen betrekking op de periode in geding, zodat deze om die reden buiten beschouwing blijven. 6.3.3. Ten aanzien van de verklaring van 14 september 2021 geldt, dat geen periode is omschreven waarop de verklaring betrekking heeft, anders dan de handgeschreven opmerking dat deze ook voor het jaar 2022 geldt.