Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2026-03-17
ECLI:NL:RBGEL:2026:2115
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,003 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:2115 text/xml public 2026-03-20T17:00:18 2026-03-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-03-17 AWB 25/1714 TUS Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2115 text/html public 2026-03-20T13:21:07 2026-03-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:2115 Rechtbank Gelderland , 17-03-2026 / AWB 25/1714 TUS Tussenuitspraak. Intrekking jachtakte en weigering omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit in verband met een veroordeling in Duitsland voor het uitoefenen van dwang. De intrekking en weigering zijn gebaseerd op artikel 8.104, eerste lid, aanhef en onder d, en artikel 8.74t, tweede lid, onder e, van het Bkl. Deze artikelen kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet aan de besluitvorming ten grondslag gelegd worden omdat niet bepaald is dat een buitenlandse veroordeling gelijk moet worden gesteld met een veroordeling in Nederland. Dat is anders indien vrees voor misbruik bestaat. In die situatie kan op grond van de Cwm 2019 een buitenlandse veroordeling wel gelijk worden gesteld aan een veroordeling in Nederland. Indien de minister het primaire besluit en het besluit op het administratief beroep in stand had willen laten op de grond “vrees voor misbruik” is dit onvoldoende duidelijk en onvoldoende gemotiveerd. Voor zover de minister tijdens de zitting heeft verklaard dat in het geval van eiser een terugkijktermijn zou gelden van vier jaar is dit niet opgenomen in de besluitvorming. Eisers beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Er is geen sprake van een toezegging dat de omgevingsvergunning wel verleend zou worden. De rechtbank heeft de minister in de tussenuitspraak in de gelegenheid gesteld om de vastgestelde gebreken te herstellen. RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 25/1714 tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen [eiser], uit [plaats], eiser (gemachtigde: mr. M.J.J.E. Stassen), en de minister van Justitie en Veiligheid (gemachtigde: mr. I.M. Touwen). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: De Korpschef. Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van de jachtakte van eiser en de weigering om een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit aan eiser te verlenen. Eiser is het hier niet mee eens en voert hiertoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de intrekking van de jachtakte en de weigering van de omgevingsvergunning. 1.1. De rechtbank komt in deze tussenuitspraak tot het oordeel dat de minister de beslissing op het administratief beroep onvoldoende heeft gemotiveerd. De rechtbank doet een tussenuitspraak om de minister in de gelegenheid te stellen om het gebrek te herstellen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt. Procesverloop 2. Op 15 maart 2024 heeft de korpschef de jachtakte van eiser ingetrokken. Ook heeft de korpschef geweigerd een omgevingsvergunning te verlenen voor een jachtgeweeractiviteit. 2.1. Met de beslissing van 14 maart 2025 op het administratief beroep van eiser is de minister bij dat besluit gebleven. 2.2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op het administratief beroep. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 27 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 3. Aan eiser is op 1 april 2023 een jachtakte verleend. Deze jachtakte was geldig tot 31 maart 2024. Eiser heeft op 22 januari 2024 een aanvraag gedaan om de in 2023 verleende jachtakte te verlengen met een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit op grond van de Omgevingswet. 3.1. De korpschef heeft bij de beoordeling van de aanvraag vastgesteld dat in het justitiële documentatie systeem onder parketnummer van Centrale autoriteit, Bondsrepubliek Duitsland [parketnummer] staat dat eiser op 23 januari 2023 is veroordeeld voor het uitoefenen van dwang. Eiser heeft daarvoor een geldboete gekregen van € 1.200 met een proeftijd van 1 jaar. 3.2. Eiser heeft, nadat aan hem mondeling te kennen is gegeven dat zijn jachtakte zou worden ingetrokken en zijn aanvraag geweigerd zou worden, op 24 februari 2024 alle papieren overhandigd en zijn schriftelijke zienswijze gegeven ten aanzien van de voorgenomen intrekking en weigering. 3.3. In het besluit van 15 maart 2024 heeft de korpschef de jachtakte van eiser ingetrokken en geweigerd een omgevingsvergunning te verlenen voor een jachtgeweeractiviteit , vanwege de Duitse strafrechtelijke veroordeling. 3.4. Eiser heeft administratief beroep ingesteld tegen het besluit van de korpschef. In de beslissing van 14 maart 2025 op het administratief beroep heeft de minister de beslissing van de korpschef gehandhaafd. Procesbelang 4. De rechtbank stelt vast dat de ingetrokken jachtakte geldig was tot 31 maart 2024 en de te verlenen omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit zou verlopen op 31 maart 2025. Dat betekent dat eiser met deze procedure niet meer kan bereiken dat de ingetrokken jachtakte of de aangevraagde omgevingsvergunning alsnog gaan gelden. 