Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2026-03-11
ECLI:NL:RBGEL:2026:1681
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
3,791 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:1681 text/xml public 2026-03-25T12:53:23 2026-03-05 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-03-11 457400 Uitspraak Bodemzaak NL Zutphen Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:1681 text/html public 2026-03-25T12:52:19 2026-03-25 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:1681 Rechtbank Gelderland , 11-03-2026 / 457400 Terugbetaling geldlening. Beroep gedaagde op artikel 6:248 lid 2 BW wordt verworpen. RECHTBANK Gelderland Civiel recht Zittingsplaats Zutphen Zaaknummer: C/05/457400 / HZ ZA 25-276 Vonnis van 11 maart 2026 in de zaak van [naam eiser] , te [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. M.B. Bollen, tegen [naam gedaagde] , te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , advocaat: mr. M. Sakarya. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 3 december 2025; - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 23 februari 2026 en de daarin genoemde stukken. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. Partijen hebben op of omstreeks 1 juni 2022 een mondelinge overeenkomst van geldlening gesloten, waarbij is afgesproken dat [eiser] een bedrag van € 30.000,00 zou lenen aan [gedaagde] . [eiser] heeft dit bedrag vervolgens in twee delen ter beschikking gesteld aan [gedaagde] . Op 1 juni 2022 en 10 augustus 2022 heeft [eiser] respectievelijk € 21.500,00 en € 8.500,00 aan [gedaagde] overgemaakt. 2.2. Op of omstreeks 1 december 2022 is door partijen een tweede mondelinge overeenkomst van geldlening gesloten, waarbij is afgesproken dat [eiser] een (aanvullend) bedrag van € 19.500,00 zou lenen aan [gedaagde] . Ook dit bedrag is door [eiser] in twee delen ter beschikking gesteld aan [gedaagde] . Op 1 december 2022 en 23 januari 2023 heeft [eiser] respectievelijk € 17.500,00 en € 2.000,00 aan [gedaagde] overgemaakt. 2.3. Partijen hebben medio 2023 afspraken met elkaar gemaakt over de leningen. De gemaakte afspraken hebben partijen vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst van geldlening (hierna: de overeenkomst). Deze overeenkomst is door beide partijen ondertekend in de maand juli 2023, waarbij de overeenkomst is geantedateerd op 1 juni 2022. 2.4. In de overeenkomst is – voor zover relevant – het volgende opgenomen: “ (…) Artikel 3 – Terugbetaling van de hoofdsom 1. De Leningnemer is verplicht tegelijk met de rentebetaling op de hoofdsom een bedrag van € 500 per maand af te lossen. Deze aflossing vindt voor het eerst plaats op de eerste dag van augustus 2023. De lening zal volledig zijn afgelost op 31 juli 2025. (…) Artikel 4 – Verschuldigde rente De Leningnemer is verplicht over de hoofdsom, of over het telkens resterende gedeelte van de hoofdsom, rente te betalen van 6% per jaar. (…) De tijdstippen waarop de rente betaald moet worden, zijn gelijk aan de tijdstippen voor betaling van de aflossing zoals aangegeven in artikel 3. (…) ” 2.5. In haar brieven aan [gedaagde] van 1 december 2024 en 1 juli 2025 heeft [eiser] [gedaagde] gesommeerd om uiterlijk op 31 juli 2025 het nog openstaande bedrag van de lening(en) aan haar terug te betalen. In de brief van 1 juli 2025, alsook een ongedateerde brief, is [gedaagde] door [eiser] ook gesommeerd om de op grond van de overeenkomst door [gedaagde] aan [eiser] verschuldigde contractuele rente te betalen. 2.6. [gedaagde] heeft de afgesproken maandelijkse aflossingen voldaan tot augustus 2025. [gedaagde] heeft aan [eiser] over deze periode in totaal een bedrag van € 16.000,00 betaald. Nadien heeft hij geen betalingen meer verricht. 2.7. Bij brief van 4 augustus 2025 heeft de (toenmalig) advocaat van [eiser] [gedaagde] verzocht om binnen 15 dagen na ontvangst van deze brief tot betaling van een bedrag van € 41.412,52 over te gaan. 3 Het geschil 3.1. [eiser] vordert – na vermindering van eis – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: I. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 41.330,03, te vermeerderen met de contractuele rente van 6% dan wel de wettelijke rente vanaf 2 augustus 2025 tot aan de dag der algehele voldoening; II. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 1.438,84 aan buitengerechtelijke incassokosten; III. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van de procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente als niet binnen veertien dagen na de datum van het vonnis aan deze veroordeling wordt voldaan. 