Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2026-03-13
ECLI:NL:RBGEL:2026:2055
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - meervoudig
3,865 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:2055 text/xml public 2026-03-20T16:05:34 2026-03-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-03-13 AWB 24/7123 en 24/7124 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026032005 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2055 text/html public 2026-03-17T13:11:07 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:2055 Rechtbank Gelderland , 13-03-2026 / AWB 24/7123 en 24/7124 Vpb 2018 + 2019. Pand in eigen gebruik kon niet in 2018 of 2019 worden afgewaardeerd naar de waarde waarvoor het pand uiteindelijk in 2020 is geleverd. Ook geen inhaalafschrijving mogelijk in 2018, geen fout in de zin van de foutenleer. Aanslag 2019 wel te hoog, doordat inspecteur is uitgegaan van een te hoge boekwaarde op de eindbalans. Belastingrentebeschikking 2018 te hoog en 2019 onterecht. Beroepen gegrond. RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummers: ARN 24/7123 en 24/7124 uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 13 maart 2026 in de zaken tussen [belanghebbende] B.V., uit [plaats 1] , belanghebbende (gemachtigde: [gemachtigde]), en de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Utrecht, de inspecteur, en de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid) , in Den Haag, de Staat. Inleiding In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 26 april 2024 en 15 juli 2024. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor de jaren 2018 en 2019 aanslagen vennootschapsbelasting (Vpb) opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 176.468 (2018) en € 349.021 (2019). Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslagen heeft de inspecteur belanghebbende € 21.037 (2018) en € 16.495 (2019) belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikkingen) en het verlies voor beide jaren vastgesteld op nihil (de verliesvaststellingsbeschikkingen). De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslagen gehandhaafd. De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. Partijen hebben nadere stukken ingediend. De rechtbank heeft de beroepen op 17 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen namens belanghebbende [persoon A] (bestuurder), de gemachtigde van belanghebbende en [persoon B] en namens de inspecteur [persoon C] , [persoon D] en [persoon E] . Feiten 1. Belanghebbende is 100% aandeelhouder van [naam bedrijf 1] B.V. [naam bedrijf 1] B.V. is 100% aandeelhouder van [naam bedrijf 2] B.V. 2. Belanghebbende staat aan het hoofd van een fiscale eenheid Vpb waarvan [naam bedrijf 1] B.V. (met ingang van 30 mei 2008) en [naam bedrijf 2] B.V. (met ingang van 10 april 2013) onderdeel uitmaken. 3. Op 3 juli 2019 is [naam bedrijf 2] B.V. failliet verklaard. Op 15 februari 2022 is [naam bedrijf 2] B.V. ontbonden door opheffing van het faillissement wegens toestand van de boedel. 4. [naam bedrijf 1] B.V. is eigenaar van de onroerende zaken gelegen aan [locatie] [huisnummer 1] en [huisnummer 2] (het pand) te [plaats 2] . Zij verhuurde het pand aan [naam bedrijf 2] B.V. die daarin een wellness centrum exploiteerde. 5. Op 15 oktober 2019 is een koopovereenkomst gesloten tussen [naam bedrijf 1] B.V. en een koper waarbij het pand is verkocht. De in de koopovereenkomst overeengekomen verkoopprijs bedraagt € 2.900.000. 6. Op 30 maart 2020 is een addendum op de koopovereenkomst opgesteld waarbij de verkoopprijs is verlaagd naar € 2.500.000 vanwege gewijzigde omstandigheden ten aanzien van de ontwikkelingsmogelijkheden van het pand. 7. In de jaarrekeningen van [naam bedrijf 1] B.V. zijn met betrekking tot het pand de volgende aanschafwaarden opgenomen: Jaar Aanschafwaarde 2013 € 8.136.768 2014 € 5.898.851 2015 € 5.883.652 2016 € 5.883.652 2017 € 5.883.652 2018 € 5.883.652 2019 € 5.883.652 8. In de jaarrekening 2013 staat vermeld dat de bedrijfsgebouwen en -terreinen zijn gewaardeerd tegen actuele waarde en dat op basis van een hertaxatie de waardevermindering in 2013 tot uitdrukking is gebracht in een herwaardering per 31 december 2013. De herwaardering bedraagt -/- € 2.253.116. 