4.1. Uit de gedingstukken blijkt dat eiser elk jaar een nieuwe jachtakte/ omgevingsvergunning aanvraagt. De uitkomst van deze procedure kan daarom relevant zijn voor toekomstige besluiten. Gelet hierop heeft eiser nog steeds procesbelang bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Toetsingskader 4. Op grond van artikel 5.39 aanhef onder a Omgevingswet (Ow) trekt de korpschef een jachtakte in in gevallen of op gronden die bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald. Artikel 8.104, eerste lid, aanhef en onder d, Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bepaalt vervolgens in welke gevallen de korpschef de jachtakte in ieder geval intrekt. Het bevoegd gezag voor een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit trekt die omgevingsvergunning volgens dit artikel in ieder geval in, als na de verlening van de omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit de houder onherroepelijk is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf als onder meer omschreven in artikel 284 van het Wetboek van Strafrecht. 4.1. Op grond van artikel 5.9a van het Bkl beslist de korpschef op de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit. In artikel 8.74t, eerste lid van het Bkl staan de voorwaarden voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit. Artikel 8.74t, tweede lid, onder e van het Bkl bepaalt dat een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit, ondanks voldoening aan de eisen, bedoeld in het eerste lid, wordt geweigerd, als de aanvrager in de acht jaar voorafgaand aan de beslissing op de aanvraag bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf als onder meer omschreven in artikel 284 van het Wetboek van Strafrecht. Is de jachtakte terecht ingetrokken en de omgevingsvergunning terecht geweigerd? 5. Eiser betoogt dat ten onrechte de jachtakte is ingetrokken en de omgevingsvergunning is geweigerd. Eiser voert aan dat het Duitse artikel niet genoemd wordt in artikel 8.74t, tweede lid, onder e en artikel 8.104, eerste lid, aanhef en onder d, van het Bkl. Volgens eiser kan de veroordeling in Duitsland dus geen reden zijn om in te trekken of te weigeren op grond van deze artikelen. 5.1. De minister verwijst (in navolging van de korpschef) naar paragraaf 1.2. van het Bijzonder Deel (B) van de Circulaire wapens en munitie 2019 (Cwm 2019), waar staat dat een veroordeling in het buitenland, wegens overtreding van een aldaar geldende strafbepaling, wordt gelijkgesteld met een veroordeling in Nederland voor zover het feit ook in Nederland strafbaar is gesteld. 5.2. De beroepsgrond slaagt.
Volledig
In artikel 8.104, eerste lid, aanhef en onder d (bevoegdheid tot intrekking), en artikel 8.74t, tweede lid, onder e (bevoegdheid tot weigering), van het Bkl is niet bepaald dat een buitenlandse veroordeling gelijk wordt gesteld met een veroordeling in Nederland, voor zover het feit ook in Nederland strafbaar is gesteld. De tekst van deze artikelen biedt ook geen aanknopingspunten voor deze ruime uitleg, aangezien expliciet wordt verwezen naar de Nederlandse artikelen. De door de minister aangehaalde passage in de Cwm 2019, maakt dat niet anders. Deze passage ziet namelijk specifiek op de toepassing van de bevoegdheid tot intrekking en weigering vanwege de ‘vrees voor misbruik’. 5.3 Voor zover de minister zich op het standpunt stelt dat ook de vrees voor misbruik ten grondslag kan worden gelegd aan intrekking van de jachtakte en de weigering van de vergunning , stelt de rechtbank vast dat de besluitvorming daar niet op is gebaseerd. Het primaire besluit, waarbij de jachtakte is ingetrokken en de nieuwe vergunning is geweigerd, is namelijk uitsluitend gebaseerd op artikel 8.104, eerste lid, aanhef en onder d (bevoegdheid tot intrekking), respectievelijk artikel 8.74t, tweede lid, onder e (bevoegdheid tot weigering), van het Bkl. Weliswaar heeft de korpschef in het verweerschrift hangende het administratieve beroep betwijfeld of een veroordeling in Duitsland bij de toepassing van deze artikelen aanleiding kan geven voor de intrekking en de weigering en is deze daarbij ook ingegaan op de vrees voor misbruik, maar de grondslag van het primaire besluit is hangende het administratief beroep niet aangepast. De minister heeft de grondslag vervolgens ook niet (in elk geval niet expliciet) aangepast in het besluit op het administratief beroep. Ook is de minister daarin ingegaan op (het kader met betrekking tot) de vrees voor misbruik, maar onvoldoende duidelijk is dat het besluit op het administratief beroep daar uiteindelijk mede op is gebaseerd. Ook tijdens de zitting is dit standpunt niet ingenomen. 