Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2026-03-18
ECLI:NL:RBGEL:2026:2056
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
6,087 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:2056 text/xml public 2026-03-31T15:03:38 2026-03-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-03-18 C/05/451741 / HA ZA 25-207 Uitspraak Bodemzaak NL Arnhem Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2056 text/html public 2026-03-31T15:03:24 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:2056 Rechtbank Gelderland , 18-03-2026 / C/05/451741 / HA ZA 25-207 Burenzaak. Geschil erfgrens. Bevrijdende verjaring. Bewijsopdracht bezit. RECHTBANK Gelderland Civiel recht Zittingsplaats Arnhem Zaaknummer: C/05/451741 / HA ZA 25-207 Vonnis van 18 maart 2026 in de zaak van 1 [naam eiser in conventie 1] , wonende te [woonplaats] , 2. [naam eiser in conventie 2] , wonende te [woonplaats] (België), eisende partijen in conventie, verwerende partijen in reconventie, hierna samen te noemen: [eisers in conventie] ., advocaat: mr. J. Zeegers, tegen [naam gedaagde in conventie] , wonende te [woonplaats] , gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen: [gedaagde in conventie] , advocaat: mr. R. Teerink. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 17 september 2025; - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 27 januari 2026. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. [eisers in conventie] . zijn eigenaar van het perceel [nummer] aan [adres 1] . [gedaagde in conventie] is eigenaar van de percelen [nummer] en [nummer] aan [adres 2] . De percelen grenzen aan elkaar. 2.2. [eisers in conventie] . hebben perceel [nummer] op 16 oktober 2017 in eigendom verkregen van de heer [eigenaar 4] (hierna: ‘ [eigenaar 4] ’). [eigenaar 4] heeft op 2 april 2001 het perceel in eigendom verkregen van de stichting naar Duits recht De Hoppen-Almosen-Stiftung. [eigenaar 4] heeft op 10 mei 1996 het recht van erfpacht en opstal ten behoeve van het perceel verkregen van mevrouw [eigenaar 3] (hierna: ‘ [eigenaar 3] ’). [eigenaar 3] heeft op 1 augustus 1991 het recht van erfpacht ten behoeve van het perceel verkregen van de heer [eigenaar 2] (hierna: ‘ [eigenaar 2] ’). De heer [eigenaar 1] heeft op 1 november 1972 het recht van erfpacht ten behoeve van het perceel verkregen. 2.3. [gedaagde in conventie] heeft perceel [nummer] op 16 november 2017 in eigendom verkregen van de heer [eigenaar 2] (hierna ‘ [eigenaar 2] ’). [eigenaar 2] heeft op 27 oktober 1995 het perceel in eigendom verkregen van mevrouw [eigenaar 1] (hierna: ‘ [eigenaar 1] ’). [eigenaar 1] heeft op 7 november 1979 het perceel in eigendom verkregen. 2.4. [gedaagde in conventie] heeft perceel [nummer] op 31 augustus 2021 in eigendom verkregen van de heer [eigenaar 3] (hierna: ‘ [eigenaar 3] ’). [eigenaar 3] heeft op 29 december 2008 het perceel in eigendom verkregen van de heer [eigenaar 2] . De heer [eigenaar 2] heeft op 29 december 1983 het perceel in eigendom verkregen [eigenaar 1] . 2.5. Begin jaren tachtig van de vorige eeuw is een sloot uitgegraven ter hoogte van de kadastrale grens tussen perceel [nummer] en de percelen [nummer] en [nummer] . In die periode is aan de ene zijde van de sloot op het perceel [nummer] een ijzeren hekwerk geplaatst. Aan de andere zijde van de sloot op het perceel [nummer] is een gaaswerk met houten palen geplaatst. 2.6. [eisers in conventie] . hebben op 12 juni 2023 door het Kadaster een grensreconstructie laten uitvoeren. In het Relaas van bevindingen is de kadastrale grens als een rechte lijn tussen het perceel [nummer] en de percelen [nummer] en [nummer] weergegeven. De situatie ter plaatse is schematisch weergegeven op de hieronder opgenomen kadastrale kaart van 12 juni 2023 (productie 1 bij de dagvaarding). De strook grond is geel omlijnd. [ Afbeelding verwijderd ter anonimisatie.] 2.7. Tussen partijen is in geschil wie eigenaar is van een strook grond tussen de kadastrale grens en het hekwerk van [eisers in conventie] . op het perceel [nummer] (hierna: de ‘strook grond’). 