Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-02-04
ECLI:NL:RBGEL:2025:937
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
7,750 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2025:937 text/xml public 2026-03-23T11:53:54 2025-02-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2025-02-04 05.138561.24 + 21.004354.21 (tul) Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Zutphen Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2025:937 text/html public 2026-03-16T15:35:54 2026-03-23 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2025:937 Rechtbank Gelderland , 04-02-2025 / 05.138561.24 + 21.004354.21 (tul) Jeugdstrafrecht RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Zutphen Parketnummers: 05/138561-24 en 21/004354-21 (tul) Datum uitspraak : 4 februari 2025 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2006 in [geboorteplaats], wonende aan de [adres], [postcode] in [woonplaats], raadsvrouw: mr. F. van den Heuvel, advocaat in Arnhem. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een terechtzitting achter gesloten deuren. 1 De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: 1. hij op of omstreeks 15 januari 2024 te Arnhem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever] (eigenaar slijterij [slijterij]) te dwingen tot de afgifte van geld en/of sigaretten, in elk geval enig geld en/of goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever] toebehoorde(n) voornoemde winkel (slijterij) is binnengelopen en/of (vervolgens) een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op, althans naar en/of in de richting van die [aangever] heeft gericht en/of gericht gehouden en/of (vervolgens) een tas (rugzak) naar en/of in de richting van die [aangever] heeft gegooid en/of (daarbij) die [aangever] opzettelijk dreigend de woorden heeft toegeroepen: ‘geef mij je geld, anders schiet ik’ en/of ‘geef mij geld, anders dood ik je’, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of (vervolgens) die [aangever] – onder dreiging van voornoemd vuurwapen, althans van dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp – geld en/of sigaretten in voornoemde tas (rugzak) heeft laten opbergen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 2. hij op of omstreeks 15 januari 2024 te Arnhem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen een hamer (krachtig) naar en/of in de richting van (het hoofd van) die [aangever] heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 3. hij in of omstreeks de periode van 23 april 2024 tot en met 24 april 2024 te Arnhem een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een gaspistool (merk Sig Sauer type P320 - kal.9mm – inclusief patroonhouder) en/of munitie (33 knalpatronen, kal. 9mm) van Cat. III voorhanden heeft gehad. 2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs FEIT 1 Verdachte heeft dit feit bekend. Daarom zal de rechtbank volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die de rechtbank heeft gebruikt (ex artikel 359, derde lid, Wetboek van Strafvordering). Bewijsmiddelen het proces-verbaal van aangifte van [aangever], p. 58-60; de verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 21 januari 2025. FEIT 2 De feiten Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld. Op 15 januari 2024 was verdachte aanwezig in de slijterij van [aangever] in Arnhem. Bij het weggaan uit de winkel, heeft verdachte een hamer door de winkel gegooid. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 ten laste gelegde feit. Hij heeft daarbij verwezen naar de aangifte van [aangever] en de verklaring van verdachte. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangever. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank stelt vast dat verdachte bij het weggaan uit de slijterij van [aangever] een hamer heeft gegooid. Door aangever is hierover verklaard dat hij zag dat verdachte bij het weggaan nog een hamer naar hem toe gooide. Aangever kon bukken, waardoor de ruit kapot ging. Als hij niet had gebukt, was de hamer op zijn hoofd gekomen. Uit het proces-verbaal van bevindingen van het uitkijken van de camerabeelden van slijterij [slijterij], blijkt het volgende: “[…] Ik zag dat de jongen de hamer in zijn linkerhand had en hier een zwaaiende beweging mee maakte naar achter. […] Ik zag dat de jongen de hamer gooide in de richting van de man en hierop de winkel