Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-05-07
ECLI:NL:RBGEL:2025:8671
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,187 tokens
Inleiding
beschikking
RECHTBANK GELDERLAND
Familie- en jeugdrecht
Zittingsplaats Arnhem
Zaakgegevens: C/05/444959 / FA RK 24-4087
Datum uitspraak: 7 mei 2025
beschikking gezag
in de zaak van
[naam vader]
(hierna: de vader),
wonende op een adres in Duitsland,
advocaat mr. S. van der Eijk te Den Haag
tegen
[naam moeder]
(hierna: de moeder),
zonder bekende woon- of verblijfplaats.
1Het verloop van de procedure
1.1.
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
- het verzoekschrift, ingekomen bij de griffie op 10 december 2024;
- het F9-formulier met bijlagen van mr. Van der Eijk van 11 april 2025.
1.2.
Tijdens de mondelinge behandeling van 14 april 2025 zijn gehoord:
- de vader, bijgestaan door mr. S. van der Eijk;
- een vertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
1.3.
De moeder is opgeroepen via de Staatscourant, omdat zij nergens staat ingeschreven
en het tot aan de mondelinge behandeling onduidelijk was waar zij feitelijk verbleef.
De advocaat van de vader heeft op 9 april 2025 nog een brief gestuurd naar een adres in
[plaats] waar de moeder volgens de vader feitelijk verblijft. In deze brief wordt melding
gemaakt van de mondelinge behandeling op 14 april 2025 met de oproep om te verschijnen.
De moeder is echter niet verschenen.
1.4.
De rechtbank heeft de moeder na de zitting op 15 april 2025 via datzelfde adres in
[plaats] een brief gestuurd om haar in de gelegenheid te stellen haar standpunt over de
bevoegdheid van de rechtbank kenbaar te maken. De moeder heeft hier niet op gereageerd.
Feiten
2.1.
Uit het huwelijk van de ouders zijn geboren de minderjarige kinderen:
[naam minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige 1] ;
[naam minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige 2] .
2.2.
De rechtbank Overijssel heeft bij beschikking van 26 februari 2021 de echtscheiding tussen de ouders uitgesproken. Het huwelijk is op 10 maart 2021 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand van [gemeente] .
2.3.
De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over de kinderen.
2.4.
De ouders hebben met elkaar afspraken gemaakt over de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Deze afspraken zijn neergelegd in een ouderschapsplan, dat door de vader is ondertekend op 6 januari 2021 en door de moeder op 7 januari 2021.
2.5.
De ouders zijn in het ouderschapsplan - onder meer - overeengekomen dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de moeder zullen hebben. Ook zijn zij een regeling ter verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) overeengekomen, waarbij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de oneven weken van vrijdag 12:00 uur tot zondag 16:00 uur bij de vader verblijven.
2.6.
Bij vonnis in kort geding van 15 februari 2024 heeft de rechtbank Den Haag – onder meer – bepaald dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan de vader worden toevertrouwd. Tegen de moeder is toen verstek verleend.
3Het verzoek
3.1.
De vader verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
het gezamenlijk gezag van de ouders te beëindigen en de vader te belasten met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;
de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vader vast te stellen.
4Het standpunt van de Raad
4.1.
De Raad vindt dat er sprake is van een verdrietige situatie. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn in 2023 van de ene op de andere dag bij de vader gaan wonen. Sindsdien hebben zij hun moeder niet meer gezien. In die zin lijkt het wel alsof de kinderen een ouder zijn kwijtgeraakt. De Raad maakt zich zorgen over de vraag in hoeverre het [minderjarige 1] en [minderjarige 2] lukt om dit niet op zichzelf te betrekken. Hier hebben zij wellicht hulp bij nodig. De Raad verwacht in elk geval niet dat de moeder nu of op korte termijn invulling kan geven aan haar rol als gezaghebbende ouder. Mogelijk kampt zij met psychische problematiek. De Raad adviseert het verzoek van de vader over het gezag dus toe te wijzen.
Beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1.
Gebleken is dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] al langere tijd in Duitsland wonen bij de vader. De rechtbank moet daarom allereerst beoordelen of de Nederlandse rechter wel bevoegd is om deze zaak inhoudelijk te behandelen. Dit is sowieso het geval als de kinderen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben. In dat kader overweegt de rechtbank dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op de datum van de indiening van het verzoek al anderhalf jaar bij hun vader in Duitsland woonden (en nu nog steeds) en dat zij daar naar school gaan. De kinderen zijn in Nederland geboren, hebben hier het grootste deel van hun leven gewoond en hebben nog steeds de Nederlandse nationaliteit. Dit doet naar het oordeel van de rechtbank echter onvoldoende af aan het feit dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] al langere tijd in Duitsland wonen en daar nu hun leven hebben. Daarbij komt dat de vader geen concrete plannen heeft om op (korte) termijn naar Nederland terug te keren.