5.3.1. Daarnaast heeft de gemachtigde van de minister tijdens de zitting verklaard dat in het besluit op het administratief beroep gewicht is toegekend aan het feit dat voor toekomstige aanvragen van eiser een terugkijktermijn zal worden gehanteerd van vier jaar (en niet van acht jaar, zoals de korpschef zou willen doen). Deze termijnen hebben betrekking op het kader dat van toepassing is op de beoordeling van de vrees voor misbruik. Dit zou betekenen dat de veroordeling in Duitsland bij een nieuwe aanvraag eiser niet langer zou worden tegengeworpen als op het moment van de nieuwe aanvraag inmiddels vier jaar zijn verstreken sinds die veroordeling. Ook dit standpunt kan de rechtbank niet plaatsen. Ten eerste is de genoemde termijn van vier jaar in het besluit op het administratief beroep alleen opgenomen onder het kopje “Wettelijk kader” en niet bij de beoordeling van het administratieve beroep. Hierdoor is onduidelijk welke betekenis daaraan is toegekend bij de beoordeling van het besluit van de korpschef door de minister. Daarnaast geldt dat überhaupt de vraag is wat de betekenis is van dit standpunt van de minister, aangezien de korpschef degene is die in eerste instantie zal moeten beslissen over een nieuwe aanvraag. Uit het besluit op het administratief beroep en dat wat op zitting naar voren is gebracht blijkt dan ook onvoldoende hoe de minister dit heeft willen betrekken bij de beoordeling van het besluit van de korpschef om de jachtakte van eiser in trekken en een nieuwe vergunning te weigeren. Het besluit is in zoverre ook onvoldoende gemotiveerd. Beroep vertrouwensbeginsel 7. Eiser voert aan dat hij lang op de beslissing heeft moeten wachten en de indruk heeft gekregen dat er positief op zijn administratief beroep beslist zou worden. Volgens eiser is het vertrouwen gewekt dat hij zijn jachtakte zou krijgen. Hij wijst daarbij op het bericht dat hij op 2 november 2024 heeft gekregen van een medewerker van het ministerie, waarin staat dat nog geen beslisdatum kan worden vastgesteld. Daarin staat dat dit “ te maken [heeft] met mogelijke gunstige aspecten in de zaak” die eerst intern moeten worden besproken. Ook heeft eiser op 21 november 2024 nog een bericht ontvangen, waarin staat dat men voornemens is een positief besluit op te stellen. Het besluit op het administratief beroep is daarom volgens eiser ook niet evenredig en onvoldoende gemotiveerd. 7.1. De beroepsgrond slaagt niet. Tijdens de zitting bij de rechtbank heeft de minister toegelicht dat de procedure uitgebreid is besproken en afgewogen en dat uiteindelijk is geconcludeerd dat de jachtakte terecht is ingetrokken en de omgevingsvergunning terecht is geweigerd. De aangehaalde zinsnede kan niet worden aangemerkt als een toezegging. Met de toelichting dat er mogelijk gunstige aspecten zijn die eerst intern moeten worden besproken, is juist uitdrukkelijk een voorbehoud gemaakt. Dit geldt ook voor zover het voornemen is geuit om een positief besluit te nemen. Daarbij is overwogen dat de minister nog akkoord moet geven en het uiteindelijk afhangt van de minister. Dat wat eiser heeft aangevoerd maakt ook niet dat het besluit op het administratief beroep niet evenredig is. Dat bepaalde omstandigheden in het uiteindelijke besluit anders zijn gewogen maakt verder op zichzelf ook niet dat het besluit op het administratief beroep om die reden onvoldoende is gemotiveerd. Conclusie en gevolgen 5. Zoals hiervoor is geoordeeld heeft de korpschef de intrekking en de weigering niet kunnen baseren op artikel 8.74t, tweede lid, onder e en artikel 8.104, eerste lid, aanhef en onder d, van het Bkl. Indien de minister het primaire besluit en het besluit op het administratief beroep in stand had willen laten op de grond “vrees voor misbruik” is dit onvoldoende duidelijk en onvoldoende gemotiveerd. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. 5.1. De rechtbank ziet aanleiding om de minister in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen met inachtneming van deze tussenuitspraak. Dat herstellen kan met een wijziging van de, dan wel nieuwe beslissing op het administratieve beroep. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen de minister de gebreken kan herstellen op acht weken na verzending van deze tussenuitspraak. 5.2. De minister moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of het gebruikmaakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen. Als de minister gebruikmaakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van de minister. 5.3. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. 5.4. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt. Beslissing De rechtbank: heropent het onderzoek; draagt de minister op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of het gebruikmaakt van de gelegenheid om het gebrek te herstellen; stelt de minister in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak; stelt eiser in de gelegenheid binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van de minister als hij gebruikmaakt van deze mogelijkheid; houdt iedere verdere beslissing aan. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H. Dijkman, griffier.