Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-10-22
ECLI:NL:RBGEL:2025:8995
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,663 tokens
Inleiding
RECHTBANK Gelderland
Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/456676 / HA ZA 25-371
Vonnis van 22 oktober 2025
in de zaak van
1 [eiser 1] ,
2. [eiser 2],
beiden wonende te [plaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. T.M. Spoler te Zwolle,
tegen
[gedaagde] ,
handelend onder de naam [bedrijf 1] ,
wonende en zaakdoende te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
niet verschenen.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- het tegen [gedaagde] verleende verstek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Beoordeling
2.1.
[eisers] hebben gevorderd zoals is vermeld in de dagvaarding waarmee deze procedure is ingeleid. De inhoud van deze dagvaarding moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
2.2.
De vordering komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor, behouders voor zover hierna anders wordt overwogen. Het gevorderde zal als volgt worden toegewezen.
2.3.
[eisers] vorderen vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten inclusief btw en te vermeerderen met wettelijke rente vanaf datum verzuim. Het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) is niet van toepassing op een vordering uit hoofde van schadevergoeding. De vraag of buitengerechtelijke incassokosten zijn verschuldigd, zal daarom moeten worden beantwoord aan de hand van de eisen zoals geformuleerd in het Rapport Voorwerk 2 en bijgesteld in het Rapport BGK-Integraal. De rechtbank is van oordeel dat [eisers] hun stelling dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht, voldoende hebben onderbouwd. De vordering is conform het in het Besluit bepaalde tarief. De tarieven die zijn weergegeven in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten worden geacht redelijk te zijn. De wettelijke rente is toewijsbaar met ingang van de datum van dagvaarding, omdat niet gesteld of gebleken is dat de betreffende schade reeds geleden was op het moment dat [gedaagde] in verzuim raakte. Het gevorderde bedrag is toewijsbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding.
2.4.
[eisers] vorderen [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering zal worden afgewezen, omdat [eisers] hebben verzuimd om een afschrift van het exploot van overbetekening van de dagvaarding aan de derde waaronder ten laste van [gedaagde] conservatoir beslag is gelegd over te leggen.
2.5.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
149,71
- griffierecht
€
1.374,00
- salaris advocaat
€
1.214,00
(1 punt × € 1.214,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.915,71.
2.6.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Dictum
De rechtbank
3.1.
verklaart voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is jegens [eisers] voor de door [eisers] geleden en nog te lijden schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 augustus 2025 tot aan de dag der algehele betaling,
3.2.
verklaart voor recht dat de overeenkomst tussen [eisers] en [gedaagde] gedeeltelijk is ontbonden,
3.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eisers] , tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te betalen een bedrag van € 47.968,05, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 13 augustus 2025, tot de dag van volledige betaling,
3.4.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eisers] , tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te betalen een bedrag van € 1.518,16 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 2 september 2025, tot aan de dag der algehele voldoening,
3.5.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eisers] , tegen behoorlijk bewijs van kwijting, binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe te betalen een bedrag van € 2.915,71 aan proceskosten, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.6.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele betaling,
3.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.A. van den Toorn en op 22 oktober 2025 in het openbaar uitgesproken en ondertekend door mr. I.W.M. Olthof.