Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2026-03-02
ECLI:NL:RBGEL:2026:1553
RECHTBANK Gelderland Civiel recht Zittingsplaats Arnhem Zaaknummer: C/05/461414 / KG ZA 26-5 Vonnis in kort geding van 2 maart 2026 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid OPOS BIDCO B.V. , gevestigd in Leusden, eisende partij, hierna te noemen: Opos, advocaat: mr. B.E.W. Jacobs en mr. L. te Linde, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid 1. [gedaagde sub 1] , gevestigd in [plaats] ,2. [gedaagde sub 2] , wonende in [woonplaats] , gedaagde partijen, hierna samen te noemen: [gedaagden] en ieder afzonderlijk te noemen: [gedaagde sub 1] respectievelijk [gedaagde sub 2] , advocaat mr. P.P.G. Bissessur. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties 1 tot en met 18; - de akte overlegging aanvullende producties 19 tot en met 28 tevens houdende een wijziging van eis; - de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 26;- de mondelinge behandeling van 13 februari 2026, waar de advocaten van beide partijen het woord hebben gevoerd aan de hand van spreekaantekeningen die zijn overgelegd;- de schriftelijke reactie van Opos op productie 10 van [gedaagden] , besproken en overgelegd ter zitting;- de ter zitting voorgelezen en getoonde e-mail van de heer [betrokkene 3] (Opos) aan de heer [betrokkene 4] (Rabobank) van 1 december 2025. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. [gedaagde sub 2] is klinisch psycholoog en oprichter van [betrokkene 1] is een GGZ-aanbieder in Noord- en West-Nederland. 2.2. [gedaagde sub 2] houdt alle aandelen in [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2] ), welke alle aandelen houdt in [gedaagde sub 1] . Tot 2 juni 2025 hield [gedaagde sub 1] alle aandelen in [betrokkene 1] . 2.3. Opos is houdstervennootschap binnen het Opos-concern. Onder Opos hangen onder meer een viertal vennootschapen die optreden als GGZ-aanbieder, waaronder sinds 2 juni 2025 [betrokkene 1] . Alle aandelen in Opos worden gehouden door Opos Holdco B.V. (hierna: Holdco). Van de aandelen in Holdco bezit [betrokkene 3] 24,52%, [betrokkene 5] 24,52%, [betrokkene 6] 14,71%, [betrokkene 7] 21,25% en [betrokkene 2] 15,00%. 2.4. Op 4 april 2025 hebben [gedaagde sub 1] en Opos een koopovereenkomst gesloten (hierna: de Koopovereenkomst) waarbij [gedaagde sub 1] alle aandelen in [betrokkene 1] heeft verkocht en geleverd aan Opos. In de Koopovereenkomst is, voor zover van belang, het volgende bepaald: 8 Non-concurrentiebeding 8.1. Verkoper en de heer [gedaagde sub 2] staan er jegens Koper voor in dat zij / hij, noch enige aan haar / hem Gelieerde Partij, direct of indirect, tegen vergoeding of om niet, binnen Nederland, in welke vorm dan ook werkzaam zal zijn voor, betrokken zal zijn bij, of belang zal hebben bij enige activiteit die op enigerlei wijze concurreert met de Onderneming, gedurende een periode van drie (3) jaar na de Leveringsdatum. (…) 8.4 Ingeval van een overtreding door Verkoper en / of de heer [gedaagde sub 2] van enig in dit Artikel 8 opgenomen verbod, verbeurt de overtredende partij aan de Koper voor iedere individuele overtreding een direct opeisbare boete van EUR 100.000, alsmede een direct opeisbare boete van EUR 10.000 voor elke dag dat de overtreding voortduurt, zonder dat daarvoor gerechtelijke tussenkomst vereist is en onverlet het recht van Koper om nakoming van de bepalingen in dit Artikel 8 en/of volledige vergoeding van de ten gevolge van een dergelijke overtreding geleden Schade te vorderen. (…) 13 Vrijwaringen 13.1 Verkoper vrijwaart Koper op een euro-voor-euro basis voor: (a) alle Belasting verschuldigd door de Vennootschap die betrekking heeft op de periode voorafgaande aan de Effectieve Datum [1 januari 2025, toevoeging voorzieningenrechter ] of op een gebeurtenis die op of voorafgaand aan de Effectieve Datum heeft plaatsgevonden, alsmede voor alle Belasting die verband houdt met gebeurtenissen buiten de normale bedrijfsvoering om in de periode vanaf de Effectieve Datum tot de Leveringsdatum [2 juni 2025, toevoegin Dit heeft ertoe geleid dat zij op 10 oktober 2025 een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten (hierna: VSO). In de VSO is, voor zover van belang, het volgende bepaald: KOMEN ALS VOLGT OVEREEN: 1. [betrokkene 2] verkoopt hierbij de aandelen die zij houdt in het kapitaal van OPOS Holdco aan OPOS Holdco, gelijk OPOS Holdco deze aandelen inkoopt van [betrokkene 2] (de “ Aandelen ”). 