Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2026-03-04
ECLI:NL:RBGEL:2026:1674
RECHTBANK Gelderland Civiel recht Zittingsplaats Arnhem Zaaknummer: C/05/453706 / HA ZA 25-267 Vonnis van 4 maart 2026 in de zaak van [naam eiser] , te [woonplaats] , gemeente [gemeentenaam] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. M.C. Franken-Schoemaker, tegen de publiekrechtelijke rechtspersoon OMGEVINGSDIENST DE VALLEI , te Ede, gedaagde partij, hierna te noemen: de Omgevingsdienst, advocaat: mr. T.L.M. van der Weijden. 1 De zaak in het kort 1.1. [eiser] verblijft met zijn gezin – al dan niet permanent – in een woning op een recreatiepark in [woonplaats] . De Omgevingsdienst heeft, als uitvoeringsorganisatie van de gemeente Ede, handhavend opgetreden tegen [eiser] , omdat [eiser] tegen de regels in permanent in de recreatiewoning zou verblijven, bij de recreatiewoning een schuur heeft gebouwd en vanuit die schuur bedrijfsmatige activiteiten zou verrichten. [eiser] vordert, kort gezegd, dat de Omgevingsdienst stopt met dit handhavend optreden omdat het volgens hem belaging oplevert. 1.2. De rechtbank oordeelt dat er geen juridische basis bestaat om de Omgevingsdienst te gebieden te stoppen met de uitoefening van zijn taken. De manier waarop de Omgevingsdienst die taken uitoefent, is evenmin aanleiding om het gevraagde gebod op te leggen. De rechtbank wijst de vordering van [eiser] daarom af. 2 De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 17 september 2025, - het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 23 januari 2026. 2.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 3 De feiten 3.1. [eiser] verblijft met zijn gezin – al dan niet permanent – in een woning op een recreatiepark in [woonplaats] . 3.2. De Omgevingsdienst treedt op als uitvoeringsorganisatie van de gemeente Ede. Zij voert de wettelijke taak van de gemeente Ede uit om de naleving van bestemmingsplannen/omgevingsplannen en landelijke regelgeving te controleren en handhaven. 3.3. Op 24 februari 2015 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede (hierna: het college) daartoe het zogenoemde “Mandaatbesluit gemeente Ede voor Omgevingsdienst de Vallei” vastgesteld (onderdeel van productie 12 van [eiser] ). Op grond van artikel 2 van dit besluit heeft het college aan (de directeur van) de Omgevingsdienst de bevoegdheid gemandateerd om beslissingen te nemen en stukken te ondertekenen met betrekking tot de bevoegdheden die zijn omschreven in de bijlage bij het besluit en tot het verrichten van alle handelingen die nodig zijn voor de voorbereiding, bekendmaking en uitvoering van een door hem krachtens mandaat te nemen of genomen beslissing. Op grond van artikel 5 van het besluit kan de directeur van de Omgevingsdienst ondermandaat verlenen aan de binnen de Omgevingsdienst werkzame medewerkers met een leidinggevende functie, daaronder begrepen degene aan wie een coördinerende taak is toebedeeld. Voor een aantal in de bijlage bij het besluit genoemde bevoegdheden kan de directeur van de Omgevingsdienst ook aan andere ambtenaren van de Omgevingsdienst een ondermandaat verlenen. 3.4. Op 5 december 2017 heeft de directeur van de Omgevingsdienst het zogenoemde “Ondermandaatbesluit Omgevingsdienst De Vallei Ede” vastgesteld (onderdeel van productie 12 van [eiser] ). Op grond van dit ondermandaatbesluit is aan de managers van de teams ‘Vergunningen’, ‘Handhaving & Toezicht’ en ‘Juridisch Advies’ en aan ambtenaren van de Omgevingsdienst mandaat, volmacht en machtiging verleend voor het nemen van beschikkingen en het verrichten van handelingen als genoemd in – kort gezegd – de bijlage bij het mandaatbesluit. 