Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2026-03-18
ECLI:NL:RBGEL:2026:2238
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
5,957 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:2238 text/xml public 2026-03-23T13:55:53 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-03-18 05/231657-25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Arnhem Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2238 text/html public 2026-03-23T13:52:09 2026-03-23 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:2238 Rechtbank Gelderland , 18-03-2026 / 05/231657-25 Veroordeling voor poging tot opzettelijke brandstichting in een winkelcentrum, waardoor gevaar voor goederen te duchten was. Veroordeelde is verminderd toerekeningsvatbaar. De poging tot brandstichting kan gezien worden als een schreeuw om hulp. Gevangenisstraf van 360 dagen, waarvan 224 dagen voorwaardelijk met aftrek van voorarrest en een proeftijd van drie jaar. Daarnaast legt de rechtbank de bijzondere voorwaarden op zoals geadviseerd door de reclassering met uitzondering van het locatie verbod voor het winkelcentrum. RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer: 05/231657-25 Datum uitspraak : 18 maart 2026 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1974 in [geboortedatum] (Suriname), thans verblijvende in [FPA] . Raadsman: mr. J.G. Roethof, advocaat in Arnhem. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen. 1 De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 3 september 2025 te Arnhem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten en/of een ontploffing teweeg te brengen, terwijl daarvan - gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten een bankje en/of (de goederen en/of winkels in) Winkelcentrum Presikhaaf te duchten was en/of - levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de aanwezige personen in Winkelcentrum Presikhaaf te duchten was - meerdere flessen bio aanmaakgel heeft gekocht en/of daar lucifers in heeft gestopt en/of - een of meerdere lucifers heeft aangestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; subsidiair hij op of omstreeks 3 september 2025 te Arnhem ter voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten brandstichting als bedoeld in art. 157 van het Wetboek van Strafrecht), een of meerdere flessen bio aanmaakgel en/of lucifers bestemd tot het begaan van dat misdrijf voorhanden heeft gehad. 2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het primair tenlastegelegde. Er is geen sprake van een deugdelijke poging; de poging was absoluut ondeugdelijk. Biogel is niet verdampend en dus niet licht ontvlambaar. Bovendien kon er geen zuurstof in de fles biogel komen, zodat er ook om die reden geen brand kon ontstaan door lucifers in de fles met biogel te steken. Hoewel het naar uiterlijke verschijningsvormen lijkt op een poging, heeft het niet kunnen slagen op de manier waarop client het heeft geprobeerd. Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Beoordeling door de rechtbank Verdachte wordt verweten dat hij heeft geprobeerd om brand te stichten, terwijl daarvan gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was. Getuige [getuige] , beveiliger van winkelcentrum Presikhaaf in Arnhem, gelegen aan de Lange wal in Arnhem, heeft verklaard dat hij op 3 september 2025 aan het werk was en dat hij omstreeks 12.55 uur een melding kreeg over een doorgedraaide man om de hoek bij de Albert Heijn. Eenmaal ter plaatse zag hij dat een man (zijnde verdachte) twee flessen met een vloeistof erin naast zich had staan op het bankje in de hal van het winkelcentrum. Hij zag lucifers in de flessen zitten. Hij zag dat de man een aangestoken lucifer in zijn hand hield en dat de vlam van de lucifer steeds groter werd. Hij zag dat de man de aangestoken lucifer bij de doek in de fles hield. De camerabeelden van het winkelcentrum Presikhaaf zijn bekeken door verbalisant [verbalisant 7] en voor zover relevant is hierop het volgende te zien. Om 12.57.47 uur is een korte, felle flits ter hoogte van de schoot van de verdachte te zien. Omstreeks 12.57.47 uur is af en toe een lichte felle flits ter hoogte van de schoot van de verdachte te zien. Omstreeks 12.59 uur is te zien dat de beveiliger samen met een andere man (man 4 genoemd) in de richting van de verdachte rent. Te zien is dat man 4 twee voorwerpen van het bankje, waar de verdachte zojuist opzat, oppakt. Te zien is dat man 4 in de richting van de verdachte loopt en dat de verdachte een vechthouding aanneemt en terugdeinst. Vervolgens is te zien dat de beveiliger tussen de verdachte en man 4 komt. Te zien is dat man 4 de twee voorwerpen aan de beveiliger overhandigt. De ter plaatse gekomen verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben de verdachte aangehouden. Op het bankje zagen zij twee rode doppen liggen. Zij namen de flessen van de beveiliging over en draaiden de doppen op de flessen. Verbalisant [verbalisant 2] zag diverse lucifers in de flessen zitten. Door verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] is onderzoek gedaan naar de inbeslaggenomen flessen welke de verdachte in bezit had. Zij zagen dat het twee flessen betrof waar oranje vloeistof in zat. Daarnaast zagen zij dat meerdere lucifers in de flessen waren gestopt welke nog niet ontvlamd waren. Zij zagen dat de vloeistof gelachtig was. Op de foto’s van de inbeslaggenomen flessen is de lezen dat de flessen “BIO AANMAAKGEL voor openhaard en barbecue” bevatten. Verder is op het etiket de tekst “gevaar” gedrukt en een pictogram dat aangeeft dat de flessen een ontvlambare stof bevatten. Verdachte heeft verklaard dat hij twee flessen (Bio aanmaakgel) bij Albert Hein heeft gekocht in het winkelcentrum Presikhaaf. Hij had de lucifers in de mond van de fles gedrukt. Hij wilde de flessen aansteken en over zijn benen gieten. Hij wilde zichzelf in brand steken. De rechtbank concludeert op basis van de foto’s en de verklaring van verdachte, inhoudende dat hij de flessen kort daarvoor heeft gekocht om zichzelf in de brand te steken, dat de flessen de op het etiket vermelde “Bio aanmaakgel” bevatten. Deze stof is licht ontvlambaar en bedoeld om openhaarden en barbecues aan te steken. Verder stelt de rechtbank vast dat de doppen van de flessen af waren en dat er niet ontbrande lucifers in de flessen waren gestopt. Op de camerabeelden zijn flitsen te zien en een getuige heeft gezien dat verdachte lucifers had aangestoken. Uit deze feiten en omstandigheden en de verklaring van verdachte dat hij zichzelf in brand wilde steken, leidt de rechtbank af dat verdachte opzettelijk heeft geprobeerd om brand te stichten en ook al een begin had gemaakt met de uitvoering daarvan. Gemeen gevaar voor een of meer goederen? Door verbalisant [verbalisant 5] zijn foto’s gemaakt van de plaats delict. Voor zover relevant zijn met betrekking tot de gevaarsetting de volgende beschrijvingen relevant: “(…) Foto 2: (…) Rechts op de foto is een bankje te zien waar het incident zich heeft afgespeeld. Het bankje staat direct tegen een muur geplaatst. Deze muur is aangekleed met wandbekleding. De wandbekleding bestaat uit groen kleurige planten die van plastic materiaal zijn gemaakt. (…) Foto 6: Op deze foto is het bankje te zien. Het bankje heeft een stalen constructie en een houten zit/rug vlak. Foto 7: Op deze foto is de achterwand te zien. De achterwand is van plastic materiaal gemaakt wat op het eerste ogenblik lijkt op groene beplanting.
Volledig
(…)” De rechtbank is dan ook van oordeel dat bij de poging tot brandstichting gevaar voor meerdere goederen te duchten was omdat verdachte ten tijde van die poging op een bankje met een houten zitting en rugleuning zat en zich direct achter het bankje een achterwand gemaakt van plastic materiaal bevond. Als de aanmaakgel in brand was gevlogen dan was schade aan het bankje en/of de kunststof “plantenwand” ontstaan. De rechtbank acht niet bewezen dat tevens levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was, omdat dit op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld. De rechtbank zal verdachte van deze onderdelen dan ook vrijspreken. Een absoluut ondeugdelijke poging? Van een absoluut ondeugdelijke poging is sprake als door de dader handelingen worden verricht die weliswaar gericht zijn op voltooien van het delict, maar waarvan vaststaat dat daardoor het gewenste doel nooit zal worden bereikt. Verdachte heeft geprobeerd om brand te stichten. Daarvoor heeft hij twee flessen Bio aanmaakgel gekocht, de doppen van de flessen gedraaid, niet ontbrande lucifers in de flessenhalzen gestopt en vervolgens verschillende lucifers aangestoken met de bedoeling de aanmaakgel aan te steken en over zijn benen te gieten. Getuige [getuige] zag dat de man de aangestoken lucifer in de fles hield. Gelukkig zijn de flessen aanmaakgel van verdachte afgepakt voordat deze konden ontbranden. Bio aanmaakgel is niet alleen brandbaar, maar ook juist bedoeld om op een veilige manier het in brand steken van andere stoffen te versnellen. Deze stof is dus juist geschikt om brand te stichten. De door verdachte gebruikte lucifers zijn ontbrand. Anders dan de raadsman heeft betoogd, is naar het oordeel van de rechtbank alleen al door het verwijderen van de doppen van de flessen lucht, dus zuurstof, bij de aanmaakgel gekomen. Gelet op het voorgaande verwerpt de rechtbank het verweer dat sprake zou zijn van een absoluut ondeugdelijke poging. