Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2026-01-13
ECLI:NL:RBGEL:2026:215
RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 23/1478 uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen [eiser], uit [plaats], eiser (gemachtigde: mr. S. Sabir), en de korpschef van politie (gemachtigden: A. Krommendijk en P. Pasteuning). Samenvatting en leeswijzer 1. Deze uitspraak gaat over de gedeeltelijke afwijzing van het verzoek van eiser om inzage in en informatie over de verwerking van zijn persoonsgegevens door de korpschef op grond van de Wet Politiegegevens (Wpg). Eiser is het niet eens met deze gedeeltelijke afwijzing en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de gedeeltelijke afwijzing. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 26 januari 2023, niet-ontvankelijk is. Het beroep, voor zover gericht tegen de besluiten van 24 april 2023 en 6 juni 2024, is gegrond, omdat deze besluiten op het verzoek van eiser een motiveringsgebrek kennen. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van de besluiten in stand te laten. De korpschef heeft het motiveringsgebrek in beroep namelijk niet volledig hersteld. Ook heeft de korpschef geen duidelijkheid gegeven over de – door eiser gemotiveerd betwiste – juistheid van de in het besluit van 24 april 2023 verstrekte informatie dat geen persoonsgegevens van eiser zijn gedeeld met andere instanties/derden. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.2. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 en 4 staat waar deze zaak over gaat en hoe de besluitvorming tot stand is gekomen. Vervolgens beoordeelt de rechtbank onder 5 het beroep tegen het besluit van 26 januari 2023. Vanaf 6 beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de besluiten van 24 april 2023 en 6 juni 2024. De rechtbank beantwoordt eerst de vraag of het beroep gegrond is en beoordeelt vervolgens of er aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen in stand te laten. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. Procesverloop 2. Met het besluit van 26 januari 2023 heeft de politiechef van de landelijke eenheid, namens de korpschef, het verzoek van eiser om inzage in en informatie over de verwerking van zijn persoonsgegevens afgewezen. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit. 2.2. Op 24 april 2023 heeft de politiechef van de eenheid Oost-Nederland, namens de korpschef, een nieuw besluit genomen. Met dit besluit heeft de korpschef het verzoek van eiser gedeeltelijk toegewezen en gedeeltelijk afgewezen. Vervolgens heeft de korpschef op 26 mei 2023 het besluit van 26 januari 2023 ingetrokken. 2.3. De korpschef heeft op 21 maart 2024 op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.4. Op 6 juni 2024 heeft de korpschef een aanvullend besluit genomen. 2.5. De korpschef heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd. De stukken staan gedeeltelijk op een usb-stick. Verder heeft de korpschef op 15 april 2025 een schriftelijk stuk (een nadere motivering) overgelegd. Ten aanzien van de stukken op de usb-stick – waarvan inzage aan eiser (gedeeltelijk) is geweigerd – en de nadere motivering heeft de korpschef op grond van artikel 8:29 van de Awb meegedeeld dat uitsluitend de rechtbank daarvan kennis mag nemen. Eiser heeft de rechtbank toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb gegeven. 2.6. Op 3 november 2025 heeft de korpschef een aanvullend verweerschrift ingediend. 2.7. De rechtbank heeft het beroep, gelijktijdig met een ander beroep van eiser , op 18 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van de korpschef. Totstandkoming van de besluitvorming Het verzoek 3. Eiser heeft op 12 januari 2023 op grond van artikel 25 van de Wpg de korpschef verzocht om inzage in en informatie over de verwerking van zijn persoonsgegevens. De aanleiding voor dit verzoek is dat eiser Vervolgens stelt de rechtbank vast dat de korpschef de besluiten van 24 april 2023 en 6 juni 2024 aanvullend heeft gemotiveerd in het verweerschrift van 3 november 2025 en nader heeft toegelicht op de zitting . Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de motivering in de bestreden besluiten onvoldoende was. Dit betekent dat sprake is van een motiveringsgebrek in de besluiten van 24 april 2023 en 6 juni 2024. 6.2. Gelet op het voorgaande is het beroep, voor zover gericht tegen de besluiten van 24 april 2023 en 6 juni 2024, gegrond. De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten. De rechtbank beoordeelt hierna of zij aanleiding ziet om te bepalen dat de rechtsgevolgen van de vernietigde bestreden besluiten in stand blijven. Bestaat er aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten? 7. De rechtbank beoordeelt of de korpschef het motiveringsgebrek in beroep heeft hersteld en het inzage- en informatieverzoek van eiser terecht gedeeltelijk heeft afgewezen. Het beoordelingskader 8. In artikel 1, aanhef en onder a, van de Wpg is bepaald dat politiegegevens persoonsgegevens zijn die worden verwerkt in het kader van de uitvoering van de politietaak. In artikel 1, aanhef en onder f, van de Wpg is bepaald dat bij de politie de korpschef de verwerkingsverantwoordelijke is. 8.1. Op grond van artikel 25, eerste lid, van de Wpg heeft de betrokkene het recht om op een schriftelijk verzoek uitsluitsel te verkrijgen over de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om die persoonsgegevens in te zien en om informatie te verkrijgen over: de doelen en de rechtsgrond van de verwerking; de betrokken categorieën van politiegegevens; de vraag of de deze persoon betreffende politiegegevens gedurende een periode van vier jaar voorafgaande aan het verzoek zijn verstrekt en over de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de gegevens zijn verstrekt, met name ontvangers in derde landen of internationale organisaties; e voorziene periode van opslag of indien dat niet mogelijk is, de criteria om die termijn te bepalen; het recht te verzoeken om rectificatie, vernietiging of afscherming van de verwerking van hem betreffende politiegegevens; het recht een klacht in te dienen bij de Autoriteit Persoonsgegevens, en de contactgegevens van die autoriteit; de herkomst, voor zover beschikbaar, van de verwerking van hem betreffende politiegegevens. 