Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2025-02-04
ECLI:NL:RBGEL:2025:9759
RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Zutphen Parketnummer: 05/273892-24 Datum uitspraak : 4 februari 2025 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1998 in [geboorteplaats] , in de basisregistratie personen ingeschreven op het adres [adres] [postcode] in [woonplaats] . Raadsvrouw: mr. M.H.A. Dibbits, advocaat in Arnhem. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting. 1 De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: 1. hij op of omstreeks 5 januari 2024 in de gemeente Nijmegen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 1] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten - een of meerdere bankpassen, - een of meerdere (gouden) sieraden, en/of - een contant geldbedrag (van in totaal € 6.100,-), door - die [slachtoffer 1] telefonisch te benaderen en zich voor te doen als bankmedewerker(s), - die [slachtoffer 1] te melden dat de bankrekening van die [slachtoffer 1] in gevaar is en dat is geprobeerd om die [slachtoffer 1] te hacken, - die [slachtoffer 1] te melden dat zij haar bankpassen moet verstrekken aan een collega/bankmedewerker, - zich (al dan niet in de hoedanigheid van bankmedewerker) te melden bij de woning van die [slachtoffer 1] , - die [slachtoffer 1] te melden dat de mensen die achter de aanval zaten, mogelijk ook naar de woning van die [slachtoffer 1] zouden komen en/of dat die [slachtoffer 1] de sieraden en het contante geld beter ook maar kon meegeven, althans woorden van gelijke aard en/of strekking, - ( aldaar) de voornoemde bankpassen en/of (gouden) sieraden en/of het contante geldbedrag in ontvangst te nemen, en/of - ( aldus) die [slachtoffer 1] te bewegen tot de afgifte van voornoemde goederen; 2. hij op een of meerdere tijdstippen of omstreeks 5 januari 2024 in de gemeente Nijmegen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meerdere geldbedragen (van in totaal € 1.000,-), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen geldbedrag(en)/goed(eren) onder G850101848003 zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten de bankpassen van die [slachtoffer 1] en de bijbehorende pincodes, tot het gebruik waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) niet gerechtigd, gemachtigd en/of bevoegd was/waren; 3. hij op of omstreeks 6 februari 2024 in de gemeente Arnhem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 2] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten - een bankpas, en/of - een contant geldbedrag (van in totaal € 1.500,-), door - die [slachtoffer 2] telefonisch te benaderen en zich voor te doen als bankmedewerker(s), - die [slachtoffer 2] te melden dat de politie gebeld heeft en dat fraude is gepleegd met de bankrekening van die [slachtoffer 2 Feit 4: medeplegen van diefstal van [slachtoffer 2] Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. Bewijsmiddelen: - het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , p. 9 t/m 11; - het aanvullend proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , p. 14; - het afschrift van de bankrekening van aangeefster, p. 13; - het proces-verbaal van bevindingen, p. 20 en 21; - de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 21 januari 2025. Feit 5 De feiten Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld. Op 16 februari 2024 heeft verdachte een Marsverpakking met 65 gram hasj afgeleverd aan zijn broer in de penitentiaire inrichting te [plaats] (PI [plaats] ). Dit betreft een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het afleveren van drugs als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II . Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft bepleit dat verdachte wordt vrijgesproken van het primair tenlastegelegde feit. Verdachte heeft weliswaar de Marsverpakking met de hasj aan zijn broer gegeven, maar dat hij dacht dat het om een normale Marsreep ging en wist niet dat er (65 gram) hasj in de verpakking zat. Verdachte had aldus geen opzet op het aanwezig hebben en afleveren van drugs. Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. Beoordeling door de rechtbank Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij buiten van ‘gewoon iemand’ een Marsreep heeft gekregen met het verzoek deze mee naar binnen te nemen. Op de camerabeelden van het bezoek van verdachte aan zijn broer in de PI [plaats] is te zien dat verdachte divers snoepgoed kocht in de automaat in de bezoekersruimte. Daar was één Marsreep bij. Later waren er twee Mars repen te zien op de camerabeelden. Verder was te zien dat verdachtes broer één Marsreep pakte en deze later verstopte in de mouw van zijn vest. In de bezoekersruimte is vervolgens op de camerabeelden te zien dat verdachte onder meer twee Bueno’s, één zakje van het merk Dove en één Marsreep vast hield. Alle verpakkingen waren nog gesloten. Eén seconde later is er weer zicht op de bezoekerstafel en is te zien dat er nu twee Marsrepen op tafel lagen. Eén van deze twee Marsrepen verstopte de broer van verdachte in de mouw van zijn vest. Later pakt hij ook de andere reep. Als de verpakking van de tweede reep is opgemaakt is te zien dat daar chocolade in zit. Het bezoek werd beëindigd, omdat verbalisanten zagen dat er een ketting werd overgedragen tussen verdachte en zijn broer. Op dat moment werd de broer van verdachte meegenomen naar de visitatie. Aldaar werd 65 gram drugs gelijkende substantie aangetroffen in een Marsverpakking. Uit de aangehaalde bewijsmiddelen volgt dat verdachte de reep die hij naar eigen zeggen op verzoek van een ander PI [plaats] in heeft gebracht heeft gelegd naast een echte Marsreep die hij daar heeft gekocht. Zijn broer pakt vervolgens alleen de naar binnen gebrachte reep waar later hasj in blijkt te zitten en verstop die in zijn mouw, de andere reep met chocola wordt ter plekke opengemaakt. Uit de wijze