Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-11-05
ECLI:NL:RBGEL:2025:9948
Strafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,816 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBGEL:2025:9948 text/xml public 2026-03-30T14:06:03 2025-11-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2025-11-05 25-017471 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2025:9948 text/html public 2025-11-24T14:42:45 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2025:9948 Rechtbank Gelderland , 05-11-2025 / 25-017471 Artt. 552a Sv, 33a Sr: geldbedrag in beslag genomen wegens verdenking voorbereiden drugsfeiten en witwassen. Deze laatste verdenking is inmiddels vervallen. Kennelijk gaat OM er van uit dat het geld is verdiend met het Opiumwet-feit, maar het is, zonder nadere uitleg, moeilijk in te zien hoe geld kan worden verdiend met het voorbereiden van drugsdelicten. Beklag gegrond. RECHTBANK GELDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Arnhem parketnummer : 05-219099-25 raadkamernummer : 25-017471 datum raadkamer : 22 oktober 2025 datum uitspraak : 5 november 2025 beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van: [klager] , geboren op [Geboortedatum] te [Geboorteplaats] , wonende op het adres [Adres] , [Postcode] in [Woonplaats] , mr. E.A.M.J. Heffels, advocaat te Arnhem, hierna te noemen: klager, tevens beslagene. Feiten Uit de kennisgeving van inbeslagname op grond van artikel 94 Sv, blijkt dat op 27 augustus 2025 onder klager in het strafvorderlijk onderzoek een geldbedrag in beslag is genomen. Procedure Het klaagschrift is op 4 juli 2025 ter griffie van deze rechtbank ontvangen. Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt. De rechtbank heeft op 3 september 2025 en op 22 oktober 2025 het klaagschrift in openbare raadkamer behandeld. De rechtbank heeft klager, de advocaat, mr. E.A.M.J. Heffels en de officier van justitie in raadkamer gehoord. Beklag Het beklag strekt tot teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp, te weten: - een geldbedrag van 6500 EUR Klager heeft een zogenaamde '30 dagen-brief' d.d. 28 augustus 2024 ontvangen omdat hij wordt verdacht van witwassen. Namens klager is op 19 september 2024 op deze brief gereageerd en klager heeft via bijlagen in het klaagschrift bewijsstukken over de herkomst van het geld aangeleverd. Hij heeft het geldbedrag geleend van zijn verloofde, mevrouw [naam] . Zij heeft dit geldbedrag contant opgenomen bij de [bank] in Duitsland. Klager wil het geldbedrag retour om zijn verloofde weer terug te betalen. In raadkamer heeft de advocaat naar voren gebracht dat zij geen verdenking ziet ex artikel 10a van de Opiumwet. De koopovereenkomst is namelijk niet van de grond gekomen: er is niet betaald en er is niet geleverd. Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat er nog wel voldoende verdenking bestaat voor de voorbereidingshandelingen, dan ziet de advocaat namelijk niet waarom het geldbedrag op de inhoudelijke zitting verbeurd zal worden verklaard. Standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie verzet zich tegen teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp aan klager. De officier van justitie merkt op dat voortduring van het beslag noodzakelijk is omdat het geld vatbaar is voor verbeurd verklaring en hierop een beslissing moet worden genomen tijdens de inhoudelijke zitting. Het Openbaar Ministerie is van mening dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter later oordelend de verbeurdverklaring zal bevelen. Beoordeling De rechtbank is bevoegd. Het beklag is schriftelijk gedaan en ingediend binnen twee jaren na inbeslagneming. Klager is daarom ontvankelijk in het beklag. De rechtbank is aan de hand van de haar ter beschikking staande gegevens nagegaan of een ander dan klager als belanghebbende moet worden aangemerkt. Hiervan is de rechtbank niet gebleken. In geval van een beklag tegen een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag dient de rechtbank eerst te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Als het strafvorderlijk belang voortduring van het beslag vordert, wordt geen teruggave gelast. Als er geen strafvorderlijk belang aan teruggave in de weg staat, vindt teruggave plaats aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave als het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer dat voorwerp kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen, -ook in een zaak betreffende een ander dan de klager-, wanneer dat voorwerp kan dienen om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen of indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of de onttrekking aan het verkeer van dat voorwerp zal bevelen. Uit de stukken en hetgeen in raadkamer is besproken, is het volgende gebleken. Verbalisanten hebben een verdachte gang van zaken gezien op 27 augustus 2025 waarbij drie personen betrokken waren, waaronder klager. Bij één van hen worden een geldbedrag van € 1.100,- en een gasmasker aangetroffen, bij een ander een jerrycan met daarin kennelijk amfetamine en bij klager een bedrag van € 6.500,-, Klager werd in eerste instantie verdacht van witwassen en voorbereidingshandelingen voor de productie van amfetamine. Vervolgens heeft klager informatie verschaft over herkomst van het geldbedrag, dat hem zou zijn geleend voor zijn vriendin. Voor het openbaar ministerie was deze informatie kennelijk voldoende om de witwasverdenking te laten vallen. Resteert de verdenking van artikel 10a Opiumwet. Het openbaar ministerie heeft niet méér aangevoerd dan dat in verband met deze verdenking verbeurdverklaring in de rede ligt. De rechtbank gaat er, bij gebreke van een nadere toelichting, van uit dat dit geldbedrag dan zou zijn verkregen door strafbaar handelen. De rechtbank kan echter niet inzien hoe het voorbereiden van een Opiumwetdelict kan leiden tot geldelijk gewin. Winst wordt doorgaans pas gemaakt door het verkopen van de drugs n niet door het voorbereiden daarvan of het enkele in bezit hebben daarvan (HR 15 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1620 (https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2022:1620); HR 5 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1695 (https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2023:1695); HR 30 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:124 (https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2024:124)). De rechtbank is van oordeel dat op basis van de stukken het niet hoogstwaarschijnlijk is dat het inbeslaggenomen geldbedrag verbeurd zal worden verklaard. De rechtbank zal dan ook teruggave aan de klager gelasten. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beklag gegrond en gelast de teruggave van het inbeslaggenomen geldbedrag aan klager. Deze beslissing is gegeven door mr. F.J.H. Hovens, rechter, in tegenwoordigheid van R.M.J. van den Bogaart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 november 2025. Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor het Openbaar Ministerie beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien (14) dagen na dagtekening van deze beslissing.