Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-10-08
ECLI:NL:RBGEL:2025:9041
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,470 tokens
Inleiding
RECHTBANK
GELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: 11833046 \ VV EXPL 25-139
Vonnis in kort geding van 8 oktober 2025
in de zaak van
[eiser]
,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: A.A. Stoop-Klaassen,
tegen
[gedaagde]
,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
niet verschenen.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit de dagvaarding met producties van 21 augustus 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 september 2025, waar de gemachtigde van [eiser] is verschenen. Van hetgeen op de zitting is besproken heeft de griffier aantekeningen gemaakt.
1.3.
Vervolgens is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
[eiser] is per 26 juli 2020 in dienst bij [gedaagde] in de functie van taxichauffeur op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd op basis van 32 uur per week (productie 1 dagvaarding). Op de arbeidsovereenkomst is de cao Zorgvervoer en Taxi van toepassing.
2.2.
[eiser] heeft zich op 24 november 2022 ziekgemeld.
2.3.
Naar aanleiding van een aanvraag van [eiser] voor een WIA-uitkering, heeft het UWV de re-integratie-inspanningen van [gedaagde] beoordeeld.
2.4.
Bij beslissing van 2 oktober 2024 heeft het UWV aan [gedaagde] een loonsanctie opgelegd, inhoudende dat [gedaagde] het loon van [eiser] moet doorbetalen tot 20 november 2025, omdat zij niet aan haar re-integratieverplichtingen heeft voldaan. [gedaagde] heeft geen bezwaarschrift tegen voornoemde beslissing ingediend.
2.5.
Bij verstekvonnis van 28 mei 2025 is [gedaagde] onder meer veroordeeld tot betaling van het achterstallig loon over de maanden november 2024 tot en met maart 2025.
2.6.
[gedaagde] heeft ook het loon over de maanden april tot en met juli 2025 niet aan [eiser] betaald.
Geschil
3.1.
[eiser] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, dat:
I. de kantonrechter de gestelde feiten of rechten die door een partij zijn gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende zijn betwist, als vaststaand moet beschouwen, behoudens zijn bevoegdheid bewijs te verlangen, zo vaak aanvaarding van de stellingen zou leiden tot een rechtsgevolg dat niet ter vrije bepaling van partijen staat;
II. [gedaagde] wordt veroordeeld om binnen zeven dagen na betekening van het te wijzen vonnis het achterstallig loon over de periode april tot en met juli 2025 van € 9.612,00 bruto te betalen;
III. [gedaagde] wordt veroordeeld tot correcte en tijdige loonbetaling vanaf 1 augustus 2025, maandelijks ter hoogte van in ieder geval het bedrag van € 1.949,87 bruto, telkens op de laatste dag van de maand, zolang het dienstverband voortduurt, dan wel tot het einde van de door het UWV opgelegde loondoorbetalingsverplichting, onder gelijktijdige afgifte van de bijbehorende loonstroken op straffe van een dwangsom als onder V. vermeld;
IV. [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van de wettelijke rente en wettelijke verhoging over het hiervoor genoemd bedrag vanaf de dag dat die bedragen zijn verschuldigd tot de dag van volledige betaling;
V. [gedaagde] wordt veroordeeld om binnen zeven dagen na betekening van het te wijzen vonnis deugdelijke loonspecificaties te verstrekken, onder verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag met een maximum van € 25.000,00 voor elke (gedeelte van een) dag waarop [gedaagde] geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen;
VI. [gedaagde] wordt veroordeeld in de proceskosten.
3.2.
[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [gedaagde] op grond van artikel 7:629 lid 11 onder b BW jo artikel 24 Wet Wia jo artikel 25 lid 9 eerste zin Wet Wia verplicht is het loon door te betalen.
Beoordeling
4.1.
Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de vordering.
4.2.
De dagvaarding is op de bij de wet voorgeschreven wijze betekend aan [gedaagde] . Zij is niet verschenen in de procedure, zodat tegen haar verstek wordt verleend.
4.3.
In het geval tegen een gedaagde verstek wordt verleend, worden de vorderingen die niet zijn weersproken toegewezen, tenzij deze onrechtmatig of ongegrond zijn.
4.4.
De vordering onder I wordt afgewezen, omdat daarvoor geen grondslag is gesteld of gebleken.
4.5.
Als onweersproken staat vast dat [gedaagde] het loon over de periode april tot en met juli 2025 niet aan [eiser] heeft betaald. De kantonrechter zal haar daarom veroordelen tot betaling van het achterstallig loon als gevorderd. Nu [gedaagde] dit loon niet tijdig heeft betaald, zullen ook de wettelijke verhoging en de wettelijke rente daarover worden toegewezen. De vordering tot betaling van het loon vanaf augustus 2025 zal eveneens worden toegewezen.
4.6.
[gedaagde] wordt tevens veroordeeld tot het verstrekken van een loonspecificatie over alle nog te verrichten betalen aan [eiser] . Nu [gedaagde] niet bereid is gebleken om de loonspecificaties op vrijwillige wijze te verstrekken, wordt de gevorderde dwangsom toegewezen en gemaximeerd tot een bedrag van € 5.000,00.
4.7.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
148,04
- griffierecht
€
257,00
- salaris gemachtigde
€
543,00
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.083,04
Dictum
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen het achterstallig loon over de maanden april tot en met juli 2025 van € 9.612,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging op grond van artikel 7:625 BW, en de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 9.612,00 bruto vanaf de datum van opeisbaarheid tot aan de dag van algehele betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van het salaris van tenminste € 1.949,87 bruto per maand aan [eiser] , te vermeerderen met de vakantiebijslag en overige emolumenten, telkens op de laatste dag van de maand, vanaf 1 augustus 2025, zolang het dienstverband voortduurt, dan wel tot het einde van de door het UWV opgelegde loondoorbetalingsverplichting, onder gelijktijdige afgifte van de bijbehorende loonspecificaties op straffe van een dwangsom zoals hierna vermeld,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis deugdelijke loonspecificaties, die betrekking hebben op de reeds verschuldigde bedragen als genoemd onder 5.1. en 5.2., te verstrekken aan [eiser] op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per (gedeelte van een) dag dat [gedaagde] hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 5.000,00,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.083,04, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.J.P. Lambooij en in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2025.
44356 \