Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2026-03-05
ECLI:NL:RBGEL:2026:1727
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,046 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBGEL:2026:1727 text/xml public 2026-03-30T09:23:32 2026-03-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-03-05 C/05/461717 / FA RK 26-108 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Mondelinge uitspraak Beschikking NL Arnhem Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl PFR-Updates.nl 2026-0058 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:1727 text/html public 2026-03-10T14:57:28 2026-03-10 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:1727 Rechtbank Gelderland , 05-03-2026 / C/05/461717 / FA RK 26-108 Artikel 1:377e BW. Omgang. Voogd vraagt vaststelling omgangsregeling tussen pupil (17) en halfzusje van 5. Na een belangenafweging wijst de rechtbank het verzoek af. beschikking RECHTBANK GELDERLAND Familie- en jeugdrecht Zittingsplaats Arnhem Zaakgegevens: C/05/461717 / FA RK 26-108 Datum uitspraak: 5 maart 2026 beschikking over omgang in de zaak van de gecertificeere instelling Stichting Jeugdbescherming Gelderland, Regio Midden (nader te noemen: de voogd), gevestigd in Ede, tegen [naam moeder] (nader te noemen: de moeder), wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat mr. E.N. Mulder in Nijkerk, en [naam vader] (nader te noemen: de vader van [kind 2] ), wonende op een bij de rechtbank bekend adres. 1 Het verloop van de procedure 1.1. De rechtbank neemt de navolgende stukken mee in de beoordeling: het verzoekschrift, binnengekomen op 12 januari 2026; het verweerschrift, binnengekomen op 27 februari 2026. 1.2. Tijdens de mondelinge behandeling van 5 maart 2026 zijn gehoord: een vertegenwoordiger van de voogd; de moeder (via videobellen), bijgestaan door haar advocaat; een vertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming (nader te noemen: de Raad). 2 De feiten 2.1. Bij beschikking van deze rechtbank van 5 december 2025 is het ouderlijk gezag van de moeder over [kind 1] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] , beëindigd en is de voogd benoemd tot voogd over [kind 1] . Zij woont sinds november 2024 niet meer bij de moeder. 2.2. [kind 1] heeft een halfzusje, [kind 2] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] . Zij is meervoudig gehandicapt en heeft veel zorg nodig. 3 Het verzoek en het verweer 3.1. De voogd verzoekt de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, een omgangsregeling tussen [kind 1] en [kind 2] vast te stellen van eens in de twee weken op donderdag of zaterdagmiddag voor de duur van 1 tot 2 uur, waarbij de moeder in de buurt aanwezig is en waarbij het wenselijk is als er een derde neutrale partij betrokken is om het omgangsmoment te begeleiden. 3.2. De moeder vraagt de rechtbank de voogd niet-ontvankelijk te verklaren in het verzoek, dan wel het verzoek af te wijzen, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van de voogd in de kosten van de procedure. 4 De beoordeling 4.1. Op grond van artikel 1:377e van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van de voogd een omgangsregeling vaststellen ten behoeve van de minderjarige over wie zij voogd is. Dit volgt uit het arrest van de Hoge Raad waar de voogd naar heeft verwezen . De moeder heeft aangevoerd dat de feiten daar anders lagen, maar dat is per definitie het geval. De overweging van de Hoge Raad is ruim geformuleerd, te weten dat de artikelen 1:377a en 1:377e BW zo moeten worden uitgelegd dat de daarin aan de ouders toegekende bevoegdheid de rechter te verzoeken een omgangsregeling vast te stellen of te wijzigen of het recht op omgang aan een ouder te ontzeggen, mede aan een gecertificeerde instelling toekomt. 