Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2026-03-02
ECLI:NL:RBGEL:2026:1544
RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 25/530 uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen [eiser] en [eiseres] , uit [plaats] , eisers (gemachtigde: mr. L Gijsen), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijchen (gemachtigde: mr. J.W. Meelkop, F. van Gestel) Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij 1] en [derde-partij 2] (derde-partij). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college om een omgevingsvergunning te verlenen voor het bouwen van een woning met bijgebouw en het realiseren van een inrit. Eisers zijn het niet eens met dit besluit. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de omgevingsvergunning. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepsgronden niet slagen. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.2. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. Procesverloop 2. Op 23 januari 2024 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een woning met bijgebouw en het realiseren van een inrit. In de beslissing op bezwaar van 17 december 2024 is het college bij dit besluit gebleven. 2.1. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 28 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van het college en de derde-partij. Plattegrond ter illustratie. Totstandkoming bestreden besluit 3. Bij besluit van 2 maart 2023 heeft de raad het bestemmingsplan “ [naam bestemmingsplan 1] ” (hierna: het bestemmingsplan) vastgesteld. Het bestemmingsplan voorziet in de nieuwbouw van een levensloopbestendige woning op het perceel [locatie 1] [huisnummer 1] in [plaats] . De woning is voorzien op gronden met onder meer de bestemming “Wonen” en de functieaanduiding “specifieke vorm van wonen, levensloopbestendige woning”. Op grond van het vorige bestemmingsplan “[naam bestemmingsplan 2]” was de bouw van de levensloopbestendige woning op het perceel niet toegestaan. Het plangebied ligt net binnen de bebouwde kom, aan een doodlopende zijtak van de [locatie 1] . De noordzijde van het perceel grenst aan deze zijtak van de [locatie 1] . Aan de oostzijde van het perceel staat de huidige woning met huisnummer [huisnummer 1] . Deze woning krijgt het adres [locatie 2] [huisnummer 2b] . De voorziene woning wordt het nieuwe adres [locatie 1] [huisnummer 1] . De zuidzijde van het perceel grenst aan de tuin van [locatie 2] [huisnummer 2a] . De westzijde grenst aan de achtertuinen van [locatie 1] [huisnummer 3] tot en met [huisnummer 4] . Eisers wonen aan de [locatie 1] [huisnummer 3] , in de directe nabijheid van het perceel. Zij hebben beroep ingesteld tegen het bestemmingsplan. In de uitspraak van 11 juni 2025 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) het beroep van eisers tegen het bestemmingsplan ongegrond verklaard. 3.1. Inmiddels had het college op 23 januari 2024 een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een woning met bijgebouw , het afwijken van het bestemmingsplan wegens overschrijding van de toegestane bouwhoogte en het realiseren van een inrit op het perceel [locatie 1] [huisnummer 1] te [plaats] . Eisers hebben tegen deze beslissing bezwaar gemaakt, omdat volgens hen niet wordt voldaan aan artikel 6.37 en 6.38 van het Bouwbesluit wat betreft de vereiste breedte van de verbindingsweg met de [locatie 2] en de eisen voor de opstelplaats. Ook stellen eisers dat sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering, waardoor de omgevingsvergunning had moeten worden geweige Zoals blijkt uit het advies van de Brandweer Gelderland-Zuid van 15 november 2024, en zoals ook door het college wordt bevestigd, moeten de aanwezige penanten worden verwijderd om een breedte van 4,5 meter te kunnen garanderen. Verder stellen eisers dat, ook wanneer deze maatregelen worden uitgevoerd, nog steeds sprake is van strijd met artikel 6.37, derde lid, van het Bouwbesluit 2012. Eisers voeren aan dat nergens uit blijkt dat de brandweer de breedte van de weg daadwerkelijk heeft opgemeten; evenmin is eisers bekend dat het college in dit kader metingen heeft verricht. Tot op heden is volgens eisers onvoldoende vastgesteld dat de verbindingsweg zonder penanten minimaal 4,5 meter breed is. Daarnaast stellen eisers dat onvoldoende is gewaarborgd dat de doorgang vanaf de opstelplaats de minimale breedte van 4,5 meter heeft en dat deze in de toekomst niet zal worden geblokkeerd door een bouwwerk of erfafscheiding. 7.1. De beroepsgrond slaagt niet. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 11 juni 2025 geoordeeld dat de raad zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de voorziene woning goed bereikbaar zal zijn voor hulpdiensten. De gronden die eisers in deze procedure naar voren hebben gebracht geven geen aanleiding om daar anders over te oordelen. Op grond van het Bouwbesluit moet de verbindingsweg een minimale breedte hebben van 4,5 meter en verhard zijn over een breedte van 3,25 meter. In reactie op het aangeleverde rapport “Beoordeling bereikbaarheid hulpdienstenverlening bouwplan [locatie 1] [huisnummer 1] te [plaats] ” heeft het college ook eigen metingen uitgevoerd. Uit deze metingen blijkt dat over de gehele lengte van de toegangsweg wordt voldaan aan de vereiste breedte; hierbij is gemeten van hek tot hek. Het college heeft op basis van het advies van de Veiligheidsregio Gelderland-Zuid en de zelf uitgevoerde metingen kunnen concluderen dat aan de vereiste breedte wordt voldaan. Dat de naastgelegen haag door het hek kan groeien, doet hier niet aan af, nu de haag regelmatig wordt gesnoeid waardoor een goede doorgang gewaarborgd blijft. Ten aanzien van hetgeen eisers aanvoeren over de opstelplaats voor de brandweer geldt dat op advies van de Veiligheidsregio Gelderland-Zuid is voorzien in een opstelplaats op het perceel [locatie 2] [huisnummer 2b] . Hierdoor is de woning in geval van brand goed bereikbaar. Verder is op de situatietekening een doorgang tussen de percelen opgenomen, waarmee de doorgang is geborgd. Voor deze doorgang geldt, anders dan eisers stellen, geen eis van een minimale breedte van 4,5 meter. Conclusie en gevolgen 8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college kon besluiten tot verlening van de omgevingsvergunning. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van mr. J. van Oosterhout, griffier. Uitgesproken in het openbaar op griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage Bouwbesluit 2012 Artikel 6.37. Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten 1. Tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een bouwwerk voor het verblijven van personen ligt een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en and