Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-11-06
ECLI:NL:RBGEL:2025:9453
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,822 tokens
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Familie- en jeugdrecht
Zittingsplaats Zutphen
Zaakgegevens: C/05/446414 / FZ RK 25/146
Datum uitspraak: 6 november 2025
beschikking vervangende toestemming verhuizing, hoofdverblijfplaats en zorgregeling
in de zaak van:
[naam moeder]
,
wonende op een voor de rechtbank bekend adres,
verzoekster, hierna te noemen de moeder,
advocaat: mr. E.C. Schurink in Winterswijk,
tegen
[naam vader]
,
wonende in [woonplaats vader] ,
verweerder, hierna te noemen de vader,
advocaat: mr. S.L. Geeraths in Haaksbergen.
1Het procesverloop
1.1.
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen op 20 januari 2025;
het journaalbericht van mr. Schurink van 2 juli 2025;
het verweerschrift met zelfstandige verzoeken, ingekomen op 25 september 2025;
de brief van mr. Schurink van 30 september 2025;
de brief van mr. Geeraths van 30 september 2025.
1.2.
Op 6 oktober 2025 is de zaak op de zitting van de rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: beide partijen, bijgestaan door hun advocaten en een vertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming.
2Waar gaat het over?
2.1.
Partijen hebben een geregistreerd partnerschap gehad van 4 september 2020 tot 11 augustus 2022.
2.2.
Zij zijn de ouders van de minderjarige [naam minderjarige] geboren op [geboortedatum] 2014 in [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige] .
2.3.
De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit.
2.4.
Bij beschikking van deze rechtbank van 13 juli 2022 is de ontbinding van het geregistreerd partnerschap uitgesproken en onder meer bepaald dat het aangehechte ouderschapsplan deel uitmaakt van de beschikking.
2.5.
In het ouderschapsplan zijn de ouders overeengekomen dat [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft en dat er een zorgregeling geldt waarbij [minderjarige] volgens een tweewekelijks schema (2-2-5-5) bij elk van de ouders is:
van maandag uit school tot woensdag naar school bij de moeder,
van woensdag uit school tot vrijdag naar school bij de vader,
van vrijdag uit school tot woensdag naar school bij de moeder en
van woensdag uit school tot maandag naar school bij de vader.
2.6.
Bij beschikking van deze rechtbank van 27 maart 2024 heeft de rechtbank de verdeling van de vakanties en feestdagen gewijzigd.
3Wat ligt voor?
3.1.
De moeder verzoekt de rechtbank bij beschikking en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad haar toestemming te verlenen, welke de toestemming van de vader vervangt, om met [minderjarige] te verhuizen naar [nieuwe woonplaats moeder] en hem daar in te schrijven in de Basisregistratie Personen.
3.2.
De vader is het hiermee niet eens en vraagt om het verzoek af te wijzen. Daarnaast verzoekt hij zelfstandig:
I. de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem te bepalen;
II. indien de moeder gaat verhuizen: te bepalen dat [minderjarige] een weekend per veertien dagen bij de moeder verblijft van vrijdag naar school tot zondag 20.00 uur en de vakanties en feestdagen conform productie C1 onder aanhechting van die productie;
III. indien de moeder niet verhuist: de zorgregeling te wijzigen in een week op, week af regeling waarbij [minderjarige] wisselt op vrijdag uit school met verdeling van de vakanties en feestdagen conform productie C2, onder aanhechting van die productie;
althans zodanige beslissingen te nemen als de rechtbank juist acht.
3.3.
De vader heeft daarnaast nog verzocht de bijdrage op de kinderrekening te wijzigen, althans een kinderalimentatie vast te stellen. Partijen zijn het erover eens dat dit verzoek wordt afgesplitst.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt, voor zover voor de beoordeling van belang, hierna nader ingegaan.
Beoordeling
Vervangende toestemming verhuizing en wijziging van de zorgregeling
4.1.
Als ouders gezamenlijk het ouderlijk gezag over hun kinderen uitoefenen, kan de rechtbank op verzoek van een ouder bij geschillen daarover een beslissing nemen.
4.2.
