Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-10-28
ECLI:NL:RBGEL:2025:8948
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,054 tokens
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/1853
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaak tussen
[eiser], uit [plaats], eiser
en
Dienst Toeslagen
(gemachtigden: mr. I. Mulder en mr. S. Heersink).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser. Eiser heeft zich op 27 november 2024 bij de Dienst Toeslagen aangemeld voor de herbeoordeling van zijn kinderopvangtoeslag. De Dienst Toeslagen heeft de aanvraag afgewezen, omdat de aanvraag te laat is ingediend. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het verzoek tot herbeoordeling terecht is afgewezen omdat het verzoek te laat is ingediend. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft zich op 27 november 2024 gemeld als gedupeerde van de toeslagenaffaire en verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2005 tot en met 2008.
2.1.
De Dienst Toeslagen heeft de aanvraag met het besluit van 31 januari 2025 afgewezen, omdat de aanvraag te laat is gedaan. Eiser kon zich tot 2 januari 2024 aanmelden en hij heeft onvoldoende redenen gegeven om hierop een uitzondering te maken. Met het bestreden besluit van 11 april 2025 op het bezwaar van eiser is de Dienst Toeslagen bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 17 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn vrouw [persoon A] en de gemachtigden van de Dienst Toeslagen.
Beoordeling
De hersteloperatie toeslagen (het toetsingskader)
3. De Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) voorziet in een bestuursrechtelijke procedure voor de afhandeling van schade die is omkleed met alle waarborgen die de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt. Op grond van artikel 6.1, eerste lid, van de Wht dient een aanvraag voor compensatie ingediend te worden voor 2 januari 2024. Deze uiterste aanvraagdatum is door de wetgever dwingend geformuleerd. Een motie om de aanmeldingsdeadline voor gedupeerden te schrappen is door de Tweede Kamer verworpen. Het stellen van een harde aanmeldingsdeadline is volgens de wetgever noodzakelijk om de hersteloperatie beheersbaar en uitvoerbaar te houden. Zonder een dergelijke deadline zou de operatie onnodig kunnen worden uitgerekt, wat de uitvoerbaarheid zou bemoeilijken en de beschikbare middelen zou kunnen overbelasten.
3.1.
Dat laat onverlet dat het kabinet van mening is dat ouders die zich in een bijzondere situatie bevinden waardoor het niet eerder mogelijk was zich aan te melden en die zich in een schrijnende situatie bevinden, kans moeten hebben hun zaak te laten beoordelen. Daarom heeft het kabinet besloten om in gevallen waarin er omstandigheden zijn die een geldige reden kunnen vormen voor een te late aanmelding, gekeken zal worden of er sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding. De ouder dient dan aan te geven waarom het niet is gelukt om zich op tijd aan te melden en in welke schrijnende situatie de ouder zich bevindt. De wetgever heeft daarbij geen voorbeelden geformuleerd, maar heeft deze ruimte opengelaten voor de Dienst Toeslagen om hieraan in de praktijk een nadere invulling te geven. De mogelijkheid om af te wijken van de aanmeldtermijn volgt uit de hardheidsclausule die is opgenomen in artikel 9.1. van de Wht. Aangezien eiser een beroep doet op deze hardheidsclausule rust op hem de bewijslast om voldoende aannemelijk te maken dat toepassing van de aanmeldtermijn in zijn geval leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.
3.2.
De hardheidsclausule wordt door de Dienst Toeslagen niet lichtvaardig toegepast. In het verweerschrift licht de Dienst Toeslagen toe dat ouders die zich in een bijzondere situatie bevinden waardoor het niet eerder mogelijk was zich aan te melden en die zich in een schrijnende situatie bevinden kans moeten hebben om hun zaak te laten beoordelen. De ouder dient dan aan te geven waarom er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding en in welke schrijnende situatie de ouder zich bevindt. Daaraan wordt toegevoegd dat ouders een ruime termijn van drie jaar hebben gekregen om zich aan te melden als gedupeerde. Via veel verschillende kanalen is de hersteloperatie onder de aandacht gebracht. Ouders konden zich volgens de Dienst Toeslagen op een zeer laagdrempelige manier aanmelden als gedupeerde. De Dienst Toeslagen heeft voor de toepassing van de hardheidsclausule ook aansluiting gezocht bij recente uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). Volgens deze rechtspraak van de Afdeling kan de hardheidsclausule alleen worden toegepast in bijzondere situaties, waarbij toepassing van de bepaling onbillijk uitpakt of wanneer sprake is van schrijnende omstandigheden. Er is sprake van schrijnende omstandigheden in het geval van serieuze en structurele financiële nood, een ernstige medische omstandigheid of andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden.
Is er sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding?
