Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2026-03-18
ECLI:NL:RBGEL:2026:2097
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Proces-verbaal
1,482 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBGEL:2026:2097 text/xml public 2026-03-24T17:00:17 2026-03-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-03-18 AWB – 25 _ 1863 Uitspraak Proces-verbaal NL Arnhem Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2097 text/html public 2026-03-20T13:30:29 2026-03-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:2097 Rechtbank Gelderland , 18-03-2026 / AWB – 25 _ 1863 Geweigerde omgevingsvergunning om een bedrijfswoning als burgerwoning te mogen gebruiken. Niet in geschil is dat dit gebruik in strijd is met de beheersverordening en dat de beheersverordening geen binnenplanse afwijkingsmogelijkheid bevat. Het college wil niet met een buitenplanse omgevingsplanactiviteit afwijken omdat geen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Eisers voeren aan dat het college ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan de artikelen 5.62, 5.85, 5.89e en 5.96 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze artikelen zijn echter instructieregels voor de planwetgever. Men kan zich niet beroepen op deze instructieregels zonder dat deze aanwijzingen zijn overgenomen in het omgevingsplan. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Uit de reactie op raadsvragen uit 2011 blijkt niet dat als een omgevingsvergunning voor de ontstane situatie zou worden aangevraagd het college deze omgevingsvergunning ook zou verlenen. RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 25/1863 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 maart 2026 in de zaak tussen [eiser] en [eiseres], uit [plaats], eisers (gemachtigde: J. van den Berg, Msc), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente West Betuwe (gemachtigde: mr. S.M.J. Thijssen). Procesverloop 1. Eiser [eiser] heeft een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning om de bedrijfswoning [locatie] te [plaats] te mogen bewonen als burgerwoning. Het college heeft deze aanvraag in het besluit van 8 november 2024 afgewezen. In de beslissing op bezwaar van 11 maart 2025 is de weigering in stand gebleven. 1.1. Eisers hebben beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. 1.2. De rechtbank heeft het beroep op 10 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers en hun gemachtigde en de gemachtigde van het college. 1.3. Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk ter zitting mondeling uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zijn krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten. Overwegingen 2. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering. 2.1. Eisers hebben de bedrijfswoning aan de [locatie] in [plaats] gekocht en hebben een omgevingsvergunning aangevraagd om de bedrijfswoning als burgerwoning te mogen gebruiken. Niet in geschil is dat dit gebruik in strijd is met de beheersverordening “Bedrijventerrein [naam bedrijventerrein]”. De beheersverordening bevat geen binnenplanse afwijkingsmogelijkheid. Daarom heeft het college overwogen of met een zogenaamde buitenplanse omgevingsplanactiviteit kan worden afgeweken van de Beheersverordening. Het college is tot de conclusie gekomen dat er geen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Eisers zijn het niet eens met de weigering en voert aan dat het college ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan de artikelen 5.62, 5.85, 5.89e en 5.96 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze artikelen zijn echter instructieregels voor de planwetgever, de ontwerper van het omgevingsplan, bij het opstellen of wijzigen van een omgevingsplan. Men kan zich niet beroepen op deze instructieregels zonder dat deze aanwijzingen zijn overgenomen in het omgevingsplan. Daarom slaagt deze beroepsgrond niet. Eisers beroepen zich daarnaast op het vertrouwensbeginsel. Eisers hebben raadsvragen en de reactie daarop van het toenmalige college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lingewaal uit 2011 overgelegd met betrekking tot de burgerbewoning van de bedrijfswoning aan de [locatie] te [plaats]. De inhoud van de beantwoording van de raadsvragen is niet voldoende voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel. Er wordt weliswaar bevestigd dat de bedrijfswoning wordt gebruikt als burgerwoning en dat daartegen niet handhavend zal worden getreden maar er wordt ook aangegeven dat deze zaak zal worden meegenomen in het op korte termijn te starten proces van de visievorming van bedrijventerrein “[naam bedrijventerrein]”. Daarmee is niet gezegd dat als een omgevingsvergunning voor de ontstane situatie zou worden aangevraagd het college deze omgevingsvergunning ook zou verlenen. Vervolgens is er in de beheersverordening, die is vastgesteld op 21 mei 2015, ook niet voor gekozen om dit gebruik toe te staan. Dat betekent dat die beroepsgrond niet slaagt. Het voorgaande betekent dat het college de gevraagde omgevingsvergunning heeft kunnen weigeren. Het beroep is daarom ongegrond. Deze mondelinge uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2026 door mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H. Dijkman, griffier. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.