Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2026-03-18
ECLI:NL:RBGEL:2026:2221
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,025 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBGEL:2026:2221 text/xml public 2026-03-24T17:00:27 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-03-18 AWB 24/6702 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2221 text/html public 2026-03-24T12:05:23 2026-03-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:2221 Rechtbank Gelderland , 18-03-2026 / AWB 24/6702 MRB; gebruik gemaakt van de openbare weg tijdens schorsing; beroep ongegrond. RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 24/6702 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 18 maart 2026 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende, en de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Heerlen, de inspecteur. Inleiding In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 24 mei 2024. De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting over het tijdvak dat loopt van 9 oktober 2022 tot en met 25 september 2023 opgelegd van € 195 (de naheffingsaanslag). Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur aan belanghebbende een verzuimboete van € 97 opgelegd (de boetebeschikking). De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De rechtbank heeft het beroep op 28 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben [persoon A] en [persoon B] deelgenomen namens de inspecteur. Belanghebbende is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 10 december 2025 aan [belanghebbende] op het adres [locatie 1] , [postcode] [plaats] , onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Nu genoemde brief niet ter griffie is terugontvangen en uit informatie van PostNL is gebleken dat de brief op 11 december 2025 aan belanghebbende op genoemd adres is uitgereikt, is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze, tijdig op het juiste adres is aangeboden. Feiten 1. Belanghebbende was blijkens het kentekenregister van 19 februari 2008 tot en met 25 september 2023 houder van een personenauto van het merk Fiat, type Uno met het kenteken [kenteken] (de auto). 2. Gedurende de periode van 14 april 2022 tot en met 13 april 2023 en van 13 april 2023 tot en met 26 september 2023 is de geldigheid van het kenteken van de auto geschorst geweest in de zin van hoofdstuk IV, paragraaf 6, van de Wegenverkeerswet 1994. 3. Op 15 augustus 2023 is geconstateerd dat met de auto van de openbare weg ( [locatie 2] , [plaats] ) gebruik werd gemaakt. 4. Bij brief van 12 december 2023 heeft de inspecteur aan belanghebbende een vooraankondiging naheffingsaanslag met boete gestuurd. 5. Belanghebbende heeft op deze vooraankondiging op 21 december 2023 gereageerd. 6. Met dagtekening 6 februari 2024 heeft de inspecteur aan belanghebbende een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting voor de periode 9 oktober 2022 tot en met 25 september 2023 opgelegd van € 195. De inspecteur heeft gelijktijdig een boete van € 97 opgelegd. Belanghebbende heeft tegen deze naheffingsaanslag en boetebeschikking bezwaar gemaakt. 7. Bij uitspraak op bezwaar met dagtekening 24 mei 2024 heeft de inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag en boetebeschikking gehandhaafd. Beoordeling door de rechtbank 8. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag en de boetebeschikking terecht en tot de juiste hoogte zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. 9. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De naheffingsaanslag 10. Belanghebbende geeft aan dat de auto drie maanden op de parkeerplaats van garage Zijlstra stond voor reparatie. Uiteindelijk is besloten om de auto te laten slopen. De auto heeft vervolgens nog even op de parkeerplaats gestaan en is daarna in een doodlopende weg bij de garage geparkeerd. In deze weg staan alleen auto’s voor reparatie bij de garage. Belanghebbende ging ervan uit dat de auto daar kon staan en dat er op die plek niet gecontroleerd zou worden. 11. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag en de boete terecht zijn opgelegd. Er is geconstateerd dat gebruik is gemaakt van de openbare weg met een motorrijtuig waarvan het kentekenbewijs op dat moment geschorst was. Ook de doodlopende weg bij de garage is een openbare weg. 12. Op grond van artikel 1, eerste lid, en artikel 6 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (Wet MRB) is het houden van een personenauto belast met motorrijtuigenbelasting. Artikel 19, eerste lid, van de Wet MRB bepaalt dat deze belasting niet geheven wordt voor een motorrijtuig waarvan het kenteken is geschorst. De schorsingsregeling is een begunstigende regeling – er wordt namelijk geen belasting geheven – maar kent strikte voorwaarden. Een van de voorwaarden is dat er geen gebruik wordt gemaakt van de openbare weg. 13. De motorrijtuigenbelasting kan worden nageheven bij constatering van gebruik van de openbare weg met een motorrijtuig tijdens een voor dat motorrijtuig geldende schorsing. Daarbij wordt de na te heffen belasting berekend over een tijdsduur van vier aaneensluitende tijdvakken van drie maanden met als laatste het tijdvak waarin gebruik van de weg is gemaakt. Als het motorrijtuig tijdens een deel van de tijdvakken niet op naam heeft gestaan van de houder van het motorrijtuig, wordt over dat gedeelte geen belasting nageheven. 14. De rechtbank oordeelt als volgt. Vast staat dat op 15 augustus 2023 met de auto gebruik is gemaakt van de openbare weg, terwijl het kenteken van de auto geschorst was. Belanghebbende betwist dit niet. De inspecteur heeft rekening gehouden met de periode waarin het houderschap van belanghebbende reeds beëindigd was. De motorrijtuigenbelasting is dus terecht en tot de juiste hoogte nageheven. 15. Voor zover belanghebbende heeft bedoeld het standpunt in te nemen dat hij de toepassing van de wettelijke bepalingen in zijn geval onbillijk en onrechtvaardig vindt, overweegt de rechtbank dat zij op grond van artikel 11 van de Wet algemene bepalingen in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid van de wet mag beoordelen. De boete 16. Aangezien de naheffingsaanslag terecht is opgelegd, is er sprake van een verzuim. Op grond van artikel 37 van de Wet MRB gaat het om een verzuim als bedoeld in artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Met in achtneming van paragraaf 34, onderdeel twee, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB) bedraagt de boete 50% van de nageheven belasting met een minimum van € 50 en een wettelijk maximum van € 5.514. De inspecteur heeft een boete opgelegd van € 97. De rechtbank is van oordeel dat deze boete passend en geboden is. De rechtbank ziet geen reden om de boete te matigen. 17. De rechtbank dient ambtshalve te beoordelen of de boete gematigd moet worden wegens overschrijding van de redelijke termijn als genoemd in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De redelijke termijn voor berechting van het geschil in eerste aanleg bedraagt twee jaar. Sinds de start van de termijn is meer dan twee jaar verstreken. Omdat de boete niet meer dan € 1.000 bedraagt, volstaat de rechtbank met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Conclusie en gevolgen 18. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag en de boetebeschikking in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.L. van Benthem, rechter, in aanwezigheid van mr. E.N.N. Hustinx, griffier. Uitgesproken op 18 maart 2026.