Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-10-16
ECLI:NL:RBGEL:2025:9204
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,356 tokens
Dictum
16 oktober 2025 (artikel 80 Wetboek van Strafvordering; verder Sv)
in de strafzaak tegen de verdachte:
[naam verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats],
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres] [woonplaats],
nu gedetineerd in [verblijfplaats].
Raadsvrouw mr. S.C. Sassen.
Procedure
Op 27 mei 2025 heeft de rechtbank de gevangenhouding bevolen voor de duur van
90 dagen. Op 15 oktober 2025 is op de griffie van de rechtbank een verzoek ingekomen dat strekt tot kortdurende schorsing van de voorlopige hechtenis.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafdossier en heeft de officier van justitie en de gemachtigde raadsvrouw gehoord. Vanwege de korte termijn waarop de behandeling heeft plaatsgevonden is met instemming van de raadsvrouw verdachte bij de behandeling niet gehoord. Verdachte is wel gehoord bij een eerder schorsingsverzoek.
Standpunt verdediging
De raadsvrouw heeft op 15 oktober 2025 namens verdachte een verzoek tot incidenteel verlof ingediend bij de directeur van de [verblijfplaats]. Verdachte heeft de uitdrukkelijke wens om bij het afscheid en de uitvaart van zijn onverwachts overleden zwager aanwezig te zijn. Dit afscheid en de uitvaart zullen plaatsvinden op maandag 20 oktober 2025 en dinsdag 21 oktober 2025. De casemanager van de [verblijfplaats] heeft de raadsvrouw verzocht – gelet op het spoedeisende karakter van het verzoek en het feit dat verdachte nog in een huis van bewaring verblijft – dit verzoek bij de rechtbank in te dienen.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie verzoekt om verdachte niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek.
Beoordeling
De raadkamer is van oordeel dat verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn verzoek om schorsing van de voorlopige hechtenis.
Een beslissing op een verzoek tot kort incidenteel verlof op humanitaire gronden zoals hier aan de orde is immers een geval als bedoeld in artikel 80 lid 7 Sv, waarin verlof kan worden
verleend op grond van het bepaalde bij of krachtens de Penitentiaire beginselenwet (Pbw). Te weten op grond van artikel 21-33 regeling tijdelijk verlaten van de inrichting (RTVI). In dat geval blijft paraaf 4 van boek 1 titel IV afdeling 2 Sv waarin schorsing van de voorlopige hechtenis wordt geregeld buiten toepassing.
Een beslissing op een verzoek tot dergelijk incidenteel verlof moet op grond van artikel 32 RTVI worden genomen door de directeur van de desbetreffende P.I. (hierna: de directeur)
Voor zover wordt gesteld dat er geen verlof op grond van de RTVI kan worden verleend, omdat verdachte niet is afgestraft maar zich in voorlopige hechtenis bevindt, is dat een misvatting. Anders dan bij strafonderbreking kan incidenteel verlof ook worden verleend in het geval van voorarrest. Een gedetineerde in de zin van artikel 26 van de Pbw is immers en persoon ten aanzien van wie de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel in een inrichting plaatsvindt (artikel 1 onder e Pbw).
Voor zover wordt gesteld dat de regeling tot kort incidenteel verlof op humanitaire gronden van artikel 21-33 RTVI niet van toepassing is omdat verlof van 2 dagen wordt gevraagd, is dat eveneens een misvatting. De verzochte duur doet er niet aan af dat het in wezen een verzoek tot kort incidenteel verlof op humanitaire gronden betreft. Het is aan de directeur om de duur van het incidenteel verlof te bepalen en dat kan, hoewel uitgangspunt is dat dat het eindigt op de dag van ingang, worden verlengd tot de tweede dag, bijvoorbeeld in verband met reistijd, zoals hier mogelijk het geval.
De rechtbank overweegt nog dat indien de directeur het verzoek tot incidenteel verlof afwijst, er krachtens de regelgeving in en krachtens de Pbw beroepsmogelijkheden zijn en dat de rechtbank van die beslissing niet de beroepsinstantie is.
De conclusie is dat het verzoek om verlof moet worden ingediend op grond van de Pbw en de RTVI bij de directeur van de P.I., dat de regeling in het wetboek van strafvordering omtrent schorsing van de voorlopige hechtenis buiten toepassing is en dat het schorsingsverzoek daarom niet ontvankelijk moet worden verklaard.
Aan dit oordeel doet niet af dat er kennelijk in het verleden wel eens een rechtbank is geweest die ondanks de duidelijke tekst van de wet een dergelijk verzoek in behandeling heeft genomen.
Aan dit oordeel doet evenmin af dat het verzoek van verdachte wegens het overlijden van een naaste inhoudelijk invoelbaar is, dat de zaaksofficier van justitie al heeft aangegeven zich niet tegen een verlof van 2 dagen te verzetten en dat het bijzonder vervelend is dat verdachte om juridische gronden daarop geen beslissing krijgt.
Dictum
De raadkamer:
- verklaart verdachte niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis.
Deze beslissing is gegeven in raadkamer op 16 oktober 2025 door:
mr.drs. T.P.E.E. van Groeningen, voorzitter,
mr. J.M. Graat en mr. S.W. van Kasbergen, rechters,
in tegenwoordigheid van R.M.J. van den Bogaart, griffier.