2. De koopprijs van de Aandelen bedraagt EUR 1.600.000. Betaling van de koopprijs geschiedt als volgt: a. Een bedrag ter hoogte van EUR 353.095,26 wordt in contanten voldaan uiterlijk 3 werkdagen na goedkeuring van de Rabobank; b. Een bedrag ter hoogte van EUR 446.904,74 wordt verrekend met de vordering van OPOS Bidco op [betrokkene 2] , welke vorderingen door OPOS Bidco zijn gecedeerd aan OPOS Holco, overigens nader uitgewerkt in Bijlage 1. (…) 20. OPOS c.s. zullen zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk – maar uiterlijk op 1 december 2025 – de goedkeuring verkrijgen van de Rabobank, na verkrijging waarvan deze Vaststellingsovereenkomst in werking zal treden, met uitzondering van de artikelen 7, 13 en 17 van deze Vaststellingsovereenkomst, welke artikelen direct bij ondertekening van deze Vaststellingsovereenkomst in werking treden. Indien de goedkeuring van Rabobank niet of niet tijdig wordt verkregen, komt de Vaststellingsovereenkomst niet tot stand, met dien verstande dat de artikelen 7, 13 en 17 van deze Vaststellingsovereenkomst van kracht en voor Partijen bindend blijven. (…) 2.10. Op 19 december 2025 heeft [betrokkene 11] het volgende bericht op LinkedIn geplaatst: Welkom bij [betrokkene 11] , [gedaagde sub 2] Met trots kondigen wij aan dat [gedaagde sub 2] , founding father van [betrokkene 1] , zich aansluit bij [betrokkene 11] als strategisch adviseur van het bestuur. [gedaagde sub 2] brengt een indrukwekkende combinatie van ervaring mee: een sterke achtergrond in bestuur en management, gecombineerd met zijn opleiding en expertise als klinisch psycholoog. Zijn visie, ondernemerschap en diepgaande kennis van geestelijke gezondheidszorg maken het van grote waarde voor de verdere strategische ontwikkeling van [betrokkene 11] . Wij zijn zeer verheugt dat [gedaagde sub 2] zijn kennis, ervaring en betrokkenheid met ons wil delen en kijken uit naar een inspirerende en vruchtbare samenwerking. Welkom [gedaagde sub 2] ! 2.11. Bij verzoekschrift van 19 december 2025 heeft Opos de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland verzocht om verlof te verlenen voor het leggen van conservatoir (derden)beslag op verschillende vermogensbestanddelen van [gedaagden] De voorzieningenrechter heeft op 23 december 2025 het verlof verleend en daarbij de vordering begroot op € 1.253.000,00. Vervolgens zijn op 24 december 2025 de beslagen gelegd. 2.12. Op 22 december 2025 heeft Opos per brief aan [gedaagde sub 2] de contractuele boete aangezegd wegens overtreding door [gedaagde sub 2] van het non-concurrentiebeding omdat hij werkzaam zou zijn bij [betrokkene 11] , een concurrent van Opos. 2.13. Op 9 januari 2026 heeft [betrokkene 11] per e-mailbericht het volgende aan [gedaagde sub 2] bericht: Geachte heer [gedaagde sub 2] , beste [gedaagde sub 2] , In goed overleg hebben wij besloten dat uw voorgenomen werkzaamheden als adviseur, psycholoog en supervisor bij [betrokkene 11] op zijn vroegst per 1 februari 2026 zullen aanvangen. Aanleiding hiervoor zijn de ontstane onduidelijkheden met betrekking tot het door u overeengekomen concurrentiebeding. De daadwerkelijke startdatum van uw werkzaamheden is daarmee afhankelijk van de uitspraak van de rechter in het door u tegen Opos aangespannen kort geding inzake dit concurrentiebeding. Hoewel [betrokkene 11] in deze kwestie geen partij is, wil ik benadrukken dat uw beoogde inzet voor [betrokkene 11] van grote waarde is voor de geestelijke gezondheidszorg. Dit geldt temeer in een periode