9. In de aangiften Vpb voor de jaren vanaf 2010 is met betrekking tot het pand het volgende aangegeven: Jaar Aanschafwaarde Waarde beginbalans Afschrijvingen Afwaardering Waarde eindbalans 2010 € 8.136.768 € 4.780.377 € 177.488 - € 4.602.889 2011 € 8.136.768 € 4.602.889 € 177.208 - € 4.425.681 2012 € 8.136.768 € 4.425.681 € 176.992 - € 4.248.689 2013 € 0 € 4.248.689 € 32.004 € 153.145 € 4.065.000 2014 € 0 € 4.065.000 - - € 4.065.000 2015 € 0 € 4.065.000 Niet ingevuld - € 3.954.000 2016 € 8.185.482 € 3.954.000 - - € 3.954.000 2017 € 5.958.076 € 3.954.000 - - € 3.954.000 2018 € 5.989.378 € 3.954.000 € 1.000.000 - € 2.954.000 2019 € 8.136.768 Niet ingevuld € 448.460 - € 2.500.000 10. De inspecteur is bij het opleggen van de aanslagen Vpb 2018 en 2019 afgeweken van de aangiften. Voor 2018 heeft hij de afwaardering van het pand met € 1.000.000 (van € 3.954.000 naar € 2.954.000) niet geaccepteerd. Met betrekking tot 2019 heeft de inspecteur de afwaardering van het pand naar € 2.500.000 niet geaccepteerd. Beoordeling door de rechtbank 11. De rechtbank beoordeelt of de aanslagen Vpb en de belastingrentebeschikkingen niet tot te hoge bedragen zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. 12. De rechtbank is van oordeel dat de aanslag Vpb 2018 niet tot een te hoog bedrag is vastgesteld. De aanslag Vpb 2019 is wel tot een te hoog bedrag vastgesteld, evenals de belastingrentebeschikkingen voor beide jaren. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Mocht belanghebbende het pand in 2018 afwaarderen? 13. Belanghebbende stelt zich primair op het standpunt dat op grond van het voorzichtigheidsbeginsel in 2018 een afwaardering plaats mocht vinden naar € 2.500.000 in plaats van de bij de aangifte voorgestane € 2.954.000. Belanghebbende geeft daarvoor als reden dat in 2018 al voorzienbaar was dat [naam bedrijf 2] B.V. in 2019 failliet zou gaan en dat het pand naar alle waarschijnlijkheid voor een veel lagere waarde dan de boekwaarde zou worden verkocht. Belanghebbende heeft daarom in 2018 aan willen sluiten bij de liquidatiewaarde. 14. De inspecteur is primair van mening dat belanghebbende het pand niet kon afwaarderen, omdat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de bedrijfswaarde van het vastgoed in 2018 lager was dan de fiscale boekwaarde. Subsidiair neemt de inspecteur het standpunt in dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de waardevermindering zich heeft voorgedaan in het boekjaar 2018. 15. De rechtbank overweegt als volgt. [naam bedrijf 1] B.V. was tot het moment van verkoop de eigenaar van het pand. Deze vennootschap is nooit geliquideerd. Een afwaardering in het licht van de liquidatiewaarde is naar het oordeel van de rechtbank daarom niet mogelijk. In de stukken en in wat op zitting is aangevoerd ziet de rechtbank ook geen aanleiding voor afwaardering naar lagere bedrijfswaarde in 2018. Deze beroepsgrond slaagt dus niet. Mag belanghebbende de foutenleer toepassen in 2018 en leidt dit tot een inhaalafschrijving? 16. Subsidiair is belanghebbende van mening dat de foutenleer in 2018 moet worden toegepast. Vanaf 2013 is belanghebbende gaan waarderen op actuele waarde, wat fiscaal niet is toegestaan. In de jaren 2013 tot en met 2018 is bovendien een te hoge bodemwaarde gehanteerd waardoor er te weinig is afgeschreven. Dat zou moeten leiden tot een inhaalafschrijving van € 329.135 in 2018, het laatste openstaande jaar. De fiscale boekwaarde bedraagt dan per 31 december 2018 € 3.675.048. 17. De inspecteur betwist dat belanghebbende het vastgoed fiscaal heeft gewaardeerd op actuele waarde. Volgens de inspecteur doen de gedragingen van belanghebbende vermoeden dat zij de waarderingsmethodiek ‘kostprijs minus afschrijving of lagere bedrijfswaarde’ heeft gehanteerd, omdat zij in het verleden zowel heeft afgeschreven als afgewaardeerd.
