Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2026-02-26
ECLI:NL:RBGEL:2026:1400
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,982 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBGEL:2026:1400 text/xml public 2026-03-04T17:00:31 2026-02-25 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-02-26 ARN 25_376 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:1400 text/html public 2026-03-03T10:24:21 2026-03-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:1400 Rechtbank Gelderland , 26-02-2026 / ARN 25_376 Compensatie herstel toeslagen. Het beroep is ongegrond. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat haar partner schade heeft geleden in de vorm van inkomensverlies of gemaakte studiekosten als gevolg van de toeslagenaffaire. Omdat de dienst het primaire besluit heeft gewijzigd vanwege gewijzigde regelgeving, heeft eiseres geen recht op een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase. RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 25/376 uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen [eiseres], uit [plaats], eiseres (gemachtigde: mr. P.G.W. van Wees), en Dienst Toeslagen (gemachtigde: [gemachtigde]). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de gedeeltelijke afwijzing van compensatie voor geleden inkomensschade vanwege vertraging in de studie, compensatie voor gemaakte (extra) studiekosten en immateriële schadevergoeding. Eiseres is het niet eens met de gedeeltelijke afwijzing. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit van de dienst om geen compensatie toe te kennen. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de dienst terecht een deel van de verzochte compensatie heeft afgewezen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiseres heeft als slachtoffer van het toeslagenschandaal een verzoek ingediend tot aanvullende compensatie voor werkelijke schade bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS). Naar aanleiding van het advies van CWS heeft de dienst bij besluit van 12 april 2022 aan eiseres een aanvullende compensatie van € 12.269 toegekend. Met het bestreden besluit van 18 december 2024 op het bezwaar van eiseres heeft de dienst het bezwaar ongegrond verklaard. Wel heeft de dienst een aanvullende compensatie toegekend van € 2.014 als gevolg van de toepassing van aangepast beleid, waaruit een hogere compensatie voortvloeit. De dienst heeft de gevraagde compensatie ten aanzien van de partner van eiseres gedeeltelijk afgewezen omdat de hoogte van de gestelde inkomensschade en de extra studiekosten van de partner onvoldoende onderbouwd is. 2.1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De dienst heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 28 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de dienst. Beoordeling door de rechtbank Omvang van het geschil 3. De rechtbank stelt vast dat het geschil alleen betrekking heeft op de verzochte compensatie vanwege inkomensschade, studiekosten en immateriële schade van de partner van eiseres. Heeft de dienst de gevraagde compensatie voor inkomensverlies mogen afwijzen? 4. Eiseres betoogt dat de dienst ten onrechte geen compensatie heeft toegekend voor het inkomensverlies van de partner van eiseres. Door het toeslagenschandaal is de partner gestopt met zijn studie. Hij heeft pas sinds 2020 een regulier inkomen. Als hij niet was gestopt met zijn studie en een diploma had gehaald, had hij dit inkomen eerder gehad. 4.1. Als uitgangspunt geldt dat de aanvrager van compensatie voor werkelijke schade aannemelijk dient te maken dat en in welke mate de door hem werkelijk geleden schade overeenkomstig het civiele schadevergoedingsrecht hoger is dan na het na de integrale beoordeling toegekende bedrag. Concreet betekent dit dat eiseres aannemelijk moet maken dat zij daadwerkelijk schade heeft geleden, hoe hoog die schade is en dat er een causaal verband bestaat tussen de geleden schade en de handelwijze van de dienst. 4.2. Deze beroepsgrond slaagt niet. De dienst heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht geconcludeerd dat eiseres onvoldoende informatie heeft aangeleverd over de vervolgopleiding van de partner van eiseres. De gemachtigde van eiseres heeft op de zitting verklaard dat de partner van eiseres niet is begonnen met een vervolgopleiding en dat zij daarom geen informatie kan aanleveren. Uit het dossier blijkt echter dat eiseres op verschillende momenten heeft verklaard dat haar partner weldegelijk met de vervolgopleiding was begonnen, maar deze moest afbreken. De verklaringen zijn tegenstrijdig. Het is daarom niet duidelijk of en wanneer de partner met de vervolgopleiding is begonnen en of die ook is afgebroken. Eiseres heeft, ondanks herhaalde verzoeken om onderliggende stukken aan te leveren, volstaan met de toelichting dat haar partner een vervolgopleiding op zijn DTP-opleiding volgde, dat hij door alle stress hiermee is gestopt en een minder goed betaalde baan heeft aangenomen. Eiseres heeft niet met bijvoorbeeld een bewijs van inschrijving of facturen voor opleidingskosten aannemelijk gemaakt dat haar partner de opleiding daadwerkelijk zou gaan volgen of heeft gevolgd. Ook heeft de dienst terecht geconcludeerd dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een causaal verband is tussen het later beginnen of stoppen met de opleiding, het inkomensverlies en het toeslagenschandaal. De dienst heeft de gevraagde compensatie voor inkomensverlies terecht afgewezen. Heeft de dienst de gevraagde compensatie voor studiekosten mogen afwijzen? 5. Eiseres betoogt dat de dienst ten onrechte de studiekosten van de partner van eiseres niet heeft vergoed. Hij heeft € 10.000 moeten betalen en kreeg geen studiekostenvergoeding van DUO. Misschien moet hij ook nog studiekosten terugbetalen omdat hij met zijn studie is gestopt. 5.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de dienst terecht geconcludeerd dat het niet aannemelijk is dat de gestelde studiekosten het gevolg zijn van het toeslagenschandaal. Eiseres heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom de (gestelde) in 2018 gemaakte studiekosten voor een opleiding tot zelfstandig rijinstructeur verband houden met de terugbetaling van kinderopvangtoeslag in 2014, terwijl die terugvordering al in 2015 is gecorrigeerd. Het betreft ook geen vervolgopleiding op de eerder door de partner gevolgde DTP-opleiding. Bovendien, als een causaal verband al zou bestaan, heeft eiseres geen bewijsmiddelen ingediend waaruit de hoogte van de studiekosten blijkt, hoewel hierom meerdere keren is verzocht. De dienst heeft de gevraagde compensatie voor studiekosten terecht afgewezen. Had de dienst meer compensatie wegens immateriële schade moeten toekennen? 6. Eiseres betoogt dat er ten onrechte geen hogere compensatie wegens immateriële schade is toegekend aan de partner van eiseres vanwege de studievertraging. 6.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. Zoals blijkt uit rechtsoverweging 4.2, heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat er sprake was van studievertraging door het toeslagenschandaal. De dienst had alleen daarom al terecht geen hogere compensatie toegekend voor de immateriële schadevergoeding vanwege de gestelde studievertraging. Had de dienst proceskostenvergoeding in bezwaar moeten toekennen? 7. Eiseres betoogt dat de dienst ten onrechte geen proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase heeft toegekend. Dit is niet volgens het advies van de bezwaarschriftenadviescommissie en onvoldoende gemotiveerd. 7.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. In het bestreden besluit heeft de dienst toegelicht dat er geen proceskostenvergoeding wordt toegekend omdat het primaire besluit niet wordt herroepen vanwege een onrechtmatigheid die aan het bestuursorgaan is te wijten, maar vanwege een aangepast schadekader.