verliet. […]” De rechtbank overweegt dat uit de inhoud van het proces-verbaal van aangifte en het proces-verbaal van bevindingen zoals hiervoor vermeld, volgt dat verdachte met kracht een hamer heeft gegooid in de richting van aangever. Aangever heeft de hamer ternauwernood weten te ontwijken. De hamer heeft vervolgens een raam geraakt, waardoor het raam is vernield. Verdachte heeft tijdens de terechtzitting verklaard dat hij de hamer gooide omdat hij schrok van aangever toen deze een fles drank pakte en boos werd. Naar eigen zeggen van verdachte was het een ‘lompe gooi’ waarvan hij op dat moment dacht dat het zelfverdediging was. De rechtbank is van oordeel dat verdachte door de hamer met kracht en op (naar eigen zeggen) lompe en ook ongecontroleerde manier te gooien, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij aangever op zijn hoofd zou raken en dat daardoor zwaar lichamelijk letsel zou zijn ontstaan. Het geraakt worden door een met kracht geworpen hamer, levert immers een reëel risico op dat bijvoorbeeld gecompliceerde breuken en/of ernstig bloedverlies en/of verlies van bewustzijn optreedt of dat bijvoorbeeld zintuigen als oren of ogen beschadigd worden. De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde poging tot zware mishandeling. FEIT 3 Verdachte heeft dit feit bekend. Daarom zal de rechtbank volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die de rechtbank heeft gebruikt (ex artikel 359, derde lid, Wetboek van Strafvordering). Bewijsmiddelen het proces-verbaal van bevindingen, p. 142 en 143; het proces-verbaal onderzoek wapen, aanvullend procesdossier p. 1 en 2; de verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 21 januari 2025. 3 De bewezenverklaring De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft gepleegd. Bewezen kan worden dat: 1. hij op of omstreeks 15 januari 2024 te Arnhem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en /of bedreiging met geweld [aangever] (eigenaar slijterij [slijterij]) te dwingen tot de afgifte van geld en /of sigaretten, in elk geval enig geld en/of goed, dat/ die geheel of ten dele aan [aangever] toebehoorde ( n ) voornoemde winkel (slijterij) is binnengelopen en /of (vervolgens) een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op, althans naar en/of in de richting van die [aangever] heeft gericht en /of gericht gehouden en /of (vervolgens) een tas ( rugzak ) naar en/of in de richting van die [aangever] heeft gegooid en /of (daarbij) die [aangever] opzettelijk dreigend de woorden heeft toegeroepen: ‘geef mij je geld, anders schiet ik’ en/of ‘geef mij geld, anders dood ik je’, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en /of (vervolgens) die [aangever] – onder dreiging van voornoemd vuurwapen, althans van dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp – geld en /of sigaretten in voornoemde tas ( rugzak ) heeft laten opbergen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 2.
Volledig
hij op of omstreeks 15 januari 2024 te Arnhem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen een hamer ( krachtig ) naar en/of in de richting van ( het hoofd van ) die [aangever] heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 3. hij in of omstreeks de periode van 23 april 2024 tot en met 24 april 2024 te Arnhem een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een gaspistool (merk Sig Sauer type P320 - kal.9mm – inclusief patroonhouder) en /of munitie (33 knalpatronen, kal. 9mm) van Cat. III voorhanden heeft gehad. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van die onderdelen van de tenlastelegging die niet zijn bewezen. 4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: feit 1: poging tot afpersing ; feit 2: poging tot zware mishandeling ; feit 3: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie . 5 De strafbaarheid van de feiten De feiten zijn strafbaar. 6 De strafbaarheid van de verdachte Er is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is strafbaar. 