Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2025-02-12
ECLI:NL:RBGEL:2025:8864
RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummers: ARN 23/6149, 24/4022 en 24/7438 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van in de zaken tussen [belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Heerlen, de inspecteur. Inleiding In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen: de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 6 november 2023 over de voorlopige aanslag IB/PVV 2022 (zaaknummer 23/6149); de uitspraak op bezwaar van 9 september 2024 over de navorderingsaanslag IB/PVV 2022 (zaaknummer 24/4022) en; de aanslag IB/PVV 2023 (zaaknummer 24/7438). Verder heeft de rechtbank verzoeken om vaststelling van de verbeurte van de dwangsommen wegens niet tijdig beslissen beoordeeld en verzoeken om proceskostenvergoedingen en schadevergoedingen. De inspecteur heeft op de beroepen en verzoeken gereageerd met verweerschriften en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd. De rechtbank heeft de beroepen op 12 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens de inspecteur deelgenomen [persoon A] en [persoon B]. De rechtbank heeft de onderzoeken geschorst voor nadere informatie van de inspecteur. Belanghebbende heeft nadien op de aanvullende informatie gereageerd. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten op 6 oktober 2025. Feiten Belanghebbende is geboren op [geboortedatum 1] 1982. Op 19 mei 2022 is hij getrouwd met [persoon C], geboren op [geboortedatum 2] 1990. Zij was woonachtig in Tunesië, op 3 mei 2024 is zij geëmigreerd naar Nederland en bij belanghebbende gaan wonen. Het UWV heeft bij brief van 22 juli 2020 vastgesteld dat belanghebbende met ingang van 1 maart 2018 recht heeft op een IVA-uitkering van 75% verhoogd met een uitkering wegens hulpbehoevendheid van 25%. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwaren heeft in een uitspraak van 12 april 2022 geoordeeld dat in het jaar 2019 sprake was van een individuele en buitensporige last, doordat de verhoging nagenoeg (meer dan 90%) verdampt door het in mindere mate recht hebben op de inkomensafhankelijke regelingen. Het gerechtshof heeft rechtsherstel geboden door de verhoging van de heffing van de IB/PVV niet tot het belastbare inkomen uit werk en woning te rekenen, maar wel tot het verzamelinkomen. De inspecteur heeft afgezien van het instellen van cassatie tegen de uitspraak van het gerechtshof. 4. Voor de jaren 2020 en 2021 heeft belanghebbende beroep ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar over de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2020 en 2021. De rechtbank heeft in een uitspraak van 28 juli 2023 geoordeeld dat de inspecteur, door het belastbaar inkomen uit werk en woning te verlagen, een juiste uitspraak op bezwaar heeft gedaan. Belastingjaar 2022 5. Belanghebbende heeft op 28 maart 2023 zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2022 met een verzamelinkomen van € 22.389 ingediend. Gelijktijdig met het indienen van de aangifte heeft belanghebbende een brief aan de inspecteur gestuurd waarin hij heeft verzocht om de hulpbehoevendheidsuitkering van 25% buiten beschouwing te laten voor het jaar 2022, de loonheffingskorting toe te passen in de aangifte voor het jaar 2022, en de onderhoudskosten voor zijn in het buitenland verblijvende vrouw in aftrek te brengen. 6. De inspecteur heeft de voorlopige aanslag IB/PVV voor het jaar 2022 overeenkomstig de door belanghebbende ingediende aangifte vastgesteld. 7. Bij brief van 6 juni 2023 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de voorlopige aanslag IB/PVV 2022. 8. Bij brief van 26 juni 2023 heeft belanghebbende de inspecteur in gebreke gesteld in verband met het niet tijdig beslissen op de verzoeken van 28 maart 2023. 