waarin wachtlijsten toenemen, de toegankelijkheid van zorg onder druk staat en er sprake is van een chronisch tekort aan gekwalificeer 4 De beoordeling Geldvorderingen - toetsingsmaatstaf in kort geding 4.1. Met betrekking tot een voorziening in kort geding bestaande uit een veroordeling tot betaling van een geldsom is terughoudendheid op zijn plaats. De rechter zal daarbij niet alleen moeten onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. De eis dat de vordering steeds met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid moet vaststaan of boven redelijke twijfel moet zijn verheven kan daarbij echter niet worden gesteld. In de afweging van de belangen van partijen moet de rechter mede betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling mocht de bodemrechter anders beslissen. De hiervoor genoemde elementen ter beoordeling van de toewijsbaarheid van een geldvordering in kort geding zijn communicerende vaten. De verschillende elementen staan niet op zichzelf, maar moeten steeds in onderling verband en samenhang worden beoordeeld. Dat betekent dat als de vordering in hoge mate aannemelijk is, of zelfs vaststaat, er steeds minder reden bestaat om eisen te stellen aan de (spoedeisende) belangen van de crediteur bij betaling op korte termijn of aan de belangen van de debiteur ten aanzien van het restitutierisico. Daarvan uitgaande oordeelt de voorzieningenrechter als volgt. Spoedeisend belang 4.2. Naar oordeel van de voorzieningenrechter heeft Opos voldoende aannemelijk gemaakt dat zij spoedeisend belang heeft bij toewijzing van de geldvorderingen op [gedaagden] , niet zozeer omdat de (verhaals)mogelijkheden op [gedaagden] in de loop van de tijd mogelijk zullen verslechteren, maar vooral omdat Opos onbetwist heeft gesteld dat haar aandeelhouders de afgelopen tijd uit privémiddelen in totaal 1,5 miljoen euro hebben moeten bijstorten om de liquiditeitspositie van Opos op voldoende niveau te houden. Deze bijstorting was, aldus Opos mede nodig omdat [gedaagden] en in het bijzonder [gedaagde sub 1] , de verplichtingen jegens Opos niet nakomen. Geldvorderingen - verschuldigd en opeisbaar - standpunten partijen 4.3. Opos heeft gesteld dat op grond van de in artikel 13.1 van de Koopovereenkomst neergelegde vrijwaringen de volgende vorderingen op [gedaagde sub 1] heeft en dat [gedaagde sub 2] , als borg, voor betaling daarvan heeft in te staan. - een bedrag van € 1.010,00 ter zake een naheffing loonheffing 2024 voor rekening van [betrokkene 1] . - een bedrag van € 74.154,26 ter zake transitievergoedingen die door Opos zijn betaald aan oud-werknemers van [betrokkene 1] als gevolg van de Carve-Out. - een bedrag van € 522.187,66 dat door Opos moest worden terugbetaald aan verschillende zorgverzekeraars in verband met overschrijding van het zorgplafond. - een bedrag van € 8.307,60 in verband met de kosten van Opos gemaakt in verband met de vrijwaringen. 4.4. Voorts stelt Opos dat [gedaagde sub 1] , en [gedaagde sub 2] als borg, er jegens haar op grond van artikel 14-1 van de Koopovereenkomst voor in heeft te staan dat er per leveringsdatum (2 juni 2025) geen schuldverhoudingen, verplichtingen en/of aansprakelijkheden tussen enerzijds [gedaagde sub 1] en/of enige aan haar gelieerde entiteit en anderzijds [betrokkene 1] bestaan. Volgens Opos heeft [betrokkene 1] nog meerdere te incasseren vorderingen op aan haar gelieerde entiteiten, waaronder T en L Sports B.V. ter hoogte van € 160.723,58. 