7 De motivering van de straf en/of maatregel Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft geëist dat verdachte wordt veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke jeugddetentie van 4 maanden. Hij eist daarbij een proeftijd van 2 jaar met de bijzondere voorwaarden zoals door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) geadviseerd, met dien verstande dat Kairos als zorgverlener in de bijzondere voorwaarden moet worden vervangen door het jeugdFACT. De officier van justitie heeft de rechtbank gevraagd om deelname aan mediation met aangever toe te voegen als bijzondere voorwaarde. Verder is gevorderd de bijzondere voorwaarden en het toezicht van de jeugdreclassering dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Naast de jeugddetentie heeft de officier van justitie een werkstraf van 150 uur gevorderd. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft de persoonlijke omstandigheden van verdachte toegelicht en aangegeven zich te kunnen vinden in het advies van de Raad. De beoordeling door de rechtbank Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, betrekt de rechtbank de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan. Ook houdt de rechtbank rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte en met de inhoud van de volgende stukken: het uittreksel justitiële documentatie van 10 december 2024 (het strafblad), het rapport Pro Justitia van 9 oktober 2024 van drs. A.W.B. Haas, GZ-psycholoog, het rapport van de Raad van 2 januari 2025. In het bijzonder neemt de rechtbank het volgende in aanmerking. Strafblad De rechtbank stelt vast dat verdachte eerder is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit en ten tijde van de overval nog in een proeftijd van dat eerdere strafbare feit liep. De ernst van de feiten Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een overval op een slijterij, waarbij hij heeft gedreigd met een (nep)vuurwapen en waarbij hij geweld heeft gebruikt door een hamer naar de eigenaar van de slijterij te gooien. Daarnaast heeft verdachte een gaspistool en munitie voorhanden gehad. Met de overval heeft hij de eigenaar van de slijterij veel angst aangejaagd en hem een gevoel van onveiligheid gegeven dat deze man in de toekomst bij zich zal blijven dragen. Daarnaast veroorzaken overvallen als deze gevoelens van onveiligheid in de maatschappij. Verdachte erkent dat het niet goed met hem ging toen hij de strafbare feiten pleegde en ziet in dat hij anders had moeten handelen. De rechtbank betreurt het dat verdachte ondanks een lopend toezicht in het kader van een eerdere veroordeling niet om hulp heeft gevraagd, maar opnieuw verkeerde keuzes heeft gemaakt. Het advies van de deskundige Verdachte is onderzocht door een psycholoog. Deze deskundige heeft het volgende gerapporteerd. Bij [verdachte] is sprake van een normoverschrijdende gedragsstoornis, een stoornis in het gebruik van cannabis, ouder-kind relatie problematiek en acculturatieproblematiek. Tevens is er sprake van een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling, met antisociale en narcistische trekken. Dit was ook zo ten tijde van het ten laste gelegde. De psychische stoornis beïnvloedde [verdachte] gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde. Het advies is om [verdachte] het ten laste gelegde, indien bewezen verklaard, in verminderde mate toe te rekenen. Een gestructureerde risicotaxatie met behulp van de SAVRY levert een matig risico op recidive op. Een risicotaxatie op basis van de klinische indrukken van de onderzoeker levert een matig tot hoog recidiverisico op. Geadviseerd wordt om begeleiding vanuit de jeugdreclassering op te leggen naast een (deels) voorwaardelijke straf, waarbij als bijzondere voorwaarden wordt opgenomen dat [verdachte] dient mee te werken aan behandeling bij een forensische polikliniek (zoals Kairos) en dat zijn woonplek bij [verblijfsplaats] gecontinueerd wordt. Tevens dient te worden opgenomen dat [verdachte], wanneer de jeugdreclassering dit nodig vindt, zich ook zal aanmelden voor hulpverlening voor zijn middelengebruik (softdrugsgebruik), waarbij ook urinecontroles ingezet kunnen worden. Als aanvullende voorwaarden dient eveneens opgenomen te worden dat [verdachte] een vorm van dagbesteding heeft in de vorm van onderwijs en een bijbaan en dat hij afspraken met instanties nakomt. Vanuit het onderzoek worden geen contra-indicaties gezien voor het opleggen van een (aanvullende) werkstraf. Het advies van de Raad voor de Kinderbescherming De Raad heeft het volgende over verdachte gerapporteerd. Zowel het NIFP als [verdachte] en de jeugdreclassering komen tot hetzelfde doel en/of advies. Ze zijn het er allen over eens dat [verdachte] een vorm van behandeling nodig heeft voor emotieregulatie en het