4. Eiser stelt dat de communicatie vanuit de overheid hem onvoldoende heeft bereikt. Pas in 2024 herkende hij zichzelf in de verhalen die in de media (NPO-serie) naar voren komen. Daarnaast voert eiser aan dat er sprake is van bijzondere omstandigheden in 2023 waardoor de termijnoverschrijding verschoonbaar is. In oktober 2022 verkocht eiser zijn huis. Door vertraging in de oplevering van de nieuwbouwwoning verbleef hij met zijn gezin tussen 31 oktober 2022 en 7 januari 2023 in een recreatiewoning en verschillende logeeradressen van familie. Naast het gezin, een sociaal leven en de baan van eiser als technisch objectmanager (36 uur) en de baan van zijn vrouw als secretaresse (28 uur) houden eiser en zijn vrouw zich bezig met maatschappelijke zaken. Zo zorgen zij voor bemiddeling, emotionele en praktische zorg voor Oekraïense vluchtelingen (meer dan 50 uur per maand) en verzorgen zij pastorale zorg binnen de geloofsgemeente van Jehovah’s Getuigen in [plaats]. Daarbij voert eiser aan dat de gebeurtenissen die zich vanaf 2022 tot eind 2024 hebben voltrokken een aanzienlijke en langdurige wissel getrokken hebben op het emotionele en lichamelijk welzijn van het gezin. Deze periode werd gekenmerkt door voortdurende drukte, zorgen en stress, waarin nauwelijks ruimte was om andere stress gerelateerde kwesties te verwerken of zelfs te onderkennen. De combinatie van langdurige druk door de toeslagenproblematiek, rouwverwerking, intensieve maatschappelijk verantwoordelijkheden en een complexe verhuissituatie leidde tot een structurele mentale en emotionele overbelasting. Hierdoor waren eiser en zijn vrouw in 2023 feitelijk niet in staat om tijdig en adequaat te handelen. Eiser stelt dat zij indirect slachtoffer zijn van het toeslagenbeleid maar dat zij zich hier destijds onvoldoende van bewust waren. Eiser betoogt ook dat de schriftelijke aanvulling die hij heeft gegeven naar aanleiding van de hoorzitting in bezwaar niet is meegewogen in de beslissing op bezwaar. Deze omissie is volgens eiser fundamenteel, omdat hierin een aanvullende toelichting en bewijsstukken zijn opgenomen die essentieel zijn voor een juiste beoordeling. In het bijzonder mist eiser dat is meegewogen dat eiser en zijn vrouw zich inzette voor Oekraïense vluchtelingen en dat dit ook meespeelde in hun moeilijke situatie in 2023.
4.1.
De Dienst Toeslagen stelt zich op het standpunt dat er geen redenen zijn om de hardheidsclausule toe te passen. Volgens de Dienst Toeslagen heeft eiser met zijn verhaal niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake was van een bijzondere omstandigheid of schrijnende situatie die maakte dat het voor hem niet mogelijk was om zich voor 1 januari 2024 aan te melden. Op de zitting heeft de rechtbank aan de Dienst Toeslagen gevraagd of er gevallen zijn waarbij de termijnoverschrijding verschoonbaar is geacht. De Dienst Toeslagen heeft daarop geantwoord dat er ongeveer 3000 te late aanmeldingen zijn ontvangen. Hiervan is een derde verschoonbaar geacht. In die gevallen gaat het om situaties waarin men niet meer in staat was om een aanvraag te doen. De Dienst Toeslagen heeft aangegeven dat er bij de te late aanmeldingen iedere keer maatwerk wordt geleverd. In het geval van eiser is volgens de Dienst Toeslagen van groot belang dat het gaat om een forse termijnoverschrijding.
4.2.
De beroepsgrond van eiser slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat de reden van de termijnoverschrijding is dat eiser lange tijd dacht dat hij niet onder de doelgroep viel. Hij was wel op de hoogte van de toeslagenaffaire en ook van de operatie om gedupeerden te compenseren. Hij herkende zichzelf echter niet in de gevallen die zichtbaar waren in de media. De rechtbank is het met de Dienst Toeslagen eens dat deze omstandigheid niet als dermate bijzonder kan worden aangemerkt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Het moet immers gaan om een schrijnende situatie en daarvan is geen sprake.
4.3.
Verder heeft de Dienst Toeslagen, in de door eiser gestelde persoonlijke omstandigheden die speelden in 2023, geen aanleiding hoeven zien om de hardheidsclausule toe te passen. De rechtbank heeft gezien dat eiser en zijn gezin een moeilijke periode hebben gehad in 2023 en dat zij zich op verschillende manieren hebben ingezet voor anderen.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. In de toepassing van artikel 6:22 van de Awb ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat de Dienst Toeslagen het door eiser betaalde griffierecht moet vergoeden.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
draagt de Dienst Toeslagen op om het griffierecht van € 53 te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid van mr. C.M.J.C. Rooding, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Kamerstukken II 2023/24, 31 066, nr. 1306 (Motie Temmink over aanmeldingsdeadline toeslagenaffaire), verworpen bij Handelingen Tweede Kamer van 26 oktober 2023, nr 18, item 80.
Dit volgt uit de brief van de staatssecretaris aan de voorzitter van de Tweede Kamer van 24 november 2023.
ECLI:NL:RVS:2025:456, ECLI:NL:RVS:2025:1004, ECLI:NL:RVS:2025:1435.
ABRvS 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:456.