Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2026-03-20
ECLI:NL:RBGEL:2026:2251
RECHTBANK GELDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: ARN 26/696 uitspraak van de voorzieningenrechter van in de zaak tussen [verzoeker], uit [plaats], verzoeker en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerde (gemachtigde: J. Esselink). Samenvatting 1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de toewijzing van bijstand aan verzoeker. Verzoeker is het niet eens met de ingangsdatum en de wijze waarop het college de hoogte van de betaling van bijstand heeft berekend. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker. 1.1. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Procesverloop 2. Verzoeker vormt een gezin met zijn echtgenote, dochter van 22 en zoon van 15. Verzoeker heeft op 14 november 2025 een aanvraag ingediend voor bijstand op grond van de Participatiewet (Pw). 2.1. Verzoeker heeft in december een voorschot op de bijstand van in totaal € 1.000 ontvangen. 2.2. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 2 februari 2026 buiten behandeling gesteld, omdat verzoeker niet alle gevraagde informatie had aangeleverd. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 2.3. Het college heeft gedurende de bezwaarprocedure alsnog inhoudelijk beslist op de aanvraag. Met het besluit van 6 maart 2026 wijst het college de aanvraag voor bijstand af. 2.4. Het college heeft op 12 maart 2026 het besluit van 6 maart 2026 gewijzigd en besloten dat verzoeker en zijn partner is aanmerking komen voor bijstand naar de gehuwdennorm met ingang van 17 november 2025. Het bezwaar van verzoeker wordt op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht mede gericht geacht tegen dit besluit. 2.5. Verzoeker heeft aan de griffier van de rechtbank laten weten dat hij zijn verzoek handhaaft. 2.6. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 13 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, zijn partner en de gemachtigde van het college. Beoordeling door de voorzieningenrechter Spoedeisend belang 3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij zijn verzoek, ondanks dat aan verzoeker inmiddels bijstand is toegekend. Dat is zo vanwege zijn nijpende financiële situatie. Toetsingskader 4. Een gezin heeft recht op bijstand, als het in aanmerking te nemen inkomen lager is dan de bijstandsnorm en er geen in aanmerking te nemen vermogen is. De bijstandsnorm voor gehuwden is € 2.002,13. Tot de middelen worden alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. De middelen worden in aanmerking genomen tot het bedrag dat resteert na aftrek van de loonbelasting, verschuldigde premies, verplichte bijdragen en verplichte inhoudingen. De algemene bijstand wordt per kalendermaand vastgesteld en betaald. Heeft het bezwaar een redelijke kans van slagen? 5. De voorzieningenrechter beoordeelt voor de vraag of zij een voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Daar wordt in dit verband mee bedoeld of het bezwaar er naar verwachting toe zal leiden dat het college nog het door verzoeker becijferde bedrag van € 1.225,39 (of een deel daarvan) verschuldigd is aan verzoeker en zijn echtgenote. 5.1. Het college heeft beslist dat verzoeker en zijn echtgenote in aanmerking komen voor bijstand naar de gehuwdennorm, waarbij de inkomsten van de partner in