8.1.1. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 25 van de Wpg blijkt dat mede met het oog op het recht op eerbiediging van het privéleven uit artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in de Wpg een recht op kennisneming is opgenomen. Het recht op kennisneming is echter geen absoluut recht. 8.2. In artikel 27, eerste lid van de Wpg is bepaald dat een verzoek als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de Wpg wordt afgewezen voor zover dit een noodzakelijke en evenredige maatregel is: ter vermijding van belemmering van de gerechtelijke onderzoeken of procedures; ter vermijding van nadelige gevolgen voor de voorkoming, de opsporing, het onderzoek en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen; ter bescherming van de openbare veiligheid; ter bescherming van de rechten en vrijheden van derden; ter bescherming van de nationale veiligheid. In het tweede lid van dit artikel staat dat een gehele of gedeeltelijke afwijzing van een verzoek als bedoeld in het eerste lid schriftelijk is en de redenen voor de afwijzing bevat. 8.2.1. Uit de memorie van toelichting bij de wijziging van de Wpg volgt dat aan een weigering op grond van artikel 27, eerste lid, van de Wpg, een belangenafweging ten grondslag moet liggen. De toepassing van de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de Wpg 9. Eiser betoogt dat de korpschef de toepassing van de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 27, eerste lid, onder b en e, van de Wpg onvoldoende heeft gemotiveerd. De motivering bestaat Daarmee is ook voor de rechtbank niet inzichtelijk waarom de korpschef de belangen om het opsporingsonderzoek en de nationale veiligheid te beschermen in dit geval zwaarder heeft laten wegen dan de belangen van eiser om inzage te krijgen in de betreffende politiegegevens. De korpschef heeft het motiveringsgebrek dus niet hersteld. Daarom moet hij een nieuw besluit nemen, waarin hij kenbaar maakt dat en hoe hij de belangen van eiser meeweegt. Zoals volgt uit wat hiervoor is overwogen, kan de korpschef in dat besluit volstaan met een beperkte motivering mits hij, bij een eventuele nieuwe beroepsprocedure, onder geheimhouding een aanvullende motivering aan de rechtbank verstrekt. Het antwoord op de vraag of persoonsgegevens zijn gedeeld met andere instanties/derden 11. Eiser betoogt dat de korpschef een onjuist antwoord heeft gegeven op de vraag of persoonsgegevens van eiser zijn gedeeld met andere instanties/derden. De korpschef heeft namelijk geantwoord dat dit niet het geval is. Uit door de NCTV aan eiser verstrekte informatie blijkt echter dat de korpschef een e-mail aan de NCTV heeft verstuurd waarin persoonsgegevens van eiser staan vermeld. 11.1. De korpschef heeft op de zitting geen informatie over deze e-mail kunnen verstrekken, anders dan dat inzage in deze e-mail mogelijk is geweigerd met toepassing van een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de Wpg. De rechtbank heeft in de geheime stukken geen e-mail van de korpschef aan de NCTV aangetroffen en kan dit dus niet controleren. Bovendien zou in dat geval het antwoord op de vraag of persoonsgegevens van eiser zijn gedeeld niet ontkennend mogen worden beantwoord, zoals nu is gedaan. Uit het voorgaande volgt dat eiser niet alleen aannemelijk heeft gemaakt dat mogelijk meer persoonsgegevens van hem zijn verwerkt dan uit de besluiten volgt, maar dat zijn gegevens mogelijk ook met derden zijn gedeeld. Dit betekent dat twijfel bestaat over de juistheid van het antwoord op de onder 3.1 onder 7 genoemde vraag. De korpschef zal in het nieuw te nemen besluit deze vraag opnieuw moeten beantwoorden. Als het antwoord blijft dat geen gegevens zijn gedeeld, moet de korpschef de uitgevoerde zoekslag toelichten. Als de korpschef geen antwoord wenst te geven op de vraag, dan wel geen inzage wenst te verlenen in de e-mail, omdat sprake is van één of meerdere weigeringsgronden als bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de Wpg, moet hij dit in het besluit motiveren. Als de korpschef meent dat die motivering naar zijn aard beperkt moet zijn, zal hij bij een eventuele nieuwe beroepsprocedure onder geheimhouding een aanvullende motivering aan de rechtbank moeten verstrekken. Conclusie en gevolgen 12. Het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 26 januari 2023, is niet-ontvankelijk. Het beroep, voor zover gericht tegen de besluiten van 24 april 2023 en 6 juni 2024 is gegrond, omdat deze besluiten een motiveringsgebrek kennen. De rechtbank vernietigt daarom deze besluiten wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb. 12.1. Gelet op wat is overwogen onder 10 en 11 is de rechtbank van oordeel dat de korpschef het motiveringsgebrek voor wat betreft de belangenafweging niet heeft hersteld en geen duidelijkheid heeft gegeven over de juistheid van de in het besluit van 24 april 2023 verstrekte informatie dat geen persoonsgegevens van eiser zijn gedeeld met andere instanties/derden. Er is daarom geen aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van de vernietigde bestreden besluiten van 23 april 2023 en 6 juni 2024 in stand kunnen blijven. 12.2. De rechtbank bepaalt dat de korpschef opnieuw moet beslissen op het verzoek van eiser met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de korpschef daarvoor acht weken. 12.3. Omdat het beroep, voor zover gericht tegen de besluiten van 24 april 2023 en 6 juni 2024, gegrond is, bestaat aanleiding om de korpschef te veroordelen in de proceskosten die eiser heeft gemaakt. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit pro