Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2025-10-30
ECLI:NL:RBGEL:2025:9169
RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummers: ARN 24/8452 en 24/8457 uitspraak van de voorzieningenrechter van op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen eisers, (gemachtigde: [gemachtigde]), en de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (gemachtigde: mr. C. Vooijs). Als derde-partij neemt aan de zaken deel: Stichting Animal Rights uit Den Haag, (gemachtigde: mr. M. van Duijn). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de openbaarmaking van informatie die gaat over eisers. De minister heeft daartoe besloten op verzoek van Animal Rights. Eisers zijn het niet eens met deze openbaarmaking. Zij hebben daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Het is eisers toegestaan om te procederen zonder dat hun naam bekend wordt gemaakt aan Animal Rights. Zij voeren een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter of de minister heeft mogen besluiten de informatie openbaar te maken. 1.1. De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister op goede gronden heeft besloten om de gevraagde informatie gedeeltelijk openbaar te maken. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst hij het verzoek om een voorlopige voorziening af. 1.2. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staat het toetsingskader dat geldt voor deze zaak. Daarna volgt de beoordeling van de voorzieningenrechter. Onder 5 wordt besproken of de minister de hoorplicht heeft geschonden. Daarna volgt de beoordeling of het openbaar maken van de gegevens toegestaan is, waarbij speelt er sprake is van bedrijfs- en fabricagegegevens (6), inbreuk op de persoonlijke levenssfeer (7) of een risico voor de veiligheid van personen en bedrijven (8). Aan het eind staat de beslissing van de voorzieningenrechter en de gevolgen daarvan. Procesverloop 2. Animal Rights heeft op 24 maart 2022 de minister verzocht om informatie openbaar te maken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Zij heeft gevraagd om informatie over alle in Nederland gevestigde konijnenhouderijen, waar konijnen worden gehouden als landbouwhuisdieren, over de periode van 1 januari 2017 tot 24 maart 2022. Het gaat om alle documenten die betrekking hebben op uitgevoerde inspecties en andersoortige controles en bezoeken. 2.1. Op 1 mei 2022 is de Wet open overheid (Woo) inwerking getreden en is de Wob ingetrokken. De minister heeft het verzoek van Animal Rights verder behandeld als een verzoek op grond van de Woo. 2.2. De minister heeft op 6 januari 2023 besloten op het Woo-verzoek en bepaald dat 29 documenten gedeeltelijk openbaar worden gemaakt. Animal Rights heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. 2.3. De minister heeft op 8 juni 2023 een aanvullend besluit genomen, omdat naar aanleiding van een aanvullende zoekslag nog zeven documenten zijn aangetroffen. Deze zeven documenten worden ook gedeeltelijk openbaar gemaakt. Op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt het bezwaar mede gericht geacht tegen het besluit van 8 juni 2023. 2.4. De minister heeft nogmaals een aanvullende zoekslag gedaan, waarbij 87 documenten zijn aangetroffen die onder de reikwijdte van het Woo-verzoek vallen. Een deel van deze informatie, heeft betrekking op eisers. De minister heeft eisers in de gelegenheid gesteld een zienswijze te geven op de voorgenomen openbaarmaking van documenten die op hen betrekking hebben. De minister heeft op 22 oktober 2024 een beslissing op bezwaar genomen. De minister heeft bepaald dat de 87 documenten (gedeeltelijk) openbaar worden gemaakt. 2.5. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van 22 oktober 2024 en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening. 2.6. Eisers hebben de rechtbank verzocht anoniem te proceder Van bedrijfs- en fabricagegegevens is slechts sprake, indien en voor zover uit die gegevens wetenswaardigheden kunnen worden afgelezen of afgeleid met betrekking tot de technische bedrijfsvoering of het productieproces, dan wel met betrekking tot de afzet van de producten of de kring van afnemers en leveranciers. Ook gegevens die uitsluitend de financiële bedrijfsvoering betreffen, kunnen onder omstandigheden als bedrijfsgegevens worden aangemerkt. Deze uitzonderingsgrond is bedoeld om te voorkomen dat de bedrijfsgegevens die bedrijven met het oog op concurrentie geheim willen houden, maar wel genoodzaakt zijn aan bestuursorganen te verstrekken, openbaar moeten worden gemaakt. Eisers hebben niet inzichtelijk gemaakt waarom uit de genoemde gegevens wetenswaardigheden kunnen worden afgeleid over de bedrijfsvoering, het productieproces, de afzet van producten of de kring van afnemers en leveranciers. De enkele stelling dat er sprake is van bedrijfsgevoelige gegevens is daarvoor onvoldoende. Er is ook geen reden om aan te nemen dat er sprake is van bedrijfs- en fabricagegegevens, zoals hier bedoeld. De voorzieningenrechter komt dan ook niet toe aan de vraag of er sprake is van vertrouwelijk verstrekte gegevens, dan wel of er sprake is van milieu-informatie. Slaagt het beroep van eisers over de persoonlijke levenssfeer? 