2.8. Vanaf medio 2022 tot en met begin 2024 hebben partijen met elkaar gecorrespondeerd over wie eigenaar is van de strook grond. Dat heeft echter niet tot een oplossing geleid. 3 Het geschil in conventie 3.1. [eisers in conventie] . vorderen - samengevat – dat de rechtbank bij vonnis: voor recht verklaart dat [gedaagde in conventie] de strook grond zonder recht of titel gebruikt; [gedaagde in conventie] veroordeelt om binnen veertien dagen na dit vonnis de gehele strook grond te ontruimen en ontruimd te houden, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag met een maximum van € 50.000,00; [gedaagde in conventie] veroordeelt om mee te werken aan het herstel van de sloot conform de offerte (productie 11 bij de dagvaarding) en [gedaagde in conventie] veroordeelt om de helft van de gemaakte kosten aan [eisers in conventie] . te voldoen; [gedaagde in conventie] veroordeelt om aan [eisers in conventie] . een bedrag te voldoen van € 10.923,18 te vermeerderen met de wettelijke rente, zijnde de schade voor de onrechtmatig gekapte zilverpopulieren; [gedaagde in conventie] veroordeelt om aan [eisers in conventie] . een bedrag te voldoen van € 920,00 te vermeerderen met de wettelijke rente, zijnde de door hen gemaakte kadasterkosten voor de grensreconstructie; [gedaagde in conventie] veroordeelt om de overhangende beplanting van zijn percelen [nummer] en [nummer] over de erfgrens met perceel [nummer] te verwijderen binnen veertien dagen na dit vonnis en deze beplanting jaarlijks terug te snoeien in de periode van december tot maart, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag met een maximum van € 10.000,00; [gedaagde in conventie] veroordeelt in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.2. [eisers in conventie] . leggen aan de vorderingen het volgende ten grondslag. [eisers in conventie] . stellen dat zij eigenaar zijn van de strook grond. [gedaagde in conventie] gebruikt de strook grond zonder recht of titel en maakt hiermee inbreuk op het eigendomsrecht van [eisers in conventie] . [gedaagde in conventie] heeft het hekwerk aan zijn kant van de sloot verwijderd en diverse begroeiing op de strook grond verwijderd. Daarnaast heeft [gedaagde in conventie] een takkenril op de strook grond gerealiseerd. De erfafscheiding (betonnen schutting) van [gedaagde in conventie] helt over op de strook grond en [gedaagde in conventie] heeft stutpalen op de strook grond geplaatst. Ook heeft [gedaagde in conventie] onrechtmatig de sloot gedempt door daarin tuinafval te storten. De sloot moet worden hersteld, omdat deze noodzakelijk is voor de afwatering vanaf de percelen en voor opslag van overtollig water, zoals door het Waterschap Rijn en IJssel is bevestigd. Op grond van artikel 5:59 BW bestaat er een gezamenlijke verplichting voor [eisers in conventie] . en [gedaagde in conventie] om de sloot, in het midden waarvan de kadastrale grens loopt, te onderhouden en te herstellen. Daarnaast heeft [gedaagde in conventie] onrechtmatig twee zilverpopulieren verwijderd die op de strook grond stonden. [gedaagde in conventie] is gehouden de hierdoor door [eisers in conventie] . geleden schade te vergoeden, bestaande uit € 10.923,18 om twee soortgelijke bomen met gelijke omvang te planten. Ook is er sprake van een onrechtmatige permanente inbreuk op het eigendomsrecht door de overhangende beplanting vanaf de percelen van [gedaagde in conventie] over de erfgrens op het perceel van [eisers in conventie] . Tevens heeft [eisers in conventie] . kosten moeten maken om de grensreconstructie te laten uitvoeren, omdat [gedaagde in conventie] de erfgrens niet respecteerde. 3.3. [gedaagde in conventie] voert verweer. [gedaagde in conventie] stelt dat hij de strook grond door bevrijdende verjaring in eigendom heeft verkregen. De strook grond is langer dan twintig jaar in bezit van [gedaagde in conventie] en zijn rechtsvoorgangers. De vorderingen van [eisers in conventie] . liggen daarom voor afwijzing gereed. Voor zover de strook grond niet in eigendom is van [gedaagde in conventie] , betwist [gedaagde in conventie] dat de betonnen schutting overhelt.