3.2. [eiser] legt – samengevat – aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. [eiser] heeft in totaal een bedrag van € 49.500,00 aan [gedaagde] geleend. Partijen zijn overeengekomen dat dit bedrag uiterlijk op 31 juli 2025 volledig door [gedaagde] zou zijn terugbetaald en dat [gedaagde] een contractuele rente van 6% per jaar verschuldigd is over het openstaande bedrag van de lening(en). Vanwege het uitblijven van betaling heeft [eiser] haar vordering uit handen moeten geven en heeft zij kosten moeten maken. [gedaagde] is daarom ook buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd. 3.3. [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. 3.4. [gedaagde] erkent dat hij in totaal een bedrag van € 49.500,00 van [eiser] heeft geleend. [gedaagde] voert met een beroep op artikel 6:248 lid 2 BW echter aan dat het door [eiser] uitoefenen van het recht tot opeising van het openstaande bedrag van de lening(en) in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Verder voert [gedaagde] aan dat partijen weliswaar in de overeenkomst hebben vastgelegd dat hij een contractuele rente van 6% per jaar verschuldigd is over het openstaande bedrag van de lening(en), maar dat [eiser] daarop vanwege een daarover door haar gedane mondelinge toezegging geen aanspraak kan maken. Daarnaast voert [gedaagde] aan dat de in de overeenkomst overeengekomen contractuele rente slechts verschuldigd is voor zover het resterende openstaande bedrag van de lening(en) opeisbaar is. 3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. Partijen zijn het erover eens dat door [eiser] aan [gedaagde] in totaal een bedrag van € 49.500,00 is geleend. Evenmin is tussen partijen in geschil dat daarvan nog een bedrag van € 33.500,00 door [gedaagde] aan [eiser] moet worden terugbetaald. 4.2. Op grond van artikel 3 lid 1 van de overeenkomst is het door [eiser] aan [gedaagde] geleende bedrag is op 31 juli 2025 volledig opeisbaar geworden. 4.3. [gedaagde] legt aan zijn beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid ten grondslag dat tussen partijen op het moment van het aangaan van de overeenkomst een vriendschappelijke relatie bestond, dat hij consequent heeft voldaan aan zijn verplichting tot aflossing door maandelijks een bedrag van € 500,00 te betalen en dat hij het openstaande bedrag van de lening niet ineens kan betalen vanwege zijn financiële situatie. Ook vindt [gedaagde] dat het belang van [eiser] bij opeising niet opweegt tegen het belang van [gedaagde] bij betalingsuitstel. 4.4. Voorop staat dat volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid met terughoudendheid moet worden toegepast. Partijen hebben in de maand juli 2023 afspraken met elkaar gemaakt over de looptijd van de leningen en de datum waarop [gedaagde] de geleende bedragen volledig aan [eiser] moest terugbetalen. Ondanks de aard van de relatie tussen partijen op het moment van aangaan van de overeenkomst zijn door partijen dus harde afspraken gemaakt over het moment van terugbetaling. [gedaagde] had met deze afspraken rekening kunnen en moeten houden. Dat [gedaagde] het openstaande bedrag van de lening(en) niet ineens kan betalen vanwege zijn financiële situatie, doet niet af aan zijn betalingsverplichting.
Volledig
Onder deze omstandigheden kan niet geoordeeld worden dat het door [eiser] gebruik maken van haar contractuele bevoegdheid om betaling van het openstaande bedrag van de lening(en) te vorderen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het beroep van [gedaagde] op artikel 6:248 lid 2 BW slaagt dan ook niet. 4.5. Gelet op het voorgaande zal [gedaagde] worden veroordeeld tot betaling van het openstaande bedrag van de lening(en), te weten een bedrag van € 33.500,00. Contractuele rente 4.6. Door [eiser] is naast terugbetaling van het openstaande bedrag van de lening(en) ook betaling van contractuele rente over de geleende bedragen gevorderd. 4.7. [eiser] stelt dat partijen door ondertekening van de overeenkomst met terugwerkende kracht zijn overeengekomen dat [gedaagde] vanaf 1 juni 2022 een contractuele rente van 6% per jaar over het openstaande bedrag van de lening(en) verschuldigd is. Zij beroept zich ter onderbouwing van deze stelling op artikel 4 van de overeenkomst. 4.8. [gedaagde] betwist dat partijen zijn overeengekomen dat hij 6% rente per jaar over het openstaande bedrag van de lening(en) verschuldigd is. [gedaagde] voert aan dat [eiser] voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst aan hem zou hebben voorgehouden dat er enkel om boekhoudkundige redenen in de overeenkomst is opgenomen dat hij rente verschuldigd is over het openstaande bedrag van de lening(en). [eiser] zou daarbij mondeling hebben toegezegd dat zij geen rente aan [gedaagde] zal doorberekenen. Voor zover [gedaagde] contractuele rente aan [eiser] verschuldigd is, voert [gedaagde] aan dat hij deze rente slechts verschuldigd is vanaf het moment waarop het openstaande bedrag van de lening(en) opeisbaar is geworden. 