Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2026-02-06
ECLI:NL:RBGEL:2026:1481
RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummers: ARN 26/398 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 februari 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [verzoeker], uit [plaats], verzoeker en de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR (gemachtigde: I. Metaal). Inleiding 1. Dit proces-verbaal bevat een zakelijke weergave van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van het CBR om aan hem een Lichte Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (LEMA) op te leggen. 1.1. Het CBR heeft bij besluit van 19 november 2025 bepaald dat verzoeker een LEMA-cursus moet volgen, omdat hij op 5 november 2025 is aangehouden met te veel alcohol op. Met het bestreden besluit van 6 januari 2026 op het bezwaar van verzoeker is het CBR bij dat besluit gebleven. 1.2. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om het bestreden besluit bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen. 1.3. Het CBR heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. 1.4. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 6 februari 2026 op zitting behandeld. Verzoeker en de gemachtigde van het CBR hebben deelgenomen aan de zitting. 1.5. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. Een zakelijk weergave van deze uitspraak wordt hieronder weergegeven. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. De voorzieningenrechter zet eerst kort uiteen hoe het bestreden besluit tot stand is gekomen. Vervolgens beoordeelt de voorzieningenrechter of er aanleiding bestaat om het bestreden besluit bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het beroep een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan namelijk een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Totstandkoming van het bestreden besluit 3. Verzoeker is op 5 november 2025 staande gehouden door twee agenten van de politie. Bij het aanspreken van verzoeker roken de verbalisanten, zo blijkt uit het proces-verbaal, een alcoholgeur en gelet daarop hebben de agenten verzoeker gevorderd om mee te werken aan een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht (voorlopig ademonderzoek). Het ademtestapparaat gaf een alcoholindicatie van A/G aan. Verzoeker is daarom aan een ademanalyse onderworpen op het politiebureau. Uit de ademanalyse kwam een waarde van 405 μg/l naar voren. De politie heeft de bevindingen doorgegeven aan het CBR. Hierop heeft het CBR het besluit genomen zoals in de inleiding is genoemd. Is het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand gekomen en onvoldoende gemotiveerd? 4. Verzoeker stelt in zijn beroepschrift het resultaat van de ademanalyse (405 μg/l) op zichzelf niet ter discussie, maar voert aan dat er vanwege medische redenen een (mogelijke) verklaring is voor het hoge alcoholpromillage en dat het CBR hier te makkelijk aan voorbij is gegaan. Dit is volgens verzoeker in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. In het kader van de te trachten zorgvuldigheid had het CBR de beslissing op bezwaar moeten aanhouden in afwachting van de beschikbaarheid van de medische bevindingen uit een door verzoeker aangekondigd medisch traject, aldus verzoeker. 4.1. De voorzieningenrechter stelt voorop dat verzoeker er in zijn bezwaarschrift op heeft gewezen dat er in het verleden bij hem een abnormaal verlengd en gelegen dolichosigmoid is vastgesteld, waarbij sprake is van een inwendige herniatie. In het gehernieerde deel van het dolichosigmoid is een overmatige aanwezigheid van gist- en schimmelflora in de darm waargenomen, aldus verzoeker. Deze medische omstandigheden zouden volgens verzoeker kunnen leiden tot endogene alcoholproductie (het auto-brewery syndrome) , hetgeen het gemeten alcoholgehalte mogelijk zou kunnen verklaren. 4.2. Anders dan verzoeke