Volledig
Voor zover de schutting wel overhelt geldt, evenals als voor de stutpalen, dat door bevrijdende verjaring een recht van erfdienstbaarheid is ontstaan. Daarnaast betwist [gedaagde in conventie] dat hij tuinafval in de sloot heeft gedeponeerd. Ook betwist [gedaagde in conventie] dat hij gehouden is medewerking te verlenen aan het creëren van een sloot. [gedaagde in conventie] betwist dat hij twee zilverpopulieren heeft gekapt: hij heeft er één gekapt. Daarbij stelt [gedaagde in conventie] dat hij de zilverpopulier heeft gekapt wegens onrechtmatige hinder. [gedaagde in conventie] zal de overhangende beplanting verwijderen, zodra duidelijk is waar de erfgrens ligt. [gedaagde in conventie] acht een veroordeling tot verwijdering van overhangende beplanting dan ook onnodig. Aldus concludeert [gedaagde in conventie] tot afwijzing van de vorderingen van [eisers in conventie] . met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers in conventie] . in de kosten van deze procedure en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. in reconventie 3.5. [gedaagde in conventie] vordert - samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: 1. primair: voor recht verklaart dat de strook grond in eigendom toebehoort aan [gedaagde in conventie] en dat daarom de erfgrens tussen het perceel [nummer] van [eisers in conventie] . en de percelen [nummer] en 1807 van [gedaagde in conventie] direct naast het hekwerk van [eisers in conventie] . ligt, althans op een door de rechtbank in goede justitie te bepalen plaats; [eisers in conventie] . veroordeelt om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis ten overstaan van een door [gedaagde in conventie] aan te wijzen notaris medewerking te verlenen aan de notariële vastlegging van de verkrijgende verjaring, op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag, onder bepaling dat vonnis in de plaats treedt van de medewerking van [eisers in conventie] . indien [eisers in conventie] . binnen vier weken na betekening van dit vonnis hun medewerking niet hebben verleend; 2. subsidiair: voor recht verklaart dat ten behoeve van het perceel [nummer] van [gedaagde in conventie] en ten laste van het perceel [nummer] van [eisers in conventie] . door verjaring een recht van erfdienstbaarheid is ontstaan, welk recht inhoudt dat [eisers in conventie] .de aanwezigheid van de schutting met ondersteuning dienen te dulden, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen recht van erfdienstbaarheid; [eisers in conventie] . veroordeelt om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis ten overstaan van een door [gedaagde in conventie] aan te wijzen notaris medewerking te verlenen aan de notariële vastlegging van het ontstaan van het recht van erfdienstbaarheid door verjaring, op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag, onder bepaling dat het vonnis in de plaats treedt van de medewerking van [eisers in conventie] . indien zij binnen vier weken na betekening van dit vonnis hun medewerking niet hebben verleend; 3. voorwaardelijk: voor zover de rechtbank [gedaagde in conventie] veroordeelt tot verwijdering van overhangende beplanting: primair: [eisers in conventie] . op gelijke wijze veroordeelt als [gedaagde in conventie] tot verwijdering en het verwijderd houden van overhangende beplanting; subsidiair: [eisers in conventie] . veroordeelt om binnen veertien dagen na dit vonnis hun beplanting die over de grens met het erf van [gedaagde in conventie] hangt, te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag met een maximum van € 10.000,00; 4. [eisers in conventie] . veroordeelt in de kosten van deze procedure en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.6. [gedaagde in conventie] legt aan de vorderingen het volgende ten grondslag. [gedaagde in conventie] stelt primair dat hij de strook grond door bevrijdende verjaring in eigendom heeft verkregen. [gedaagde in conventie] stelt subsidiair dat door bevrijdende verjaring een recht van erfdienstbaarheid is ontstaan ten behoeve van de betonnen schutting met ondersteunende stutpalen. [gedaagde in conventie] stelt dat als de rechtbank [gedaagde in conventie] veroordeelt tot het verwijderen en verwijderd houden van de overhangende beplanting, [eisers in conventie] . op gelijke wijze moet worden veroordeeld. 