onderzoeken van de functie van zijn softdrugsgebruik. De Raad vult dit aan met behandeling voor zijn gedrag en delictanalyse bij Kairos of een soortgelijke instelling. [verdachte] is gerecidiveerd in zijn proeftijd. Hij heeft een voorwaardelijke straf in de vorm van jeugddetentie. De jeugdreclassering vindt het ten uitvoer leggen van zijn voorwaardelijke straf niet passend. Dit zou zijn positieve lijn op de verschillende gebieden en motivatie voor behandeling doorkruisen. Daarnaast vindt de jeugdreclassering dat gezien de persoonlijke omstandigheden tijdens het plegen van het delict, dit delict aan [verdachte] verminderd toegerekend kan worden. Het uitvoeren van de voorwaardelijke straf vindt zij om deze reden niet passend. De Raad verwacht dat de pedagogische meerwaarde van een voorwaardelijke straf afneemt indien deze niet ten uitvoer gelegd wordt bij een recidive. Echter, het doorkruisen van de positieve ontwikkeling vormt geen pedagogische meerwaarde. Omzetten naar een werkstraf lijkt hierin de meest passende middenweg. Met betrekking tot het strafadvies voor het onderhavige delict verwijst de Raad naar het advies van het NIFP. Aanvullend hierop ziet de Raad geen pedagogische meerwaarde in een geldboete. De inzet van een leerstraf is niet passend omdat dit de toekomstige behandeling van [verdachte] kan doorkruisen. De inzet van een onvoorwaardelijke (jeugd)detentie zal de beschreven positieve lijn van [verdachte] doorbreken, waardoor dit niet passend lijkt. Gelijk aan het advies van het NIFP en het advies van de jeugdreclassering ziet de Raad een voorwaardelijke jeugddetentie met bijzondere voorwaarden en toezicht van de jeugdreclassering aangevuld met een werkstraf als passend. Het toezicht van de jeugdreclassering zal zich moeten richten op behandeling door het Jeugd FACTteam, delictanalyse, middelengebruik, de woonsituatie en de eigen autonomie van [verdachte].
Volledig
Omdat het beschreven beschermende pakket van [verdachte] niet doorbroken mag worden, het recidiverisico zonder dit pakket als hoog wordt ingeschat en het ten laste gelegde een delict is waarbij gedreigd is met geweld, adviseert de Raad de inzet van een dadelijk uitvoerbaar toezicht. Het advies van de jeugdreclassering De jeugdreclasseerder heeft tijdens de zitting verteld dat verdachte is aangemeld bij het JeugdFACT. Dit valt onder de paraplu van Iriszorg. Verdachte is weliswaar inmiddels gestopt met roken en blowen, maar de jeugdreclassering vindt het van belang dat in de behandeling van verdachte aandacht kan zijn voor de functie van zijn middelengebruik in het verleden. De jeugdreclasseerder heeft de rechtbank gevraagd de door de Raad geadviseerde bijzondere voorwaarde die ziet op behandeling door Kairos te wijzigen, in die zin dat de behandeling bij het JeugdFACT gaat plaatsvinden. Over de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf heeft de jeugdreclasseerder verteld dat de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie de positieve ontwikkeling van verdachte zal doorkruisen. Wanneer de jeugddetentie wordt omgezet naar een werkstraf, zal verdachte een forse werkstraf moeten uitvoeren. De jeugdreclasseerder is van mening dat verdachte zich in het kader van het eerdere toezicht erg goed heeft gehouden aan de overige voorwaarden. Zij heeft de rechtbank daarom geadviseerd om de voorwaardelijke straf van verdachte slechts gedeeltelijk ten uitvoer te leggen en deze om te zetten in een werkstraf. De conclusie De rechtbank heeft kennis genomen van de adviezen. Bij het bepalen van de straf houdt zij naast de ernst van de feiten ook rekening met de verminderde toerekenbaarheid van verdachte. Ondanks dat verdachte opnieuw ernstige strafbare feiten heeft begaan en deze feiten bovendien zijn begaan in zijn proeftijd, ziet de rechtbank ook de positieve ontwikkeling die verdachte heeft doorgemaakt sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis. Verdachte heeft inmiddels een passende woonplek gevonden bij [verblijfsplaats] en volgt een opleiding. Hij spant zich in voor een positieve invulling van zijn toekomst en is bereid tot een herstelgesprek met de aangever. Verdachte hoeft daarom ondanks de ernst van de feiten niet naar de jeugdgevangenis. Wel krijgt hij een voorwaardelijke jeugddetentie met voorwaarden opgelegd, als waarschuwing en om begeleiding en toezicht te borgen. Hij zal ook daadwerkelijk