De moeder wil graag met [minderjarige] verhuizen van [woonplaats moeder] naar [nieuwe woonplaats moeder] . Dat heeft meerdere redenen. Haar (nieuwe) partner, [naam partner moeder] , woont in [nieuwe woonplaats moeder] in een eengezins(huur)woning. De moeder en [minderjarige] kunnen bij [naam partner moeder] intrekken. Het is een ruimere woning, in een kindvriendelijke buurt met een tuin. [minderjarige] is al bekend met deze woning en heeft daar ook een eigen kamer. Daarnaast heeft de moeder onlangs haar studie aan de [school] afgerond en werkt zij inmiddels bij [functie] met haar standplaats in [nieuwe woonplaats moeder] . [minderjarige] gaat naar school in [woonplaats vader] en voetbalt in [woonplaats vader] . Dat zal ook zo blijven. Omdat de moeder sinds de scheiding in [woonplaats moeder] woont in plaats van [woonplaats vader] , is [minderjarige] al gewend aan een reisafstand tussen zijn ouders. Dat zal na de verhuizing niet anders zijn.
4.3.
De vader wil niet dat [minderjarige] naar [nieuwe woonplaats moeder] verhuist. Volgens de vader zal de (extra) reisafstand en de reisbewegingen voor onrust zorgen bij [minderjarige] . In de visie van de vader ervaart [minderjarige] nu al veel onrust en dat terwijl hij in het laatste jaar van de basisschool zit. Dat maakt ook dat vader als zelfstandig verzoek om wijziging van de zorgregeling heeft gevraagd. De moeder overziet de nadelige gevolgen van een verhuizing naar [nieuwe woonplaats moeder] voor [minderjarige] onvoldoende. Verder is er volgens de vader geen noodzaak voor de verhuizing. De moeder en [naam partner moeder] zouden in (de omgeving van) [woonplaats vader] kunnen samenwonen.
4.4.
Omdat partijen het niet eens zijn over de vraag waar [minderjarige] in de toekomst moet wonen, zal de rechtbank hierover een beslissing nemen. Het belang van [minderjarige] is hierbij een eerste overweging, maar andere omstandigheden kunnen daarbij ook een rol spelen.
4.5.
Bij de beoordeling van het verzoek stelt de rechtbank voorop dat aan de moeder in beginsel het recht en de vrijheid toekomt om na een echtscheidingssituatie haar leven opnieuw in te rechten. Als het recht van [minderjarige] en de vader op een (onverminderd) contact met elkaar daardoor onevenredig wordt benadeeld, kan dat mogelijk anders zijn.
4.6.
Alles afwegend, zal de rechtbank, in lijn met het gegeven raadsadvies, het verzoek van de moeder toewijzen. Hiervoor vindt de rechtbank doorslaggevend dat het recht op contact van [minderjarige] en de vader met elkaar door de verhuizing niet wordt benadeeld. De huidige zorgregeling, waarbij [minderjarige] volgens een 2-2-5-5 schema bij zijn moeder en de vader verblijft, kan onveranderd worden gecontinueerd. De overdrachten vinden namelijk via de school van [minderjarige] in [woonplaats vader] plaats. De vader heeft hierdoor geen extra reistijd en er is daarvoor ook geen compensatie nodig. Ook [minderjarige] zijn voetbal kan in [woonplaats vader] worden gecontinueerd. Desgevraagd heeft de moeder aangegeven dat speelafspraken van [minderjarige] na schooltijd ook gecontinueerd zouden kunnen worden, omdat zij die reisbewegingen ook al voor haar rekening neemt en zal blijven nemen. Dat er in de visie van de vader geen noodzaak is voor de verhuizing, treft naar het oordeel van de rechtbank in het licht van de hiervoor genoemde omstandigheden geen doel. Als het gaat om de zorgregeling wijzigt er immers niets voor de vader terwijl de moeder genoegzaam haar belang om te verhuizen naar [nieuwe woonplaats moeder] heeft toegelicht. Daarbij is het verder niet aan de vader om te bepalen waar de moeder (en [naam partner moeder] ) met [minderjarige] gaat wonen.
4.7.