3.7. [eisers in conventie] . voeren verweer. [eisers in conventie] . betwisten dat [gedaagde in conventie] de strook grond in eigendom heeft verkregen door bevrijdende verjaring. Voor [eisers in conventie] . is niet duidelijk vanaf welk moment de verjaringstermijn volgens [gedaagde in conventie] is gestart en welke bezitsdaden aan de start van enige verjaringstermijn ten grondslag zouden hebben gelegen. Daarnaast betwisten [eisers in conventie] . de inbezitneming van een erfdienstbaarheid. Tevens betwisten [eisers in conventie] . dat beplanting vanaf hun perceel overhangt richting de percelen van [gedaagde in conventie] . [eisers in conventie] . concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagde in conventie] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde in conventie] , met veroordeling van [gedaagde in conventie] in de kosten van deze procedure en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.8. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling in conventie en in reconventie 4.1. In de kern staat bij zowel de vorderingen in conventie als in reconventie de vraag centraal wie eigenaar is van de strook grond. Gelet op de nauwe samenhang tussen de vorderingen volgt hierna een gezamenlijke behandeling. 4.2 Tussen partijen staat niet ter discussie waar de kadastrale grens tussen het perceel [nummer] en de percelen [nummer] en [nummer] ligt. De strook grond behoort kadastraal gezien tot het perceel van [eisers in conventie] . Dat betekent dat [eisers in conventie] . in beginsel eigenaar zijn van de strook grond, tenzij [gedaagde in conventie] door bevrijdende verjaring eigenaar is geworden. Maatstaf bevrijdende verjaring 4.3 Op grond van artikel 3:105 BW verkrijgt hij die een goed bezit op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering tot beëindiging van het bezit wordt voltooid het goed, ook al was zijn bezit niet te goeder trouw. Die rechtsvordering verjaart twintig jaar na de inbezitneming (artikel 3:306 BW). Voor het intreden van de verjaringstermijn is niet van belang wie de onrechtmatige toestand in het leven heeft geroepen. De verjaring kan worden gestuit door het instellen van een eis in rechte, of door een schriftelijke aanmaning indien deze binnen zes maanden wordt gevolgd door een eis in rechte. Op grond van artikel 3:107 BW is bezit het houden van een goed voor zichzelf. Dat wordt beoordeeld op grond van de verkeersopvatting en uiterlijke feiten. Het bezit moet ondubbelzinnig en openbaar zijn. Daarvan is sprake als de bezitter zich zodanig gedraagt dat de eigenaar niet anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert eigenaar te zijn. Dat wordt naar objectieve maatstaven beoordeeld. Voor inbezitneming is vereist dat de machtsuitoefening zodanig is dat naar verkeersopvatting het bezit van de oorspronkelijke bezitter is geëindigd (zie o.a. HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:309). Voor de beoordeling of een strook grond in bezit is genomen, kan van belang zijn of die strook ontoegankelijk is gemaakt voor de oorspronkelijk bezitter, maar dat is niet beslissend (HR 26 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:784). Tevens kan bij die beoordeling relevant zijn of er sprake is van een optisch geheel (HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2743). Toetsing verweer bevrijdende verjaring 4.4. [eisers in conventie] . hebben op 30 april 2025 de dagvaarding uitgebracht (eis in rechte). Hoewel daarvoor tussen partijen is gecorrespondeerd over het eigendom van de strook grond, is niet gebleken dat [eisers in conventie] . binnen zes maanden na die correspondentie de dagvaarding hebben uitgebracht. Daarmee geldt 30 april 2025 als stuitingsdatum.