7. Eisers stellen dat de openbaarmaking van gegevens die zien op hun bedrijven in strijd zijn met de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Informatie over de bedrijven is ook herleidbaar tot de privépersonen. De minister had daarom openbaarmaking van deze informatie moeten weigeren op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo. Daarnaast beroepen eisers zich op artikel 8 van het EVRM en een arrest van het Hof , omdat ook gegevens over beroeps- en handelsactiviteiten onder deze bescherming vallen. Verder is er geen sprake van dat de openbaarmaking noodzakelijk is in het licht van een democratische samenleving. Ook zonder de persoonsgegevens bieden de stukken voldoende inzicht in de werkzaamheden van de NVWA. Eiseres stellen ook dat artikelen 6 en 10 van de AVG openbaarmaking van persoonsgegevens verhinderen, omdat er geen toestemming van eisers is of een situatie waarbij openbaarmaking evenredig is met het belang van bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Eisers stellen ook dat de gegevens over overtredingen, in relatie tot de overtreding en de hercontrole naar aanleiding van de overtreding strafrechtelijke gegevens zijn. Overtredingen zijn immers strafrechtelijk vervolgbaar en ook een bestuurlijke boete is een ‘criminal charge’. Alle gegevens in relatie tot overtredingen zijn gegevens betreffende strafbare feiten, die vallen onder artikel 5.1, eerste lid, onder d van de Woo in samenhang met artikel 10 van de AVG. Eisers hebben op zitting aangegeven dat zij hopen dat er prejudiciële vragen worden gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. 7.1. De minister volgt in het verweerschrift het standpunt van eisers niet. Het is een eigen keuze dat eisers hun familienaam hanteren als bedrijfsnaam. Dat zij die keuze hebben gemaakt, rechtvaardigt niet dat er onderscheid gemaakt moet worden tussen bedrijven met een familienaam en bedrijven die geen familienaam hebben. Het publieke belang wordt niet in voldoende mate gediend als de bedrijfsnamen met een familienaam worden geanonimiseerd. Ten aanzien van het beroep van eisers op de AVG verwijst de minister naar artikel 86 van de AVG. 7.2. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het niet onleesbaar maken van de bedrijfsnamen van eisers is in lijn met vaste rechtspraak. Zo is daarin overwogen dat de omstandigheid dat een bedrijfsnaam een familienaam bevat, niet kan leiden tot het weigeren van openbaarmaking van die naam. Het is een vrije keuze om de familienaam als bedrijfsnaam te gebruiken. Een onderscheid tussen bedrijven die een familienaam voeren en andere bedrijven is niet gerechtvaardigd. Hetzelfde geldt ten aanzien van het bedrijfsadres Eisers hebben geen concrete, actuele dreiging richting hun bedrijven aannemelijk gemaakt. De verwijzingen naar verschillende acties van dierenactivisten zijn onvoldoende om concrete dreiging jegens eisers aan te nemen. De stelling dat in de sector van eisers sprake is van een constant, verhoogd risico op ongewenste benadering hebben zij ook niet onderbouwd met actuele stukken. Conclusie en gevolgen 9. De voorzieningenrechter concludeert dat de minister op goede gronden heeft besloten om de gevraagde informatie gedeeltelijk openbaar te gaan maken. De voorzieningenrechter verklaart het beroep ongegrond. Omdat op het beroep is beslist, is er geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. De minister heeft op de zitting toegezegd dat bij een ongegrond beroep de informatie niet eerder dan twee weken na deze uitspraak openbaar wordt gemaakt, zodat eisers voor de openbaarmaking nog de gelegenheid hebben hoger beroep in te stellen. 9.1. In de toepassing van artikel 6:22 van de Awb ziet de voorzieningenrechter reden om te bepalen dat de minister de proceskosten en het griffierecht voor het beroep aan eisers moet vergoeden. Hij stelt de vergoeding voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1814 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van € 907 per punt bij wegingsfactor 1). Beslissing De voorzieningenrechter: - verklaart het beroep ongegrond; - bepaalt dat de minister het griffierecht voor beroep van € 371 aan eisers moet vergoeden, waarbij betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen; - veroordeelt de minister tot betaling van € 1814 aan proceskosten aan eisers, waarbij betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen; - wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. Y.A.J. van Egmond, griffier. Uitgesproken in het openbaar op griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open. BIJLAGE Artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woo: Het openbaar maken van informatie ingevolge deze wet blijft achterwege voor zover dit bedrijfs- en fabricagegegevens betreft die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld. Artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder f, van de Woo: Het openbaar maken van informatie blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen de bescherming van andere dan in het eerste lid, onderdeel c, genoemde concurrentiegevoelige bedrijfs- en fabricagegegevens. Artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e van de Woo: Het openbaar maken van informatie blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder h, van de Woo: Het openbaar maken van informatie blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen de beveiliging van personen en bedrijven en het voorkomen van sabotage. Artikel 5.1,