4.9. In artikel 6:129c BW is bepaald dat de particulier die geld uitleent aan een andere particulier slechts recht heeft op rente als dit schriftelijk is bedongen. In artikel 4 lid 1 van de overeenkomst is vastgelegd dat [gedaagde] 6% rente per jaar over “ de hoofdsom, of over het telkens resterende gedeelte ” van de lening(en) verschuldigd is. Daarmee is sprake van een schriftelijk beding als bedoeld in artikel 7:129c BW. 4.10. Als uitgangspunt geldt dat de verplichting om contractuele rente te betalen ontstaat vanaf het moment waarop de hoofdsom aan de lener wordt verstrekt en voortduurt totdat de hoofdsom door betaling of anderszins teniet is gegaan. Dat partijen in afwijking hiervan zijn overeengekomen dat door [gedaagde] pas contractuele rente verschuldigd is vanaf het moment van opeisbaarheid van de lening(en), zoals [gedaagde] aanvoert, vindt geen steun in de overeenkomst. [gedaagde] heeft zijn stelling ook niet onderbouwd, zodat er in beginsel vanuit moet worden gegaan dat [gedaagde] verplicht is om contractuele rente te betalen vanaf het moment waarop de lening(en) feitelijk door [eiser] aan hem zijn verstrekt. 4.11. [gedaagde] heeft – voor het eerst op de mondelinge behandeling – als verweer tegen de door [eiser] gevorderde contractuele rente verder nog naar voren gebracht dat door [eiser] zou zijn toegezegd dat zij geen contractuele rente aan hem in rekening zou brengen. Voor zover [gedaagde] daarmee heeft willen betogen dat [eiser] afstand van recht heeft gedaan, faalt dit verweer. Tegenover de gemotiveerde betwisting door [eiser] heeft [gedaagde] onvoldoende naar voren gebracht om afstand van recht te kunnen vaststellen. 4.12. De conclusie is dan ook dat de door [eiser] gevorderde contractuele rente van 6% per jaar toewijsbaar is over elk van de deelbedragen waaruit het door [eiser] aan [gedaagde] geleende bedrag van in totaal € 49.500,00 bestaat, gerekend vanaf de respectieve data waarop die bedragen door [eiser] zijn overgemaakt aan [gedaagde] tot de dag van volledige betaling. Buitengerechtelijke incassokosten 4.13. [gedaagde] hoeft de door [eiser] gevorderde buitengerechtelijke incassokosten niet te betalen. Aangezien [gedaagde] een natuurlijk persoon is die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf, moet om aanspraak te kunnen maken op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten eerst een aanmaning worden gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. De aanmaning van 4 augustus 2025 voldoet niet aan de in dit artikel gestelde eisen. Daarin is namelijk betaling verlangd van een hoofdsom die hoger is dan de hoofdsom die [gedaagde] op het moment van aanmaning verschuldigd was en in het verlengde daarvan is in de aanmaning een te hoog bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten aangezegd. Proceskosten 4.14. [gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 146,65 - griffierecht € 1.374,00 - salaris advocaat € 2.580,00 (2 punten × € 1.290,00) - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 4.289,65 4.15. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals hierna vermeld in de beslissing. Uitvoerbaarheid bij voorraad 4.16. Voor de beoordeling van het verweer van [gedaagde] tegen de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad geldt als uitgangspunt dat degene die een veroordeling tot betaling van een geldsom vordert, het vereiste belang bij uitvoerbaarverklaring bij voorraad heeft. Dat tenuitvoerlegging mogelijk ingrijpende gevolgen heeft, die mogelijk moeilijk ongedaan gemaakt kunnen worden, staat op zichzelf niet in de weg aan uitvoerbaarverklaring bij voorraad. 4.17. Het belang van [gedaagde] bij betalingsuitstel weegt naar het oordeel van de rechtbank niet zwaarder dan het belang van [eiser] bij terugbetaling, zodat dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad zal worden verklaard. Dat betekent dat het vonnis kan worden uitgevoerd, ook als daartegen hoger beroep wordt ingesteld. 5 De beslissing De rechtbank 5.1. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 33.500,00, 5.2. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] de overeengekomen rente van 6% per jaar te betalen over een bedrag van: i) € 21.500,00 voor de periode met ingang van 1 juni 2022 tot 10 augustus 2022, ii) € 30.000,00 voor de periode met ingang van 10 augustus 2022 tot 1 december 2022, iii) € 47.500,00 voor de periode met ingang van 1 december 2022 tot 23 januari 2023, iv) € 49.500,00, althans over het van tijd tot tijd resterende openstaande bedrag van de lening(en), voor de periode met ingang van 23 januari 2023 tot de dag van volledige betaling, 5.3. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 4.289,65, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.4. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 5.5. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 5.6. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. W.E. van Engelenhoven en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026. WE/KH