4.5. De hiervoor omschreven, door Opos gevorderde, schadeposten op grond van artikelen 13.1 en 14 van de Koopovereenkomst behelzen een totaal beloop van € 766.383,10 (te weten: €1.010,00 + €74.154,66 + €522.187,66 + €160.723,58 + €8.307,60) 4.6. [gedaagde sub 1] betwist niet dat zij, uitgaande van de schriftelijke Koopovereenkomst, gehouden is de door Opos gevorderde bedragen aan haar te betalen. Desondanks voert [gedaagde sub 1] twee verweren aan waarom zij nie Zoals [gedaagden] terecht hebben aangevoerd, is het aan Opos om te stellen en aannemelijk te maken dat zij de Rabobank om instemming heeft verzocht. Naar oordeel van de voorzieningenrechter is uit de (overigens eerst ter zitting aangehaalde en getoonde) e-mail van 1 december 2025 van de heer [betrokkene 3] (namens Opos) aan de heer [betrokkene 4] (namens de Rabobank), in combinatie met de e-mail van de heer [betrokkene 4] aan onder meer de heer [betrokkene 3] (Opos) van 21 januari 2026, voorshands oordelend, voldoende aannemelijk geworden dat Opos de Rabobank om instemming met de VSO heeft gevraagd en de Rabobank die instemming heeft geweigerd. Dat de voorwaarde als vervuld heeft te gelden omdat Opos het in vervulling gaan daarvan zou hebben belet, zoals door [gedaagden] is aangevoerd, is niet onderbouwd en niet aannemelijk geworden. Weliswaar kan daarvan sprake zijn ingevolge artikel 6:23 lid 1 BW, maar alleen als de partij die bij het niet-in vervulling gaan belang had, de vervulling heeft belet. [gedaagden] hebben op geen enkele wijze onderbouwd waarom Opos belang had bij het niet-vervullen van de voorwaarde noch dat zij het in vervulling gaan daarvan heeft belet. Ook dit verweer van [gedaagden] wordt daarom verworpen. 4.10. Hetgeen hiervoor is overwogen betekent dat het, vooralsnog oordelend, aannemelijk is dat de vorderingen van Opos op [gedaagde sub 1] in een bodemprocedure (grotendeels) zullen worden toegewezen. Dat geldt voor de vordering op grond van de verstrekte vrijwaringen (artikel 13.1 Koopovereenkomst, in totaal een bedrag van € 597.351,92, te weten € 1.010,00 naheffing loonheffing (13.1 sub a), € 74.154,26 ter zake de Carve-Out (13.1 sub e) en € 522.187,66 teveel ontvangen zorggelden (13.1 sub l). 4.11. De vorderingen, in totaal een bedrag van € 597.351,92, zullen worden toegewezen en [gedaagde sub 1] zal tot betaling daarvan veroordeeld worden. 4.12. [gedaagden] hebben de juistheid van de vordering ten bedrage van € € 160.723,58 ter zake van de vordering van [betrokkene 1] op T en L Sports gemotiveerd betwist. [gedaagden] hebben aangevoerd dat deze vordering niet onder de garantiebepaling van artikel 14 van de Koopovereenkomst valt vanwege het moment waarop die vordering is ontstaan. Gelet op die betwisting is thans niet voldoende aannemelijk dat die vordering in een bodemprocedure zal worden toegewezen. Daarvoor is nadere bewijslevering nodig en zal uitleg moeten worden gegeven aan de reikwijdte van artikel 14 van de Koopovereenkomst. Voor dergelijke bewijslevering leent een kort geding zich niet. Deze vordering wordt daarom afgewezen. 4.13. Voorts heeft Opos gevorderd [gedaagden] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 8.307,60 inzake de door haar gemaakte deurwaarderskosten in verband met de vrijwaringen van artikel 13 van de Koopovereenkomst. Naar oordeel van de voorzieningenrechter heeft Opos onvoldoende spoedeisend belang bij deze relatief geringe geldvordering. Opos stelt slechts de deurwaarderskosten te vorderen die ontegenzeggelijk in rechtstreeks verband staan met dit kort geding en zij de overige proceskosten zal vorderen in een bodemprocedure, maar uit de door haar overgelegde stukken valt dat onderscheid niet te achterhalen. Daarmee staat de omvang van deze geldvordering onvoldoende vast voor toewijzing in kort geding. Borgstelling [gedaagde sub 2] 4.14. Opos vordert ook [gedaagde sub 2] als borg te veroordelen tot betaling van het door [gedaagde sub 1] verschuldigde bedrag op grond van artikelen 13 en 14 van de Koopovereenkomst. Op grond van artikel 4 van de ViV staat [gedaagde sub 2] als borg ervoor in dat [gedaagde sub 1] (voor naamswijziging: [betrokkene 1] Groep B.V. en dus ook zo geduid in de ViV) als verkoper haar verplichtingen uit de ViV behoorlijk en tijdig zal nakomen en [gedaagde sub 2] Opos zal vrijwaren voor de inbreuk op die verplichtingen. Deze borgstelling ziet dus op nakoming van de in de ViV opgenomen verplichtingen van [gedaagde sub 1] om kort gezegd gedurende 36 maan Die functie is vooralsnog