9. De inspecteur heeft in zijn brief met dagtekening 29 juni 2023 aan belanghebbende medegedeeld dat hij geen recht heeft op een dwangsom, omdat geen sprake is van een beslissing op een aanvraag. Verder heeft de inspecteur die dag telefonisch contact opgenomen met belanghebbende en uitgelegd op welke wijze belang De inspecteur heeft op 7 juni 2024 de definitieve aanslag opgelegd met een te ontvangen bedrag van € 2.140 (gelijk aan de dividendheffing). De inspecteur heeft het verzamelinkomen vastgesteld op een bedrag van € 16.791. 23. Met dagtekening 15 juni 2024 heeft de inspecteur een navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2022 met een te betalen bedrag van € 2.156 vastgesteld, met een te betalen bedrag aan belastingrente van € 16 en een verzamelinkomen van € 22.389. 23. Belanghebbende heeft op 15 juni 2024 bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslag. Bij brief van 27 augustus 2024 heeft de inspecteur belanghebbende geïnformeerd over de voorgenomen beslissing op het bezwaar. 23. De inspecteur heeft op 9 september 2024 uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar gegrond verklaard voor wat betreft de beschikking belastingrente. De navorderingsaanslag heeft hij in stand gelaten en de belastingrente met een bedrag van € 16 verminderd naar nihil. 23. Belanghebbende heeft op 9 september 2024 ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar. Belastingjaar 2023 23. Belanghebbende heeft op 4 maart 2024 zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2023 ingediend en op 20 mei 2024 zijn verzoek om de hulpbehoevendheidsuitkering van 25% buiten beschouwing te laten. 23. De inspecteur heeft op 1 juni 2024 de voorlopige aanslag IB/PVV voor het jaar 2023 conform de ingediende aangifte vastgesteld. Met dagtekening 19 juli 2024 is de definitieve aanslag overeenkomstige de voorlopige aanslag en aangifte aan belanghebbende opgelegd. 23. Bij brief van 1 juni 2024 heeft belanghebbende op de voorlopige aanslag gereageerd en de inspecteur verzocht om alsnog binnen twee weken na datum van de brief de aanslag te verminderen, omdat sprake is van een individuele en buitensporige last. 30. Belanghebbende heeft op 19 juli 2024 rechtstreeks beroep bij de rechtbank ingesteld tegen de definitieve aanslag IB/PVV voor het jaar 2023. 30. De inspecteur heeft op 21 november 2024 aangekondigd de definitieve aanslag te verminderen met een bedrag van € 2.324 in verband met de uitkering wegens hulpbehoevendheid. Met dagtekening 6 december 2024 is de verminderingsbeschikking vastgesteld. 32. De rechtbank heeft het onderzoek geschorst op de zitting van 12 februari 2025 en de inspecteur gevraagd om te reageren op twee artikelen in het Weekblad Fiscaal recht “De inkomensverlagende inkomensverhoging wegens hulpbehoevendheid: Deel 1” en “De inkomensverlagende inkomensverhoging wegens hulpbehoevendheid: Deel 2”. 33. Bij brief van 12 maart 2025 heeft de inspecteur als volgt gereageerd: “ (…) Bij de procedure van 12 april 2022 inzake de IB/PVV 2019 heeft de staatssecretaris bij het afzien van het instellen van cassatie de volgende toelichting gegeven: "Zoals in het verleden reeds door de Nationale Ombudsman is gesignaleerd is het effect van inkomensafhankelijke regelingen op de verhoogde arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, die onder andere als doel hebben de kosten van verhoogde hulpbehoevendheid te kunnen betalen, soms zodanig dat van die verhoogde uitkeringen niets of nagenoeg niets overblijft om die kosten van langdurige hulpbehoevendheid te kunnen betalen. In zoverre ben ik het met het Hof eens dat wanneer minder dan 10% van de verhoogde uitkering resteert er sprake is van een buitensporige last. In deze zaak resteerde na de korting op diverse inkomensafhankelijke regelingen zelfs minder dan 5% van de verhoogde uitkering. De gekozen oplossing - hoewel beleidsmatig niet de meest gelukkige - van het Hof, voor het bieden van rechtsherstel leidt ertoe dat 42% resteert. Nu de inspecteur had aangeboden om mee te werken aan een oplossing waarin 35% resteerde, acht ik die uitkomst ook cijfermatig acceptabel. Dat het Hof de oplossing zoekt in het fiscaal onbelast laten van de verhoogde uitkering leidt ertoe dat de oplossing geheel aan de kant van de belastingheffing wordt gezocht en niet aan de kant van de diverse inkomensafhankelijke