Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2026-02-18
ECLI:NL:RBGEL:2026:1401
RECHTBANK GELDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Arnhem parketnummer : 05-881035-17 v.i. nummer : 89-000094-37 raadkamernummer : 26-004095 datum : 18 februari 2026 beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 6:6:8 van het Wetboek van Strafvordering van: [veroordeelde] , geboren op [geboortedag] 1973 te [geboorteplaats] (Indonesië), thans verblijvende te P.I. [plaats] , hierna te noemen: veroordeelde. Advocaat: mr. W.E.R. Geurts, advocaat te Amsterdam. 1 Feiten 1.1 Bij onherroepelijk geworden arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 23 december 2021 is veroordeelde tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar en acht maanden veroordeeld. In cassatie heeft de Hoge Raad op 23 mei 2023 de opgelegde gevangenisstraf gematigd naar zes jaar en zeven maanden, in verband met overschrijding van de redelijke termijn. 1.2 Op 25 september 2024 heeft het openbaar ministerie de beslissing over de voorwaardelijke invrijheidstelling van veroordeelde uitgesteld voor een periode van maximaal 120 dagen of zoveel dagen minder dat veroordeelde geplaatst kan worden in een geschikte klinische behandelinstelling, te rekenen vanaf 28 oktober 2024. 1.3 De advocaat heeft namens veroordeelde op 30 september 2024 bezwaar gemaakt tegen deze beslissing. 1.4 Op 6 december 2024 heeft het openbaar ministerie bepaald dat de voorwaardelijke invrijheidstelling van veroordeelde ingaat op 11 december 2024, met een proeftijd van 686 dagen en onder algemene en bijzondere voorwaarden. Bij het niet nakomen van een van de voorwaarden kan de voorwaardelijke invrijheidstelling worden herroepen voor een periode van 686 dagen. 1.5 Op 27 oktober 2025 heeft het openbaar ministerie beslist dat de voorwaardelijke invrijheidstelling van veroordeelde wordt herroepen voor de duur van 365 dagen en dat de verdere tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf wordt gelast. 1.6 Op 30 oktober 2025 heeft de advocaat namens veroordeelde bezwaar ingediend tegen deze herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling. 1.7 Op 18 december 2025 heeft de rechtbank het bezwaar deels gegrond verklaard, in die zin dat de herroeping 120 dagen bedraagt, en bepaald dat veroordeelde op 25 februari 2026 in vrijheid zal worden gesteld. 1.8 Op 9 februari 2026 heeft het openbaar ministerie de beslissing over de voorwaardelijke invrijheidstelling van veroordeelde uitgesteld voor een periode van maximaal 30 dagen of zoveel dagen minder dat veroordeelde geplaatst kan worden in de klinische behandelinstelling GGZ [kliniek 1] , te rekenen vanaf 25 februari 2026. 1.9 De advocaat heeft namens veroordeelde op 10 februari 2026 bezwaar gemaakt tegen deze beslissing. 2 Procedure 2.1 Het bezwaar tegen de beslissing van het openbaar ministerie op 10 februari 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen. Het openbaar ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt. 2.2 De raadkamer heeft op 18 februari 2026 het bezwaarschrift ter openbare zitting behandeld, Ter zitting zijn gehoord: - veroordeelde; - de advocaat; - de officier van justitie mr. A.M. de Vries. 3 De standpunten De verdediging 3.1 Namens veroordeelde heeft de advocaat aangevoerd dat de beslissing tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor de duur van maximaal 30 dagen pas op 9 februari 2026 is genomen en op 10 februari 2026 aan veroordeelde is betekend. Volgens art. 4.3 van de aanwijzing voorwaardelijke invrijheidstelling wordt een veroordeelde uiterlijk vier weken voor het tijdstip waarop hij in aanmerking komt voor voorwaardelijke invrijheidstelling door het openbaar ministerie in kennis gesteld van de beslissing om de voorwaardelijke invrijheidstelling al dan niet te verlenen. In het artikel wordt ook genoemd dat deze beslissing ook kan inhouden dat een beslissing over het verlenen van voorwaardelijke invrijheidstelling wordt uitgesteld. Nu de rechtbank op 18 december 2025 heeft bepaald dat veroordeelde op 25 februari 2026 voorwaardelijk in vrijheid zal worden gesteld,