3.5. De gemeente Ede heeft bestuursrechtelijk handhavend opgetreden tegen [eiser] , omdat hij in strijd met de regels permanent in de recreatiewoning zou verblijven, achter de recreatiewoning een schuur van ruim 80 m² heeft gebouwd en daarin bedrijfsmatige activiteiten zou verrichten. De bouw en aanwezigheid van de schuur en het daarin ontplooien van bedrijfsmatige activiteiten zijn volgens de gemee Het gaat namelijk om besluiten, waartegen bestuursrechtelijke rechtsbescherming open staat of heeft gestaan. De vordering van [eiser] is niet toewijsbaar 5.7. Tegen de achtergrond van het hierboven weergegeven bestuursrechtelijk kader luidt het oordeel van de rechtbank dat de vordering van [eiser] moet worden afgewezen. Zij overweegt daartoe het volgende. 5.8. [eiser] heeft er bewust voor gekozen geen (of nauwelijks) gebruik te maken van de bestuursrechtelijke rechtsmiddelen – bezwaar- en beroepsprocedures – die hem tegen het uit bestuursrechtelijke besluiten voortvloeiende handhavend optreden door de Omgevingsdienst ter beschikking staan, omdat hij daarin geen vertrouwen heeft en het bestuursrecht in de ogen van [eiser] “ondergeschikt is aan het civiele recht”. De gevolgen van die keuze moeten voor zijn rekening blijven. De vordering van [eiser] strekt er in feite toe dat de Omgevingsdienst ermee ophoudt hem te bezoeken, controles bij hem uit te voeren, brieven naar hem te sturen en dergelijke. De Omgevingsdienst verricht deze handelingen echter in het kader van zijn bestuursrechtelijke taken, die door de gemeente Ede – anders dan [eiser] betoogt – rechtsgeldig aan hem zijn gemandateerd (zie hierboven 3.3 en 3.4). De vordering van [eiser] strekt in feite dus tot het blokkeren van de wettelijke taken en bevoegdheden van een overheidsorgaan. Daarvoor bestaat geen juridische basis. Dat de Omgevingsdienst in het kader van zijn toezichthoudende en handhavende taken [eiser] bezoekt voor controles en brieven naar hem stuurt of die bij hem bezorgt, is op zichzelf niet onrechtmatig en levert dus evenmin belaging op. 5.9. Ook de manier waarop de Omgevingsdienst zijn taken uitvoert, geeft naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding om het gevraagde verbod toe te wijzen. [eiser] heeft in dit verband drie concrete voorbeelden genoemd. Ten eerste heeft de Omgevingsdienst volgens [eiser] een drone boven zijn tuin laten vliegen. De Omgevingsdienst heeft tijdens de mondelinge behandeling gemotiveerd betwist dat de Omgevingsdienst over drones beschikt en dat hij die bij de uitvoering van zijn taken gebruikt. Tegenover deze gemotiveerde betwisting heeft [eiser] zijn stelling onvoldoende onderbouwd. Ten tweede heeft de Omgevingsdienst [eiser] een brief tussen de buitendeur en het kozijn van de recreatiewoning geschoven, waardoor volgens [eiser] de deur beschadigd is geraakt. Het schuiven van een brief tussen de deur en het kozijn rechtvaardigt niet het opleggen van het gevraagde gebod, mede gelet op het feit dat bij de recreatiewoning geen brievenbus aanwezig is en de echtgenote van [eiser] heeft geweigerd de brief aan te nemen. De Omgevingsdienst heeft gemotiveerd toegelicht dat de toezichthouders de echtgenote van [eiser] toch in de gelegenheid wilden stellen om kennis te nemen van de reden van de controle en daarom de brief tussen de deur en het kozijn hebben geschoven. De vraag of daarbij al dan niet schade is ontstaan aan de deur ligt voor in de afzonderlijke procedure bij de kantonrechter; de handelsrechter zal daarover geen uitspraak doen. Ten derde beroept [eiser] zich op een geluidsopname die bij het afleveren van de hiervoor genoemde brief zou zijn gemaakt en waarop te horen zou zijn dat een ambtenaar van de Omgevingsdienst tegen zijn collega zegt: “Je breekt gewoon de hele deur eruit, gek”. Indien al sprake zou zijn van onzorgvuldig handelen door de ambtenaren van de Omgevingsdienst op dat moment, dan rechtvaardigt dat nog niet het verstrekkende gebod dat [eiser] met zijn vordering in deze procedure wil bereiken. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de Omgevingsdienst de melding van [eiser] over de deur serieus heeft genomen en aan diens gemachtigde per e-mail heeft gevraagd een webformulier in te vullen zodat de schademelding in behandeling kan worden genomen, maar dat (de gemachtigde van) [eiser] daarop heeft laten weten dat hij van die mogelijkheid geen gebruik zal maken. De gevolgen van die keuze moeten voor rekening