Volledig
Voor een geslaagd beroep op bevrijdende verjaring moet de voltooiing daarvan dus uiterlijk op 29 april 2025 of op een eerdere datum hebben plaatsgevonden. 4.5. [gedaagde in conventie] stelt dat hij en zijn rechtsvoorgangers de strook grond langer dan twintig jaar in bezit hebben, in ieder geval vanaf 1996. [gedaagde in conventie] heeft onvoldoende gesteld dat ook vóór 1996 sprake was van bezit. De rechtbank gaat voor de beoordeling dan ook uit van 1996 als aanvangsjaar van het bezit volgens [gedaagde in conventie] . 4.6. [gedaagde in conventie] wijst ter onderbouwing van zijn stelling dat sprake is van bevrijdende verjaring naar verklaringen van [eigenaar 2] , [eigenaar 3] en [eigenaar 4] . Uit die verklaringen volgt in ieder geval dat [eigenaar 4] als rechtsvoorganger van [eisers in conventie] . in de periode van 10 mei 1996 tot 16 oktober 2017 (ruim 21 jaar) de strook grond niet als zijn eigendom heeft beschouwd. De verklaringen die door [eisers in conventie] . zijn overgelegd van hun rechtsvoorgangers [eigenaar 2] en [eigenaar 3] acht de rechtbank voor de beoordeling van de feitelijke situatie van de strook grond in de periode vanaf 1996 van ondergeschikt belang, omdat zij verklaren over de periode vóór 1996. Daarmee staat echter niet automatisch vast dat de strook grond vanaf 1996 door de rechtsvoorgangers van [gedaagde in conventie] in bezit is genomen. De innerlijke overtuiging van zowel [eigenaar 4] als van (de rechtsvoorgangers van) [gedaagde in conventie] dat zij het hekwerk van [eisers in conventie] . als erfgrens hebben beschouwd, is daarbij niet van belang. Vereist is namelijk ondubbelzinnig en openbaar bezit (van de rechtsvoorgangers) van [gedaagde in conventie] , dat objectief moet worden beoordeeld. 4.7. Het bezit van de strook grond blijkt volgens [gedaagde in conventie] uit het volgende. [gedaagde in conventie] stelt dat de strook grond uitsluitend wordt en werd onderhouden door hem en zijn rechtsvoorgangers. Daarnaast stelt [gedaagde in conventie] dat [eigenaar 2] in 2002 twee of drie stutpalen voor de betonnen schutting op de strook grond heeft geplaatst. Ook stelt [gedaagde in conventie] dat sinds 1997 op de strook grond dakpannen en bakstenen van (de rechtsvoorgangers van) [gedaagde in conventie] zijn opgeslagen, die nog steeds aanwezig zijn. Tot slot stelt [gedaagde in conventie] dat de strook grond voor (de rechtsvoorgangers van) [eisers in conventie] . langer dan twintig jaar onbereikbaar was en enkel door (de rechtsvoorgangers van) [gedaagde in conventie] kon worden betreden. [eisers in conventie] . hebben de bovengenoemde stellingen van [gedaagde in conventie] gemotiveerd betwist. De rechtbank acht de stellingen van [gedaagde in conventie] ieder afzonderlijk relevant voor een integrale beoordeling of sprake is van bezit zoals bedoeld onder 4.3. en zal daarop dan ook nader ingaan. 4.8. Het verrichten van onderhoud aan een strook grond kan onder omstandigheden als bezitsdaad worden aangemerkt, indien dat onderhoud wordt verricht in een mate waaruit bezit als bedoeld onder 4.3. kan worden afgeleid. [gedaagde in conventie] wijst ter onderbouwing van zijn stelling dat de strook grond uitsluitend is onderhouden door hem en zijn rechtsvoorgangers op de verklaringen van [eigenaar 2] , [eigenaar 3] en [eigenaar 4] . De rechtbank kan echter enkel op basis van deze verklaringen niet vaststellen waaruit het onderhoud van de strook grond vanaf 1996 precies heeft bestaan en in welke mate en frequentie er onderhoud aan de strook grond is verricht. Daarbij acht de rechtbank ook van belang dat uit de door partijen overgelegde foto’s van de strook grond een beeld naar voren komt dat delen inmiddels sterk zijn overwoekerd door beplanting, wat de betwisting van [eisers in conventie] . ondersteunt dat de strook grond langere tijd niet is onderhouden. Ook is onduidelijk welk onderhoud precies is uitgevoerd aan de sloot, in welke frequentie en mate dat heeft plaatsgevonden en tot welk moment. Uit de overgelegde foto’s volgt immers wel duidelijk dat de sloot de laatste jaren niet of nauwelijks is onderhouden. Daarmee kan de rechtbank niet vaststellen of er onderhoud heeft plaatsgevonden aan de strook grond in een mate waaruit bezit als bedoeld onder 4.3. kan worden afgeleid. 