Volledig
De inspecteur is van mening dat deze waarderingswijze fiscaal juist is toegepast, waardoor er geen sprake is van een fout in de zin van de foutenleer. Als er al reden zou zijn voor een inhaalafschrijving dan heeft belanghebbende de hoogte ervan niet aannemelijk gemaakt. 18. De rechtbank overweegt als volgt. De foutenleer strekt ertoe te voorkomen dat, ingeval het eindvermogen van het voorafgaande jaar niet naar de voorschriften van de wet en overeenkomstig goed koopmansgebruik is vastgesteld, een stuk bedrijfswinst onbelast blijft hetzij dubbel wordt belast. Met de foutenleer kunnen ook afschrijvingsfouten worden gecorrigeerd. Op belanghebbende rust de bewijslast dat sprake is van een fout in de zin van de foutenleer. 19. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een fout in de zin van de foutenleer. Uit de stukken kan de rechtbank niet afleiden dat belanghebbende fiscaal daadwerkelijk heeft gewaardeerd op actuele waarde. De stelling van belanghebbende dat in de jaren 2013 tot en met 2018 een te hoge bodemwaarde is gehanteerd waardoor er te weinig is afgeschreven, spreekt dat overigens ook tegen. Het hanteren van een bodemwaarde die boven het fiscaal minimum ligt, is bovendien niet in strijd met de voorschriften van de wet en is ook niet in strijd met goed koopmansgebruik. Ook als de rechtbank wel zou aannemen dat sprake is van een fout in de zin van de foutenleer dan heeft belanghebbende de hoogte van de afschrijving niet aannemelijk gemaakt. Deze beroepsgrond slaagt niet. Mocht belanghebbende het pand in 2019 afwaarderen tot € 2.500.000? 20. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de fiscale boekwaarde op grond van het voorzichtigheidsbeginsel per 31 december 2019 moet worden gesteld op € 2.500.000, te weten de koopprijs waarvoor het pand uiteindelijk is verkocht en geleverd. 21. De inspecteur is van mening dat het pand in 2019 niet mag worden afgewaardeerd naar € 2.500.000, maar wel naar € 2.900.000. De koopovereenkomst die in 2019 is gesloten gaat uit van een koopprijs van € 2.900.000. De gewijzigde omstandigheden doen zich voor in 2020. Op de balans per 31 december 2019 was het addendum (zie 6.) nog niet overeengekomen en mag volgens de inspecteur dus geen rekening worden gehouden met die gewijzigde omstandigheden. 22. De rechtbank overweegt als volgt. Het ligt op de weg van belanghebbende om te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken dat op de balansdatum reeds feiten en omstandigheden bekend waren die aanleiding vormden voor afwaardering van de fiscale boekwaarde naar € 2.500.000. Naar het oordeel van de rechtbank is belanghebbende daarin niet geslaagd. De in 2019 gesloten koopovereenkomst vermeldt een verkoopprijs van € 2.900.000. Op dat moment was dus de verwachting dat de verkoop van het pand tegen deze verkoopprijs zou plaatsvinden. Op de balansdatum 2019 was het addendum nog niet overeengekomen. Uit de stukken volgt ook niet dat er op de balansdatum 2019 al aanleiding was om te veronderstellen dat de verkoop uiteindelijk tegen een lagere prijs zou plaatsvinden. Deze beroepsgrond slaagt niet. Is de aanslag Vpb 2019 te hoog? 23. Voor het geval de rechtbank van oordeel is dat de afwaardering niet in 2018 mocht worden genomen, is niet in geschil dat de boekwaarde op de eindbalans 2019 € 2.900.000 moet zijn. Ter behoud van rechten is de inspecteur voor het jaar 2019 echter nog uitgegaan van een te hoge boekwaarde. Belanghebbende is van mening dat de aanslag Vpb 2019 daarom te hoog is. De rechtbank volgt belanghebbende hierin. In het nader stuk van 10 februari 2026 heeft de inspecteur opgemerkt dat het belastbaar bedrag voor 2019 als volgt moet worden vastgesteld: Aangegeven belastbare winst -/- € 50.979 Afwaardering onroerend goed -/- € 1.000.000 Belastbare winst -/- € 1.050.979 De rechtbank zal daarom het beroep met betrekking tot 2019 gegrond verklaren, de aanslag Vpb verminderen tot nihil en het verlies vaststellen op € 1.050.979. Belastingrente 24. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. De inspecteur heeft in het nader stuk van 10 februari 2026 het standpunt ingenomen dat de belastingrente als gevolg van het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026 onjuist is berekend. De beroepen tegen de belastingrentebeschikkingen zijn reeds daarom gegrond. 25. Voor het jaar 2019 geldt dat nu de aanslag wordt verminderd tot nihil, er geen belastingrente meer verschuldigd is. De rechtbank zal de belastingrentebeschikking daarom vernietigen. Voor het jaar 2018 heeft de inspecteur een nieuwe berekening van de belastingrente overgelegd waarbij toepassing wordt gegeven aan het arrest van de Hoge Raad. Op grond van deze berekening bedraagt de belastingrente € 16.827. Belanghebbende heeft op de zitting bevestigd het eens te zijn met die nieuwe berekening. De rechtbank zal voor het jaar 2018 daarom de belastingrente verlagen tot € 16.827. Heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding? 26. Belanghebbende heeft verzocht om immateriële schadevergoeding (IMSV) wegens overschrijding van de redelijke termijn. Volgens vaste rechtspraak geldt voor een uitspraak in eerste aanleg dat deze niet binnen een redelijke termijn is gedaan als de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn vangt aan op de dag van ontvangst van het bezwaarschrift en eindigt op de dag van de uitspraak in het beroep. De IMSV bedraagt € 500 per half jaar overschrijding. 27. De inspecteur heeft het oudste bezwaar van belanghebbende ontvangen op 6 december 2022. Tot de datum van deze uitspraak zijn er dus afgerond drie jaar en vier maanden verstreken. Dat betekent dat de redelijke termijn met één jaar en vier maanden is overschreden. Dit leidt tot een IMSV van € 1.500. 28. De zaken hebben in hoofdzaak betrekking op hetzelfde onderwerp en zijn in beroep gezamenlijk behandeld, zodat naar het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de IMSV sprake is van samenhang. Dit brengt mee dat de IMSV van € 1.500 eenmaal, voor beide zaken samen, wordt toegekend. De overschrijding in de bezwaarfase bedraagt afgerond elf maanden en de overschrijding in de beroepsfase vijf maanden. Dat betekent dat € 1.000 voor rekening komt van de inspecteur en € 500 voor rekening van de Staat. Conclusie en gevolgen 29. De beroepen zijn gegrond. Dat betekent dat de uitspraken op bezwaar worden vernietigd, maar voor het jaar 2018 uitsluitend voor zover het de belastingrente betreft. De belastingrentebeschikking 2018 wordt verminderd, de aanslag 2019 wordt verminderd tot nihil, de belastingrentebeschikking 2019 wordt vernietigd en de verliesvaststellingsbeschikking 2019 wordt vastgesteld op € 1.050.979. 30. Omdat de beroepen gegrond zijn moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van haar proceskosten. De inspecteur moet de proceskostenvergoeding betalen. Deze bedraagt € 3.200 en is als volgt berekend: 1 punt voor het bezwaarschrift, 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting in bezwaar, 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting in beroep met een waarde per punt van € 666 in bezwaar en € 934 in beroep en wegingsfactor 1.