Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2026-01-13
ECLI:NL:RBGEL:2026:216
RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 23/3750 uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen [eiser], uit [plaats], eiser (gemachtigde: mr. S. Sabir), en de minister van Defensie (gemachtigde: mr. P. Toonders). Samenvatting en leeswijzer 1. Deze uitspraak gaat over de gedeeltelijke afwijzing van het verzoek van eiser om inzage in en informatie over de verwerking van zijn persoonsgegevens door de Koninklijke Marechaussee (KMar) op grond van de Wet Politiegegevens (Wpg). Eiser is het niet eens met het besluit en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit van de minister. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is, omdat het besluit van de minister op het verzoek van eiser gebreken kent. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. De minister heeft de gebreken in beroep namelijk niet volledig hersteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.2. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 en 4 staat waar deze zaak over gaat en hoe de besluitvorming tot stand is gekomen. Vervolgens beantwoordt de rechtbank onder 5 de vraag of het beroep gegrond is. Vanaf 6 beoordeelt de rechtbank of er aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen in stand te laten. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. Procesverloop 2. Met het bestreden besluit van 11 mei 2023 heeft de minister het verzoek van eiser om inzage in en informatie over de verwerking van zijn persoonsgegevens door de KMar gedeeltelijk toegewezen. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. De minister heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en het besluit op 18 augustus 2023 voorzien van een nadere motivering. Ten aanzien van een deel van deze stukken en ten aanzien van de nadere motivering van 18 augustus 2023 heeft de minister op grond van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) meegedeeld dat uitsluitend de rechtbank daarvan kennis mag nemen. Voor wat betreft de op de op de zaak betrekking hebbende stukken heeft de rechtbank gehandeld alsof de rechtbank heeft beslist dat de beperking van de kennisneming van deze stukken gerechtvaardigd is. Voor wat betreft de nadere motivering heeft de rechtbank bij beslissing van 26 februari 2024 bepaald dat beperking van de kennisneming hiervan gerechtvaardigd is. Eiser heeft de rechtbank toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb gegeven. 2.3. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.4. De rechtbank heeft het beroep, gelijktijdig met een ander beroep van eiser , op 18 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Totstandkoming van de besluitvorming Het verzoek 3. Eiser heeft op 12 januari 2023 op grond van artikel 25 van de Wpg de KMar verzocht om inzage in en informatie over de verwerking van zijn persoonsgegevens. De aanleiding voor dit verzoek is dat eiser hinder en beperkingen ondervindt bij het reizen naar het buitenland. Hij wordt regelmatig ondervraagd voordat hem toegang wordt verleend en in Dubai en Singapore is hem de toegang geweigerd. Ook merkt eiser dat hij anders wordt bejegend nadat zijn paspoort is gescand bij een douanecontrole. Hij wil weten welke gegevens over hem zijn verwerkt, of die gegevens juist zijn verwerkt en of er een verband bestaat tussen de gegevens en de ondervonden reisbeperkingen. Op die manier is hij ook in de gelegenheid eventuele onjuistheden te laten corrigeren. 3.1. Eiser wil inzage in de door de KMar verwerkte persoonsgegevens en informatie over: welke persoonsgegevens van hem zijn verwerkt, dan wel opgeslagen en gedeeld; op basis van welke grondslag die persoonsgegevens zijn opgeslagen en gedeeld; van welke instantie(s) en In artikel 1, aanhef en onder a, van de Wpg is bepaald dat politiegegevens persoonsgegevens zijn die worden verwerkt in het kader van de uitvoering van de politietaak. In artikel 1, aanhef en onder f, van de Wpg is bepaald dat bij de KMar de minister de verwerkingsverantwoordelijke is. 7.1. Op grond van artikel 25, eerste lid, van de Wpg heeft de betrokkene het recht om op een schriftelijke verzoek uitsluitsel te verkrijgen over de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om die persoonsgegevens in te zien en om informatie te verkrijgen over: de doelen en de rechtsgrond van de verwerking; de betrokken categorieën van politiegegevens; de vraag of de deze persoon betreffende politiegegevens gedurende een periode van vier jaar voorafgaande aan het verzoek zijn verstrekt en over de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de gegevens zijn verstrekt, met name ontvangers in derde landen of internationale organisaties; e voorziene periode van opslag of indien dat niet mogelijk is, de criteria om die termijn te bepalen; het recht te verzoeken om rectificatie, vernietiging of afscherming van de verwerking van hem betreffende politiegegevens; het recht een klacht in te dienen bij de Autoriteit persoonsgegevens, en de contactgegevens van die autoriteit; de herkomst, voor zover beschikbaar, van de verwerking van hem betreffende politiegegevens. 7.1.1. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 25 van de Wpg blijkt dat mede met het oog op het recht op eerbiediging van het privéleven uit artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden in de Wpg een recht op kennisneming is opgenomen. Het recht op kennisneming is echter geen absoluut recht. 7.2. In artikel 27, eerste lid van de Wpg is bepaald dat een verzoek als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de Wpg wordt afgewezen voor zover dit een noodzakelijke en evenredige maatregel is: ter vermijding van belemmering van de gerechtelijke onderzoeken of procedures; ter vermijding van nadelige gevolgen voor de voorkoming, de opsporing, het onderzoek en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen; ter bescherming van de openbare veiligheid; ter bescherming van de rechten en vrijheden van derden; ter bescherming van de nationale veiligheid. In het tweede lid van dit artikel staat dat een gehele of gedeeltelijke afwijzing van een verzoek als bedoeld in het eerste lid schriftelijk is en de redenen voor de afwijzing bevat. 7.2.1. Uit de memorie van toelichting bij de wijziging van de Wpg volgt dat aan een weigering op grond van artikel 27, eerste lid, van de Wpg, een belangenafweging ten grondslag moet liggen. De toepassing van de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de Wpg 8. Eiser betoogt dat de minister de toepassing van de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 27, eerste lid, onder b en e, van de Wpg onvoldoende heeft gemotiveerd. 8.1. Het betoog van eiser slaagt niet voor wat betreft de acht registraties waarvan de minister inzage volledig heeft geweigerd. Na kennis te hebben genomen van de stukken en de motivering van de weigering, die beiden onder geheimhouding zijn verstrekt, is de rechtbank van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 27, eerste lid, onder b en e, van de Wpg in dit geval van toepassing zijn. De minister heeft in het verweerschrift terecht volstaan met een beperkte motivering, omdat anders alsnog informatie bekend wordt die het doel van de weigering zou ondermijnen. In zoverre heeft de minister het motiveringsgebrek voldoende hersteld. 8.2. Het betoog van eiser slaagt wel voor wat betreft de twee registraties waarin de minister inzage gedeeltelijk heeft geweigerd. De rechtbank stelt voorop dat artikel 25 van de Wpg niet verplicht niet tot het (al dan niet gelakt) afgeven van kopieën of afschriften van stukken. Dit betekent dat de minister kan volstaan met een