regelingen. In overleg met mijn collega's van SZW en VWS zal ik daarom zoek Nadeel geen recht op individuele inkomenstoeslag ad € 696 De rechtbank verzoekt de inspecteur om: voor 2022 een berekening te maken van de inkomenseffecten voor belanghebbende met inachtneming van de volgende vragen. gemotiveerd aan te geven of de hierboven opgesomde inkomenseffecten volgens het beleid tot de inkomensafhankelijke regelingen behoren en betrokken moeten worden bij de berekening van de hoogte van de verhoging wegens hulpbehoevendheid en de verdamping daarvan. zo ja, de berekeningen voor 2022 en 2023 daarop aan te passen. 35. De inspecteur heeft bij brief van 5 juni 2025 gereageerd waarbij hij de inkomenseffecten voor het jaar 2022 op een rij heeft gezet. Voorts heeft de inspecteur zich op het standpunt gesteld dat hij met inachtneming van de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 april 2022 voldoende rechtsherstel heeft geboden voor 2022 en 2023. Beoordeling door de rechtbank 36. Belanghebbende heeft in het beroepschrift vermeld dat hij rechtstreeks beroep instelt tegen de verminderingsbeschikking van 6 december 2024. Met die beschikking is de aanslag IB/PVV voor 2023 verlaagd. De inspecteur heeft in het verweerschrift laten weten dat hij zich niet verzet tegen rechtstreeks beroep en de rechtbank heeft het verzoek ingewilligd. 37. Tussen partijen is voor zowel 2022 als 2023 niet in geschil dat de belastingheffing over de hulpbehoevendheidsuitkering voor belanghebbende leidt tot een individuele buitensporige last in de zin van artikel 1 EP, zodat belanghebbende gecompenseerd dient te worden. In geschil is of belanghebbende aanspraak maakt op een hogere compensatie. Volgens belanghebbende heeft de inspecteur niet of onvoldoende rekening gehouden met alle nadelige inkomenseffecten als gevolg van de keuze van de wetgever om de hulpbehoevendheidsuitkering tot het verzamelinkomen te rekenen. Verder beoordeelt de rechtbank of dwangsommen zijn verbeurd wegens niet tijdig beslissen en of belanghebbende aanspraak maakt op schadevergoedingen. 38. De rechtbank is van oordeel dat de beroepen ongegrond zijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen die oordelen hebben. Dwangsommen 39. Belanghebbende heeft de inspecteur in gebreke wegens het niet tijdig beslissen op de verzoeken in zijn brief van 28 maart 2023. Volgens belanghebbende zijn dwangsommen verbeurd. Verder heeft belanghebbende de inspecteur in gebreke gesteld voor het niet tijdig doen van uitspraak op het bezwaar tegen de voorlopige aanslag IB/PVV 2022. 40. Bij brief van 29 juni 2023 heeft de inspecteur aan belanghebbende meegedeeld dat de verzoeken van 28 maart 2023 geen aanvragen zijn in de zin van afdeling 4.1.3.2. van de Algemene wet bestuursrecht, zodat geen sprake is van niet tijdig beslissen in de zin van die afdeling. Bij e-mailbericht van 10 juli 2023 is antwoord gegeven op de diverse verzoeken. Bij uitspraak op bezwaar van 6 november 2023 heeft de inspecteur uitspraak gedaan op het bezwaar tegen de voorlopige aanslag IB/PVV 2022. Bij die uitspraak is het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat een voorlopige aanslag niet voor bezwaar en beroep vatbaar is. 41. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van niet tijdig beslissen door de inspecteur, zodat geen dwangsommen zijn verbeurd. In de eerste plaats is geen sprake van beschikkingen op aanvraag in de zin van afdeling 4.1.3.2. van de Algemene wet bestuursrecht, zodat geen sprake is van niet tijdig beslissen in de zin van die afdeling. In de tweede plaats heeft de inspecteur binnen twee weken na de ingebrekestelling van 30 oktober 2023 uitspraak gedaan op het bezwaar tegen de voorlopige aanslag IB/PVV 2022. Dat betekent dat geen dwangsommen zijn verbeurd en dat de inspecteur terecht - al dan niet impliciet - heeft vastgesteld dat belanghebbende geen aanspraak maakt op dwangsommen. Beoordeling rechtsherstel voor 2022 en 2023 (zaaknummers 24/4022 en 24/7438) 42. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur voldoende rechtsherstel heeft verleend door de ve