5.2.
Ondanks het feit dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun gewone verblijfplaats in Duitsland hebben, is de rechtbank van oordeel dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 10 Brussel II-ter bevoegd is. De Nederlandse rechter is namelijk ook bevoegd als een kind een nauwe band met Nederland heeft, de bevoegdheidsuitoefening in het belang van het kind gerechtvaardigd is en de bevoegdheid door de ouders uitdrukkelijk is aanvaard. Daarbij geldt wel als voorwaarde dat de rechtbank ervoor heeft gezorgd dat alle partijen in kennis zijn gesteld van hun recht om de bevoegdheid van het gerecht niet te aanvaarden. In dit geval hebben [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog steeds een nauwe band met Nederland. Daarnaast heeft de vader bewust ervoor gekozen om zijn verzoek aan een Nederlandse rechter voor te leggen, omdat alle dossiers in Nederland zijn en het gezin in Nederland bekend is. De moeder is door de rechtbank per brief van 15 april 2025 in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over deze keuze. Zij heeft hier geen gebruik van gemaakt, waardoor de rechtbank ervan uit gaat dat de moeder geen bezwaren heeft tegen een inhoudelijke behandeling door een Nederlandse rechter. Ten slotte vindt de rechtbank de bevoegdheidsuitoefening in het belang van de kinderen, nu zij hier in Nederland bekend zijn bij de jeugdbescherming en Veilig Thuis.
5.3.
Op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is het Nederlands recht van toepassing als de Nederlandse rechter bevoegd is.
Beoordeling
5.4.
Op grond van artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen, als de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van een eerdere beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. In dat geval bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over de minderjarige toekomt. Artikel 1:251a lid 1 en 3 BW zijn van overeenkomstige toepassing.
5.5.
De rechtbank vindt dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden, omdat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] sinds de zomer van 2023 bij de vader wonen, het onbekend is waar de moeder verblijft en er geen contact meer is tussen de ouders. De vader is daarom ontvankelijk in zijn verzoek.
5.6.
De rechter kan het verzoek tot beëindiging van het gezamenlijk gezag op grond van artikel 1:251a BW toewijzen als er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren raakt tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering komt, of als wijziging van het gezag om andere redenen in het belang van het kind noodzakelijk is.
5.7.
Gebleken is dat er in de zomer van 2023 sprake is geweest van een drastische wijziging in het leven van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De moeder is destijds opgenomen in een psychiatrische inrichting en de kinderen zijn plotseling bij de vader gaan wonen. Sindsdien is er geen contact meer tussen de moeder en kinderen. Ook is er al langere tijd geen contact tussen de ouders. Het is niet bekend hoe het nu met de moeder gaat. Volgens de vader woont de moeder op een adres in [plaats] , maar staat zij hier niet ingeschreven. Los daarvan heeft de vader aangegeven dat hij als gevolg van het ontbreken van contact met de moeder tegen problemen aanloopt, zoals bij het inschrijven van de kinderen op een school in Duitsland. Ook hebben [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hulpverlening nodig, waarvoor normaal gesproken toestemming nodig is van beide gezaghebbende ouders. De rechtbank is daarom van oordeel dat er een onaanvaardbaar risico is dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verloren raken. Ook verwacht de rechtbank niet dat hier binnen afzienbare tijd voldoende verbetering in komt, nu volstrekt onduidelijk is hoe het met de moeder gaat en in hoeverre zij bereid is om haar verantwoordelijkheid voor de situatie van de kinderen te nemen. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat eenhoofdig gezag voor de vader ook om een andere reden in het belang van de kinderen noodzakelijk is, nu de moeder [minderjarige 1] en [minderjarige 2] al bijna twee jaar niet meer heeft gezien en het onduidelijk is in hoeverre de moeder als gevolg van haar problematiek nog in staat is om weloverwogen keuzes te maken.
5.8.
Gelet op het voorgaande wijst de rechtbank het verzoek met betrekking tot het gezag toe. Het verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij hem te bepalen, wijst de rechtbank af. De vader heeft namelijk geen belang meer bij dit verzoek, nu hij het eenhoofdig gezag krijgt.
Dictum
De rechtbank:
6.1.
beëindigt het gezamenlijk gezag van de ouders en bepaalt dat het gezag over de kinderen:
o [naam minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] ;
o [naam minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] ;
wordt uitgeoefend door de vader;
6.2.
verklaart de onder 6.1 genoemde beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.E.M. Overkamp, rechter, in tegenwoordigheid van
S.C. Dijksterhuis als griffier en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2025.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.