een werkstraf moeten uitvoeren. Alles afwegende legt de rechtbank aan verdachte een geheel voorwaardelijke jeugddetentie van vier maanden op, met een proeftijd van 2 jaar. De rechtbank verbindt hieraan de bijzondere voorwaarden die zijn geadviseerd door de Raad. De voorwaarde die ziet op de behandeling van verdachte zal met inachtneming van het standpunt van de jeugdreclassering worden aangepast, in die zin dat de behandeling van verdachte bij het JeugdFACT kan plaatsvinden. Daarnaast zal de rechtbank als bijzondere voorwaarde opnemen dat verdachte zich dient in te spannen om tot een herstelgesprek met aangever te komen. Naast de voorwaardelijke jeugddetentie legt de rechtbank een werkstraf van 100 uur op aan verdachte. De rechtbank zal bepalen dat de tijd die verdachte in het kader van deze strafzaak in verzekering heeft doorgebracht, in mindering moeten worden gebracht op de werkstraf De rechtbank ziet gezien de positieve ontwikkelingen geen aanleiding om de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar verklaren. 8 De beoordeling van de civiele vordering De benadeelde partij [aangever] heeft in verband met de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 400,- aan materiële schade en € 500,- aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij voor wat betreft de materiële schade van € 400,- volledig kan worden toegewezen en voor wat betreft de immateriële schade tot een bedrag van € 300,-. De officier van justitie vordert toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft geen verweer gevoerd tegen de vordering van de materiële schade voor een bedrag van € 400,-. Zij heeft de rechtbank gevraagd bij het bepalen van de hoogte van het bedrag gebruik te maken van haar schattingsbevoegdheid. Voor wat betreft de vordering tot smartengeld heeft de raadsvrouw aangegeven zich te kunnen vinden in het standpunt van de officier van justitie. De beoordeling door de rechtbank Materiële schade Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering voor wat betreft de kosten van het raam tot een hoogte van € 400,- kan worden toegewezen. Smartengeld De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat: verdachte het oogmerk had het nadeel toe te brengen, de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad, of de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast. Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht. Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen de hiervoor genoemde categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt. Door de overval is de benadeelde op andere wijze in de persoon aangetast. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van de feiten en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 300,- vaststellen. Wettelijke rente Verdachte is wettelijke rente verschuldigd vanaf 15 januari 2024. Schadevergoedingsmaatregel Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze, waarbij de maatregel enkel ziet op het toegewezen bedrag. In verband met de leeftijd van verdachte zal geen gijzeling worden opgelegd. 9 De beoordeling van de vordering na voorwaardelijke veroordeling Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft verdachte op 31 januari 2023 (onder parketnummer 21/004354-21) veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 2 maanden. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft de rechtbank gevraagd om de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie om te zetten in een werkstraf van 120 uur. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft bepleit dat de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf niet ten koste moet gaan van de huidige positieve lijn die is ingezet. Zij heeft de rechtbank gevraagd om de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen, dan wel om bij een tenuitvoerlegging de voorwaardelijke jeugddetentie om te zetten in een werkstraf. Mocht de rechtbank besluiten tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, dan heeft de raadsvrouw gevraagd om de 15 dagen die verdachte in voorlopige hechtenis heeft verbleven in mindering te brengen op het aantal dagen ten uitvoer te leggen jeugddetentie (artikel 77i lid 3 jo. 27 Sr). De beoordeling door de rechtbank Bewezen is dat verdachte zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. De rechtbank ziet aanleiding te bevelen dat de straf gedeeltelijk ten uitvoer wordt gelegd.