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, in die zin dat sprake is van een poging tot opzettelijke brandstichting met gemeen gevaar voor goederen, gepleegd op 3 september 2025 in Arnhem. 3 De bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: hij op of omstreeks 3 september 2025 te Arnhem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten en/of een ontploffing teweeg te brengen , terwijl daarvan - gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten een bankje en/of ( de goederen en/of winkels in) Winkelcentrum Presikhaaf te duchten was en/of - levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de aanwezige personen in Winkelcentrum Presikhaaf te duchten was - meerdere flessen bio aanmaakgel heeft gekocht en /of daar lucifers in heeft gestopt en /of - een of meerdere lucifers heeft aangestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: poging tot opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is. 5 De strafbaarheid van het feit Het feit is strafbaar. 6 De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 420 dagen, waarvan 285 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met de bijzondere voorwaarden zoals deze zijn geadviseerd door de reclassering, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de conclusies van de Pro Justitia-rapporteur en het advies van de reclassering over te nemen. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte. De ernst van het feit Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot brandstichting waarbij gevaar voor goederen was te duchten. Hij heeft in een winkelcentrum, terwijl hij op een bankje met houten zitting en rugleuning zat bij een plastic achterwand, lucifers aangestoken en deze in een fles met brandbare aanmaakgel gestopt. Verdachte wilde zichzelf in brand steken; een roep om hulp zoals hij ter terechtzitting verklaarde. Hij zag het leven niet meer zitten door alle problemen waar hij tegenaan liep. Desalniettemin is brandstichting is een ernstig feit. In dit geval is het bij een poging gebleven omdat een beveiliger van het winkelcentrum en winkelend publiek hebben ingegrepen voordat verdachte daadwerkelijk iets heeft kunnen ontbranden en gevaar voor goederen (en voor verdachte zelf) kon worden veroorzaakt. In het algemeen geldt dat brandstichting gevoelens van angst, onveiligheid en onrust teweeg brengt, te meer nu deze poging tot brandstichting plaatsvond in een overdekt winkelcentrum. Een dergelijk feit rechtvaardigt in beginsel de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Justitiële documentatie Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij eenmaal eerder onherroepelijk is veroordeeld in de vijf jaren voorafgaande aan het bewezenverklaarde feit, maar niet voor soortgelijke feiten. De rechtbank neemt zijn strafblad dan ook niet in strafverzwarende zin mee bij de bepaling van de straf. PJ-rapportage Uit het psychologisch onderzoek naar de persoon van de verdachte, zoals beschreven in het Pro Justitia-rapport van 5 december 2025 dat is opgesteld door GZ-psycholoog H.A. de Jonge, volgt dat bij verdachte sprake is van een posttraumatische stressstoornis als gevolg van het ondergaan van geweld en seksueel misbruik in zijn jeugd. Verder volgt uit het rapport dat bij verdachte sprake is van een licht verstandelijke beperking, dat hij problemen heeft met middelen, te weten alcohol en cocaïne, en dat er sprake is van sociaal maatschappelijke problematiek na zijn echtscheiding. Verdachte was regelmatig dakloos en verbleef in opvangsituaties. De psycholoog heeft geconcludeerd dat voornoemde stoornissen aanwezig waren ten tijde van het (bewezenverklaarde) feit en dat deze stoornissen zijn gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het delict beïnvloedden. Volgens de psycholoog maken de verstandelijke beperking en de traumaproblematiek, gecombineerd met de problemen met middelen dat verdachte niet in staat is om zijn situatie te overzien, adequate beslissingen te nemen en zich langdurig aan verstandiger en minder (zelf)destructieve keuzes te houden. Hij is weinig bestand tegen druk. Daarnaast is hij boos over zijn situatie (geen eigen huis, geen echte baan, medische problemen) die maakt dat hij zich voortdurend tekortgedaan voelt en die zijn trots krenkt. Door de steeds weer terugkerende herbelevingen, maar ook door dingen die niet gaan zoals hij wil, raakt hij in een cirkel van zich onder druk voelen staan, middelengebruik, dat gevoelens van boosheid en frustratie versterkt en impulsief en ontremd gedrag veroorzaakt, destructiviteit naar zichzelf en anderen met verdere frustratie en schaamte als gevolg. De psycholoog heeft geadviseerd om het tenlastegelegde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.