waarop de reep met hasj wordt gepakt en verstopt volgt dat de broer moet hebben geweten dat die geen legale inhoud had. Gelet op de ongebruikelijkheid van het verzoek om een specifieke Marsreep aan een gevangenen te geven alsmede de wijze van aanbieden van de reep, door hem te leggen naast een ter plaatse in de automaat gekochte mars reep op de bezoekerstafel, kan het niet anders dan dat (ook) verdachte ten minste de voorwaardelijke kans voor lief heeft genomen en daarmee de voorwaardelijke opzet had dat de reep een illegale inhoud hij op of omstreeks 16 februari 2024 in de gemeente [plaats] opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en /of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 65 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: feit 2: Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel feit 3: Medeplegen van oplichting feit 4: Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel feit 5 (primair): Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod 5 De strafbaarheid van de feiten De feiten zijn strafbaar. 6 De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte, ten aanzien van alle tenlastegelegde feiten, zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 170 uren en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Reclassering. De officier van justitie komt tot deze eis op grond van de richtlijnen van het Openbaar Ministerie, de hoogte van de buit, het feit dat verdachte in de woning van de slachtoffers is geweest en het strafblad van verdachte. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft bepleit dat rekening wordt gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het feit dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van toepassing is. Verdachte is in staat een taakstraf uit te voeren en hij is bereid zich te conformeren aan eventueel op te leggen bijzondere voorwaarden. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de diefstal van een pinpas, een geldbedrag en sieraden van [slachtoffer 2] . Bovendien heeft hij niet alleen met die pinpas van [slachtoffer 2] gepind en zo geld gestolen, dat heeft hij ook met de gestolen pinpas van [slachtoffer 1] gedaan. Tenslotte heeft verdachte 65 gram hasj de PI [plaats] binnengebracht en aan een gedetineerde aldaar afgeleverd. Verdachte heeft op doortrapte wijze de bankpas van [slachtoffer 2] , een bejaarde en kwetsbare dame, ontvreemd. Hij heeft met deze bankpas en met de bankpas van [slachtoffer 1] , eveneens een oudere dame, geldbedragen opgenomen ten laste van de rekeningen van genoemde slachtoffers. Verdachte heeft in deze zaken puur uit financieel gewin gehandeld en heeft geen rekening gehouden met de mogelijke gevolgen daarvan voor de slachtoffers. Hij heeft deze door hun hoge leeftijd kwetsbare mensen als gemakkelijke prooi gezien. Met zijn optreden heeft hij het vert Immateriële schade De rechtbank kan zonder nadere onderbouwing en bewijslevering, waarvoor binnen het strafproces geen ruimte is, nu dit daarvan een onevenredige belasting zou betekenen, niet vaststellen dat sprake was van een aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) of van een andere in dat artikel genoemde grond voor een dergelijke vergoeding. Dit geldt te meer nu de rechtbank verdachte vrijspreekt van het onder feit 1 tenlastegelegde. De rechtbank zal benadeelde daarom ook voor wat betreft de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren. Ten aanzien van de vordering van benadeelde [slachtoffer 2] Materiële schade De vordering is ten aanzien van de materiële schade door de verdediging inhoudelijk niet betwist. Nu deze naar het oordeel van de rechtbank verder voldoende is onderbouwd en redelijk voorkomt, is zij van oordeel dat het gevorderde bedrag aan materiële schade, ter hoogte van € 1.500,00, kan worden toegewezen. Immateriële schade De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden. De rechtbank heeft daarbij gekeken naar de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij. Er is gesteld dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze, als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek en dit is door de verdediging niet betwist. De rechtbank begroot de door de benadeelde geleden schade naar billijkheid op een bedrag van € 500,00. Voor het overige wordt de vordering van de benadeelde partij afgewezen. 9 De toegepaste wettelijke bepalingen De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen: - 9, 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht; - 3 en 11 van de Opiumwet. 10 De beslissing De rechtbank: spreekt verdachte vrij van het onder feit 1 ten laste gelegde feit; verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij; verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’; verklaart verdachte hiervoor strafbaar; legt op een taakstraf van 240 uren , met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen; veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden ; bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren niet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden: stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte; zich na het onherroepelijk worden van het vonnis binnen drie werkdagen meldt bij de reclassering IrisZorg. Hij meldt zich op de Nieuwe Oeverstraat 65 in Arnhem, telefoonnummer 088-6061311. Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de opdrachten en aanwijzingen die hij krijgt van de reclassering. Het meewerken aan huisbezoeken is onderdeel van de meldplicht; zich laat begeleiden door een nader te identificeren instelling, te bepalen door de reclassering. De begeleiding duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de begeleiding; werkt mee aan een plaatsing bij een nader te indiceren instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering, indien dit vanuit het nog op te leggen toezicht noodzakelijk blijkt. Het verblijf duu