Volledig
In plaats van een last tot tenuitvoerlegging van jeugddetentie zal de rechtbank een taakstraf gelasten, door het verrichten van 60 uur werkstraf, bij het niet voldoen te vervangen door 30 dagen jeugddetentie. Reden hiervoor is dat door de Raad en de jeugdreclassering is toegelicht dat jeugddetentie waarschijnlijk de benodigde begeleiding en positieve ontwikkelingen zullen doorkruisen. De rechtbank bepaalt daarbij dat de tijd die door verdachte in het kader van de zaak met parketnummer 21/004354-21 en 05/212819-21 in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet al op een andere straf in mindering is gebracht. 10 De toegepaste wettelijke bepalingen De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen: - 36 f, 45, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 302 en 317 van het Wetboek van Strafrecht; - 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. 11 De beslissing De rechtbank: verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan; verklaart niet bewezen wat verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij; verstaat dat het bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’; verklaart verdachte hiervoor strafbaar; veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot: een taakstraf, te weten een werkstraf van 100 (honderd) uur, met bevel dat als deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 50 (vijftig) dagen; een jeugddetentie voor de duur van 4 (vier) maanden; bepaalt dat van die jeugddetentie 4 (vier) maanden niet zullen worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten; stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (twee) jaar onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit, en stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte gedurende de proeftijd: 1. zich inzet voor een positieve dagbesteding in de vorm van school / opleiding of (vrijwilligers)werk; 2. verblijft bij [verblijfsplaats] of een soortgelijke instelling, zolang de jeugdreclassering dat nodig vindt; 3. meewerkt aan de behandeling van het JeugdFACT of een soortgelijke instelling, voor zover en zolang de jeugdreclassering dat nodig vindt. De behandeling zal gericht zijn op delictanalyse, gedrag en emotieregulatie, met aandacht voor de functie van het (soft)drugsgebruik van verdachte; 4. zich inspant om tot een herstelgesprek met aangever, de heer [aangever], te komen en geeft de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Gelderland, afdeling jeugdreclassering, de opdracht om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden; onder de voorwaarden dat verdachte: - ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; - medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in art. 77aa, eerste tot en met vierde lid, Wetboek van Strafrecht, uit te voeren door de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Gelderland, afdeling jeugdreclassering, waaronder de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk vindt, daaronder begrepen; beveelt dat de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de werkstraf in mindering wordt gebracht, volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht, twee uren in mindering worden gebracht; veroordeelt verdachte ten aanzien van de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever] , van een bedrag van € 400,- (vierhonderd euro) aan materiële schade en € 300,- (driehonderd euro) aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 januari 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald; veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul; verklaart de benadeelde partij [aangever] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering; legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever], een bedrag te betalen van € 400,- aan materiële schade en € 300,- aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 januari 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 0 (nul) dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt; bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd; gelast - in plaats van de tenuitvoerlegging van een gedeelte van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 31 januari 2023 - een taakstraf van 60 uur , met bevel dat als deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende jeugddetentie wordt toegepast voor de duur van 30 dagen en bepaalt daarbij dat de tijd die door verdachte in het kader van de zaak met parketnummer 21/004354-21 en 05/212819-21 in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet al op een andere straf in mindering is gebracht. Dit vonnis is gewezen door mr. P.J.C. Cremers (kinderrechter en voorzitter), mr. I.D. Jacobs en mr. M.W. Stoet (kinderrechters), in tegenwoordigheid van mr. I.C.G.M. van Lammeren-van Dijck, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 februari 2025. mrs. P.J.C. Cremers en M.W. Stoet zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, districtsrecherche Gelderland Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024022996, gesloten op 30 mei 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever], p. 59 en de verklaring van verdachte, afgelegd tijdens de terechtzitting van 21 januari 2025. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever], p. 59. Het proces-verbaal van bevindingen, p. 85 en 86. De verklaring van verdachte, afgelegd tijdens de terechtzitting van 21 januari 2025.