4.9. De aanwezigheid van enkele stutpalen op de strook grond is op zichzelf beschouwd niet voldoende voor bezit als bedoeld onder 4.3., maar kan in combinatie met andere bezitsdaden wel een relevant gezichtspunt zijn. [gedaagde in conventie] wijst in het kader van de aanwezige stutpalen op een verklaring van [eigenaar 2] die aangeeft dat in 2002 de stutpalen met de schutting in eigen beheer zijn geplaatst. De rechtbank kan echter enkel op basis van die verklaring niet vaststellen of de stutpalen sinds 2002 op de strook grond aanwezig waren. De gemotiveerde betwisting van [eisers in conventie] . dat de schutting pas op een later moment is gaan hellen door de aanwezige beplanting, waarna de stutpalen pas zijn geplaatst, acht de rechtbank in dit kader van voldoende tegenwicht. 4.10. Het opslaan van enkele dakpannen en/of bakstenen hoeft niet te betekenen dat sprake is van bezit als bedoeld onder 4.3. Die beoordeling is onder meer afhankelijk van de hoeveelheid dakpannen en/of bakstenen, de zichtbaarheid daarvan en de oppervlakte van de strook grond waarop de dakpannen en bakstenen zijn opgeslagen ten opzichte van de oppervlakte van de gehele strook grond. [gedaagde in conventie] wijst in dit kader naar de verklaring van [eigenaar 2] en op door hem overgelegde foto’s. De rechtbank kan op basis van deze verklaring en de foto’s niet vaststellen of de dakpannen en de bakstenen zich sinds 1997 daadwerkelijk op de strook grond bevinden en, als dat het geval is, hoelang die bakstenen en dakpannen daar aanwezig zijn en welk oppervlakte ten opzichte van de gehele strook grond het betreft. Ook wordt uit de overgelegde foto van de bakstenen onvoldoende duidelijk of daadwerkelijk sprake is van opslag van bakstenen die afkomstig zijn van de garage van (de rechtsvoorganger) van [gedaagde in conventie] . 4.11. Het ontoegankelijk maken van een strook grond voor de oorspronkelijk eigenaar is niet beslissend voor de beoordeling of sprake is van bezit als bedoeld onder 4.3., maar kan in combinatie met daadwerkelijke bezitsdaden van de strook grond wel een relevant gezichtspunt zijn. [gedaagde in conventie] wijst in dit kader op de verklaringen van [eigenaar 2] , [eigenaar 3] en [eigenaar 4] en op overgelegde foto’s. De rechtbank kan op basis daarvan niet vaststellen dat de strook grond gedurende twintig jaar ontoegankelijk was voor (de rechtsvoorgangers van) [eisers in conventie] . [eisers in conventie] . hebben voldoende gemotiveerd betwist dat zij tot de plaatsing van het hekwerk in 2023 tussen perceel [nummer] en [nummer] via hun eigen perceel [nummer] toegang hebben gehad tot de strook grond. Daarbij kan de rechtbank ook op basis van de foto’s van [gedaagde in conventie] met daarop zichtbaar de betonnen schutting van [gedaagde in conventie] niet vaststellen of de strook grond niet via een andere plaats bereikbaar is of was voor [eisers in conventie] . Ook kan de rechtbank niet vaststellen of de strook grond enkel voor (de rechtsvoorgangers van) [gedaagde in conventie] toegankelijk was. Uit de door [eisers in conventie] . overgelegde foto’s in dit kader komt een beeld naar voren dat tot 2023 het perceel [nummer] in ieder geval optisch gedeeltelijk was afgesloten van de strook grond en dat op het perceel [nummer] aan de zijde van [gedaagde in conventie] een gaaswerk aanwezig was. [gedaagde in conventie] heeft ter zitting ook bevestigd dat hijzelf na aankoop van het perceel dat gaaswerk heeft verwijderd. Bewijsopdracht [gedaagde in conventie] 4.12. Aangezien [gedaagde in conventie] zich beroept op het rechtsgevolg van zijn stellingen dat hij door bevrijdende verjaring eigenaar is geworden van de strook grond en [eisers in conventie] . die stellingen betwisten, rust op [gedaagde in conventie] de bewijslast daarvan. De rechtbank zal [gedaagde in conventie] de gelegenheid bieden bewijs te leveren van zijn stellingen, zoals hierna wordt vermeld in het dictum.