4.2. Anders dan de moeder is de rechtbank van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat tussen [kind 1] en [kind 2] sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking. [kind 2] is geboren in het gezin waar [kind 1] tot november 2024 deel van uitmaakte. Zij hebben dezelfde moeder en dus een bloedband. [kind 2] was ruim 4 jaar oud toen [kind 1] uit huis ging. Zij hebben bij elkaar in huis gewoond. Dat alleen al maakt dat aangenomen moet worden dat er een persoonlijke band tussen hen is. De argumenten van de moeder, die er in het kort op neerkomen dat [kind 1] niet of nauwelijks naar [kind 2] omkeek, maken dat niet anders. Na het vertrek van [kind 1] uit het gezin heeft zij in elk geval met de verjaardag van [kind 2] een felicitatie gestuurd. Anderzijds heeft de moeder ook geprobeerd [kind 1] in het leven van [kind 2] te houden met foto’s en filmpjes. Dat er verder geen contact is geweest, heeft naar de rechtbank begrijpt te maken met de zeer slechte verstandhouding tussen [kind 1] en de moeder. Dat maakt nog niet dat er geen nauwe persoonlijke betrekking is tussen [kind 1] en [kind 2] . 4.3. Voorop staat dat het een pijnlijke situatie is, waarschijnlijk voor iedereen. Het meest wenselijk zou zijn dat er een gedeeld belang zou zijn, maar zoals de Raad ter zitting ook heeft benoemd, botst het. Dat betekent dat er een belangenafweging moet plaatsvinden, waarbij de belangen van [kind 1] én [kind 2] vooropstaan. 4.4. De rechtbank vindt het lastig dat de moeder er uiteindelijk voor heeft gekozen toch in te gaan op de achtergronden van de slechte verhouding en het gedrag van [kind 1] . Zij lijkt het als gevolg daarvan moeilijk te vinden de wens van [kind 1] om contact te hebben met [kind 2] serieus te nemen. De rechtbank doet dat wel. Zij begrijpt wel dat de eerdere gedragingen van [kind 1] maken dat de moeder het lastig vindt om erop te vertrouwen dat contact tussen [kind 1] en [kind 2] soepel zal verlopen. Daar wil de rechtbank rekening mee houden. 4.5. Alle belangen afwegende wijst de rechtbank het verzoek van de voogd af. De moeder heeft namelijk terecht aangevoerd dat bij de beslissing ook de belangen van [kind 2] moeten meewegen. Gelet op haar jonge leeftijd en haar algehele kwetsbaarheid vanwege haar beperkingen, wegen die belangen zwaar. 4.6. Als er een groot belang van [kind 1] én [kind 2] zou zijn bij contactherstel, zou nagedacht moeten worden over de praktische uitvoerbaarheid. Hier komt de rechtbank echter niet aan toe. De rechtbank kan namelijk niet vaststellen of [kind 2] [kind 1] mist en graag contact met haar wil hebben. De moeder stelt dat [kind 2] [kind 1] niet herkent van foto’s. Hoe dat zou zijn als zij elkaar in het echte leven zouden ontmoeten, kan de rechtbank niet met zekerheid zeggen. Gewoonlijk zou de rechtbank hebben overwogen de Raad te vragen hier onderzoek naar te doen, maar [kind 1] is bijna 18 jaar oud en op dat moment eindigt de voogdij. Er is dus geen tijd meer voor dat onderzoek als de rechtbank tot een inhoudelijke beslissing wil komen. De moeder heeft aangevoerd dat [kind 2] in een eigen wereldje leeft, waarin eigenlijk alleen maar de moeder en de vader van [kind 2] (en hulpverleners) een rol spelen. Een concrete behoefte van [kind 2] aan contact met [kind 1] spreekt daar niet uit. Dat hoeft nog niet te betekenen dat dit contact in strijd zou zijn met haar belang. In de regel is het immers wenselijk dat kinderen hun broers en zussen kennen en daar contact mee hebben. In dit geval oordeelt de rechtbank echter anders. De voogd heeft onderkend dat bij een contactregeling tussen [kind 1] en [kind 2] de moeder (op de achtergrond) aanwezig zal moeten zijn, vanwege de zorg voor [kind 2] . De voogd heeft daarom gevraagd te bepalen dat er daarnaast ook een onafhankelijke derde (hulpverlener) aanwezig zal zijn bij de omgang. Dat zal echter de spanning rond deze contacten niet kunnen wegnemen. Niet voor niets heeft de Raad in zijn rapport van 8 juli 2025, waarin is geadviseerd het gezag van de moeder te beëindigen, geschreven dat met ondersteuning van de hulpverlening moet worden onderzocht of en op welke wijze er mogelijkheden zijn voor een vorm van contact(herstel). Dit gaat ook over het contact met [kind 2] . Uit het verweerschrift van de moeder blijkt in elk geval dat het voor haar heel lastig zal zijn het contact te legitimeren. Dat zou [kind 2] in een loyaliteitsconflict kunnen brengen. De voogd heeft nu het verzoek ingediend, wat er vooral mee te maken heeft dat [kind 1] bijna 18 is, maar in de tussentijd is niet voldoende onderzocht wat er nodig is om het contactherstel vorm te kunnen geven op een manier die voor [kind 1] en [kind 2] niet belastend is.