Dat brengt de rechtbank tot de slotsom dat uitsluitend [minderjarige] , en niet de vader, wordt geconfronteerd met een extra reistijd van ongeveer 13 minuten enkele reis, zonder file. Hoewel de rechtbank niets af wil doen aan de zorgen van de vader over de onrust die [minderjarige] ervaart, is de rechtbank van oordeel dat de (extra) onrust die [minderjarige] mogelijk ervaart door deze extra reistijd, niet opweegt tegen het belang en het recht van de moeder om haar leven opnieuw in te richten in [nieuwe woonplaats moeder] . Daarbij vindt de rechtbank het ook aannemelijk dat de door de vader beschreven onrust die [minderjarige] ervaart, (mede) wordt veroorzaakt door de verslechterde communicatie en verstandhouding tussen de ouders sinds het (mislukte) mediationtraject over de verhuizing en de onduidelijkheid voor [minderjarige] over het al dan niet verhuizen naar [nieuwe woonplaats moeder] . Doordat er nu duidelijkheid komt over de verhuizing voor [minderjarige] , gaat de rechtbank ervan uit dat daarmee ook een stuk onrust bij [minderjarige] wordt weggenomen. Het is verder aan de ouders, om in het belang van [minderjarige] , hun onderlinge communicatie en verstandhouding te verbeteren, zodat zij in de toekomst beter in staat zijn om constructief met elkaar te overleggen en afspraken te maken over [minderjarige] . Tot slot gaat de rechtbank, met de Raad, ervan uit dat de moeder [minderjarige] goed zal begeleiden, ondersteunen en waar nodig adequaat zal handelen met de verandering(en) die de verhuizing met zich brengt voor [minderjarige] .
Wijziging zorgregeling
4.8.
Omdat de rechtbank het verzoek van de moeder over de verhuizing toewijst, komt zij toe aan het voorwaardelijke verzoek van de vader onder II. Dit verzoek komt er kort gezegd op neer om de huidige 2-2-5-5 zorgregeling te wijzigen, naar een zorgregeling waarbij [minderjarige] een weekend per veertien dagen bij de moeder verblijft.
4.9.
De rechtbank wijst het verzoek van de vader af. De voornaamste reden voor de vader om een wijziging in de zorgregeling te verzoeken, is de huidige onrust die hij bij [minderjarige] ervaart. Zoals hiervoor onder rechtsoverweging 4.7 is overwogen, gaat de rechtbank ervan uit dat door de duidelijkheid over de verhuizing naar [nieuwe woonplaats moeder] een stuk onrust wordt weggenomen bij [minderjarige] . Daarnaast heeft de rechtbank al overwogen dat het aan de ouders is om hun onderlinge communicatie en verstandhouding te verbeteren. Indien zij niet in staat zijn om op een voor [minderjarige] onbelaste wijze met elkaar te communiceren, zal [minderjarige] daarvan en daardoor (ook) onrust ervaren. De oplossing hiervoor is dan ook naar het oordeel van de rechtbank niet gelegen in het aanzienlijk verminderen van het contact tussen de moeder en [minderjarige] . De rechtbank vindt dat niet in het belang van [minderjarige] . Bovendien is door de vader op geen enkele wijze onderbouwd dat er weerstand is van [minderjarige] tegen het contact met zijn moeder of dat er anderszins problemen zijn in het contact met zijn moeder die een aanzienlijke vermindering in het contact rechtvaardigen.
Wijziging hoofdverblijfplaats
4.10.
Het verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] te wijzigen, wijst de rechtbank af. Allereerst stelt de vader dat hij door de wijziging van de hoofdverblijfplaats meer kindgebonden budget voor [minderjarige] zal ontvangen en daardoor meer kan in bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Daarbij verliest de vader uit het oog dat partijen vooralsnog het gebruik van een kinderrekening zijn overeengekomen, waarbij de hoofdverzorgende ouder het kindgebonden budget en de kinderbijslag op die rekening voldoet, waarvan vervolgens de verblijfsoverstijgende kosten worden voldaan. Aan de stelling van de vader gaat de rechtbank daarom voorbij.
Dictum
De rechtbank:
5.1.
verleent toestemming aan de moeder, welke de toestemming van de vader vervangt, om met [minderjarige] te verhuizen naar [nieuwe woonplaats moeder] en hem aldaar in de Basisregistratie Personen in te schrijven;
5.2.
verklaart de beslissing onder 5.1 uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
stelt de moeder in de gelegenheid om binnen vier weken, uiterlijk op 4 december 2025 een verweerschrift in te dienen tegen het zelfstandige verzoek van de vader tot wijziging van de bijdrage op de kinderrekening/kinderalimentatie;
5.4.
houdt iedere verdere beslissing over de wijziging van de bijdrage op de kinderrekening/kinderalimentatie aan tot een nader te bepalen zittingsdatum;
5.5.
wijst de verzoeken van de vader over de hoofdverblijfplaats en zorgregeling af.
Deze beschikking is gegeven door mr. G. Hilberink, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Verhoef, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 november 2025.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.
Artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek.
HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5901.