oordelend in strijd met het tussen partijen in artikel 8 van de Koopovereenkomst overeengekomen non-concurrentiebeding. [gedaagde sub 2] heeft evenwel betwist dat hij daar daadwerkelijk aan het werk is gegaan. Hij veronderstelde dat hij deze werkzaamheden wel zou mogen doen gelet op de VSO die partijen getekend hebben en waarin andere afspraken zijn gemaakt. Zoals hiervoor is overwogen zijn uit de VSO geen verbintenissen ontstaan nu die overeenkomst door het niet in vervulling gaan van de opschortende voorwaarde niet perfect is geworden. Nadat [gedaagde sub 2] door Opos is gewaarschuwd dat de voorgenomen werkzaamheden bij [betrokkene 11] in strijd zijn met het non-concurrentiebeding en hij daaraan gehouden wordt, heeft hij ervan afgezien deze functie te vervullen. Tatliciocglu heeft dat onderbouwd met een e-mail van 9 januari 2026 afkomstig van [betrokkene 11] waarin wordt bevestigd dat de samenwerking met [gedaagde sub 2] niet zal aanvangen tot in ieder geval 1 februari 2026, althans dat de daadwerkelijke startdatum afhankelijk is van de uitspraak van de rechter in kort geding. Derhalve is vooralsnog oordelend niet aannemelijk geworden dat [gedaagde sub 2] het non-concurrentiebeding daadwerkelijk heeft overtreden en een boete verschuldigd is geworden. De vordering strekkende tot veroordeling van [gedaagde sub 2] tot betaling van (een voorschot op) verbeurde boetes wordt daarom afgewezen. Omdat het [gedaagde sub 2] op grond van het in artikel 8 van de Koopovereenkomst neergelegde non-concurrentiebeding verboden is de voorgenomen werkzaamheden bij [betrokkene 11] te verrichten en [gedaagde sub 2] niet onvoorwaardelijk afstand neemt van zijn voornemen daar werkzaamheden voor te gaan verrichten wordt hem, zoals is gevorderd, geboden zijn werkzaamheden bij [betrokkene 11] gestaakt te houden. De gevorderde dwangsom wordt afgewezen omdat inde Koopovereenkomst reeds een boete is opgenomen. De geheimhoudingsplicht 4.19. De vordering van Opos om [gedaagden] te verbieden het in de Koopovereenkomst opgenomen geheimhoudingsbeding te overtreden, op straffe van verbeurte van een dwangsom wordt afgewezen bij gebrek aan enig gesteld of gebleken belang. In de Koopovereenkomst is een geheimhoudingsbeding opgenomen. Daaraan zijn [gedaagden] gebonden. Dat van overtreding daarvan sprake is, is vooralsnog oordelend in kort geding niet aannemelijk geworden nu niet duidelijk is van wie de informatie in het Dagblad van het Noorden afkomstig is. Proceskosten 4.20. Omdat partijen beiden deels in het (on)gelijk zijn gesteld, ziet de voorzieningenrechter aanleiding de kosten te compenseren, zodat iedere partij haar eigen kosten draagt. 5 De beslissing De voorzieningenrechter 5.1. veroordeelt [gedaagde sub 1] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Opos te betalen een bedrag van € 597.351,92, 5.2. veroordeelt [gedaagde sub 1] tot nakoming van de op haar rustende verplichting tot het geven van inzicht in de nakoming van haar verplichting tot het in stand houden van een bedrag van € 1.000.000,00 aan vermogen in de vorm van cash of cashequivalent die zij te allen tijde binnen een periode van één maand kan omzetten in vrij beschikbare geldmiddelen, zulks binnen één week na betekening van dit vonnis, 5.3. veroordeelt [gedaagde sub 1] tot nakoming van haar verplichting, voor zover daaraan niet wordt voldaan, tot het in stand houden van een bedrag van € 1.000.000,00 aan vermogen in de vorm van cash of cashequivalent die zij te allen tijde binnen een periode van één maand kan omzetten in vrij beschikbare geldmiddelen en daarvan bewijs te leveren aan Opos, zulks binnen twee weken na betekening van dit vonnis, 5.4. gebiedt [gedaagde sub 2] om zijn (voorgenomen) werkzaamheden bij [betrokkene 11] gestaakt te houden, 5.5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 5.6. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. E.W. de Groot en in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2026. Artikel 13.1 sub (a) van