Volledig
In het rapport staat verder vermeld dat het risico op herhaling zonder interventies hoog wordt ingeschat. Dat geldt zowel voor acties die anderen als betrokkene zelf kunnen beschadigen. Daarnaast geldt dat voor acties die materiele schade tot gevolg kunnen hebben. Aanbevolen wordt een klinische opname in een Forensisch Psychiatrische Afdeling (FPA) om voor zover mogelijk de traumaproblematiek te behandelen en daarnaast het middelenprobleem aan te pakken. Een klinische setting wordt noodzakelijk geacht vanwege verdachtes angst voor behandeling van zijn trauma’s en vanwege zijn bagatellisering van zijn problemen met middelen. Ook zou in de kliniek aandacht besteed kunnen worden aan het ontwikkelen van sociale- en copingvaardigheden en aan herstel van het contact met zijn kinderen. De psycholoog heeft geadviseerd om de interventies vorm te geven als bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel. Tevens wordt, om betrokkene tegen zijn eigen impulsieve gedrag te beschermen, geadviseerd om een gedrags- en vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen. Reclasseringsadvies Uit het reclasseringsadvies van 16 februari 2026 volgt dat verdachte sinds 16 januari 2026 is opgenomen in [FPA] en dat de opname goed verloopt. Net als de psycholoog acht de reclassering het risico op herhaling en het risico op letsel hoog en achten zij het wenselijk dat verdachte een klinische opname doorloopt zodat in een veilige setting zijn trauma’s kunnen worden behandeld, waarbij er ook aandacht dient te zijn voor middelengebruik, delictanalyses en meer praktische zaken als het vinden van een (begeleide) vervolgplek en dagbesteding. De reclassering heeft een deels voorwaardelijke straf met de volgende voorwaarden geadviseerd: een meldplicht bij de reclassering, een opname in een zorginstelling ( [FPA] ), een ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname, een verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, een verbod op verdovende middelen en een locatieverbod voor winkelcentrum Presikhaaf in Arnhem (zonder elektronisch toezicht). Verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven dat hij op dit moment zijn behandelingen goed doorloopt, gemotiveerd is om deze behandelingen voort te zetten en bereid is zich aan de voorwaarden te houden die de reclassering heeft geadviseerd. De op te leggen straf De rechtbank neemt de conclusies van de psycholoog over, stelt vast dat bij verdachte sprake is van stoornissen die ten tijde van het bewezenverklaarde zijn gedragskeuzes beïnvloedden en is van oordeel dat het bewezenverklaarde in verminderde mate aan verdachte dient te worden toegerekend. De rechtbank is verder van oordeel dat bij de strafbepaling de focus moet liggen op het strafdoel van preventie door hulpverlening aan verdachte. De rechtbank neemt dan ook het advies over om de nodige interventies vorm te geven als bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel. Anders dan geadviseerd ziet de rechtbank geen meerwaarde in het opleggen van een gedrags- en vrijheidsbeperkende maatregel of een locatieverbod voor winkelcentrum Presikhaaf in Arnhem. Voor de hoogte van de straf heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank neemt verder in aanmerking dat verdachte kan worden gezien als een ‘first offender’ en dat de poging tot brandstichting kan worden gezien als een schreeuw om hulp. Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 360 dagen opleggen waarvan 224 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. De tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht wordt in mindering gebracht op de op te leggen straf. Dit betekent dat verdachte niet terug de gevangenis in hoeft, zolang verdachte zich houdt aan de voorwaarden die zullen worden verbonden aan het voorwaardelijk strafdeel. Naast de algemene voorwaarde dat verdachte geen nieuwe strafbare feiten mag plegen, zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden opleggen die de reclassering heeft geadviseerd (voor de exacte tekst wordt verwezen naar het dictum) met uitzondering van het locatieverbod voor Arnhem omdat de rechtbank daar geen noodzaak toe ziet. Gelet op het voorgaande zal het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis worden opgeheven. De straf valt lager uit dan de eis van de officier van justitie. Dit is met name gelegen in de deelvrijspraak van het levensgevaar voor personen en de omstandigheid dat de richtlijnen van het openbaar ministerie afwijken van de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Tenuitvoerlegging Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is. 8 De toegepaste wettelijke bepalingen De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45 en 157 van het Wetboek van Strafrecht. 9 De beslissing De rechtbank: verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij; verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’; verklaart verdachte hiervoor strafbaar; veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 360 dagen ; bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 224 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd , tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren niet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden: stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; stelt als bijzondere voorwaarden dat: - verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt verdachte zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan op het volgende telefoonnummer, 040-2171200, of op het volgende adres, Docter Poletlaan 74-76 in (5626 ND) Eindhoven. Hierna moet hij zich blijven melden, zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht; - verdachte zich tijdens de proeftijd voor minimaal 6 tot maximaal 12 maanden of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat opnemen en behandelen door [FPA] of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname is gestart op 16 januari 2026. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische,- en verslavingsproblematiek en het gebrek aan maatschappelijke inbedding. Verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing; - verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door een zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op de psychische,- en verslavingsproblematiek en het gebrek aan maatschappelijke inbedding. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken.