Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2025-09-26
ECLI:NL:RBGEL:2025:8469
RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Zutphen Parketnummer: 05.405154.24 Datum uitspraak : 26 september 2025 Tegenspraak vonnis van de politierechter in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1996 in [geboorteplaats] , wonende aan het [adres] , [postcode] in [woonplaats] . Raadsman: mr. D.J. van Rinsum, advocaat in Amsterdam. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting. 1 De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: Hij op of omstreeks 13 november 2023 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, door het verwekken van wanorde of het maken van gedruis, te weten: - het (na aanvang van de raadsvergadering) plaatsnemen en/of (vervolgens) ophouden in het midden van de raadszaal (door daar te zitten, staan, en/of (rond)lopen), - het op meerdere momenten houden van een toespraak, - het roepen van leuzen (waaronder “Kick out zwarte piet”, en/of “No justice, no peace”, en/of “Black lives matter”), - het joelen en/of applaudisseren, - het tonen van een spandoek (met daarop de tekst “Herdenkingsjaar Slavernijverleden Geen Zwarte Piet in [plaats] ”), en/of - het filmen van een of meer raadslieden en/of zich (daarbij)(voortdurend) in de directe nabijheid van een of meer raadslieden te begeven/op te houden, een geoorloofde openbare vergadering, te weten een openbare raadsvergadering van de gemeenteraad [plaats] , opzettelijk heeft gestoord. 2 Feiten en omstandigheden Op 23 november 2023 vond er in de raadszaal van het gemeentehuis in [plaats] een openbare raadsvergadering plaats. Toen de vergadering 10 à 15 minuten bezig was, rond 19.45 uur, liepen er meerdere personen vanaf de publieke tribune naar het midden van de raadszaal, terwijl zij leuzen riepen. De burgermeester heeft toen de vergadering gestopt. Een aantal van deze mensen ging op de grond zitten in het midden van de zaal en een aantal bleef staan. Twee mensen hadden een spandoek met daarop een tekst vast. Vervolgens voegde de voorman van Kick Out Zwarte Piet (KOZP) zich bij de groep en nam het woord. De burgermeester probeerde hem herhaaldelijk te onderbreken. Ook vroeg de burgermeester hen op de publieke tribune te gaan zitten, zodat de vergadering kon worden voortgezet. Aan dit verzoek werd geen gehoor gegeven. De demonstranten eisten dat de burgermeester een convenant zou ondertekenen en stelden dat zij dan pas de raadszaal zouden verlaten. De burgermeester ervoer hierbij dwang. Hij weigerde het convenant te ondertekenen. Enkele raadsleden voelden zich geïntimideerd, onder andere omdat zij van zeer dichtbij werden gefilmd door de actievoerders. Rond 21.30 uur besloten de actievoerders de raadszaal te verlaten. De vergadering kon niet worden voortgezet en kon pas de volgende dag worden vervolgd. Die avond is er geen politieoptreden geweest en geen van de demonstranten is aangehouden. 3 Het standpunt van de verdediging 3.1 De verdediging heeft bepleit dat het Openbaar Ministerie (OM) niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van verdachte, omdat de vervolging in strijd is met het verbod van willekeur en een schending van het gelijkheidsbeginsel. Allereerst omdat alleen de ‘meest actieve’ demonstranten die deelnamen aan de onderhavige demonstratie, waaronder verdachte, werden ontboden voor verhoor. Verdachte had een de-escalerende rol en zijn handelen was daardoor juist minder laakbaar. Ten tweede omdat er soortgelijke demonstraties zijn geweest waarin niemand werd vervolgd en het OM in 2022 in één keer 1500 zaken heeft geseponeerd, waaronder veel feiten waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten - zwaardere feiten dus dan de onderhavige. Bezien in dit licht is het vervolgen van geweldloze demonstranten in strijd met het verbod op willekeur. 3.2 Indien en voor zover de politierechter mocht oordelen dat het OM wel ontvankelijk is in de vervolging van verdachte heeft de verdediging subsidiair bepleit da In al de voornoemde gevallen geldt dat aan het oordeel dat het OM in de vervolging van een verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard, zware motiveringseisen worden gesteld. 5.3 De politierechter stelt voorop dat het recht op vrijheid van meningsuiting en het recht op vrijheid van vergadering en vereniging, zoals onder andere neergelegd in de artikelen 10 en 11 van het EVRM, fundamentele grondrechten zijn. De vrijheden waarin deze artikelen voorzien, zijn echter niet absoluut en kunnen worden ingeperkt, mits deze inperking is voorzien bij wet en noodzakelijk is in een democratische samenleving. 5.4 De vraag of een beperking noodzakelijk is in een democratische samenleving laat zich niet in algemene zin beantwoorden en is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij het EHRM een ‘overall’ toets aanlegt. Het EHRM kijkt daarbij naar de vraag of de beperking van de vrijheden als bedoeld in de artikelen 10 en 11 van het EVRM voldoet aan een dringende maatschappelijke behoefte (‘pressing social need’) en of de beperking voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Bij de proportionaliteit van de inperking gaat het om een evenwicht tussen het in de artikelen 10 en 11 EVRM beschermde belang en andere belangen, zoals in onderhavig geval het belang van het recht op vrijheid van vergadering. Bestaat de beperking uit strafvervolging, dan spelen in dit verband naast de aard van de strafbare gedraging en de eerlijkheid van het proces als geheel ook de aard van en de zwaarte van de opgelegde sancties in relatie tot het nagestreefde doel een rol, waarbij geldt dat daarvan geen ‘chilling effect’ mag uitgaan. De enkele deelname aan een vreedzame demonstratie mag niet worden bedreigd met een strafrechtelijke sanctionering; daar is een bijzondere rechtvaardiging voor vereist. Zo kan het zijn dat wanneer er verschillende maatregelen worden genomen, zoals de beëindiging van een betoging, een aanhouding, een voorarrest, een vervolging en een veroordeling, die maatregelen gezamenlijk als een (ontoelaatbare) beperking worden gezien. 5.5 Met inachtneming van dit juridisch kader is het aan de rechter om in het concrete geval op basis van een belangenafweging te beoordelen of sprake is van een al dan niet toelaatbare beperking van genoemde grondrechten. 5.6 De politierechter zal in dit verband, conform de volgordelijkheid van de vragen die in het kader van de artikel 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering beantwoord moeten worden, het gevoerde verweer eerst bespreken in de sleutel van de (niet-)ontvankelijkheid van het OM in de vervolging van verdachte. Daarna volgt de bespreking van het bewijs en de kwalificatie van hetgeen bewezen wordt verklaard. Vervolgens beoordeelt de politierechter het gevoerde verweer met betrekking tot de strafbaarheid van de bewezenverklaarde feiten. 6 Ontvankelijkheid OM 6.1 Op basis van wat door de verdediging is aangevoerd is niet aannemelijk geworden dat door de beslissing verdachte te vervolgen het gelijkheidsbeginsel is geschonden of dat sprake is van willekeur. Verdachte is evenals drie medeverdachten vervolgd omdat hij een grotere rol had tijdens de demonstratie dan de overige demonstranten. De de-escalerende, door verdachte als “beveiligend” omschreven, rol van verdachte faciliteerde het voortduren van de demonstratie. Zijn rol was daarmee meer dan enkel een getalsmatige versterking bij de demonstratie. Het stond de officier van justitie vrij dit te laten meewegen bij de beslissing om in deze zaak tot vervolging over te gaan. Het enkele opsommen van een aantal voorbeelden van demonstraties waarbij niet werd vervolgd - voor zover deze demonstraties al vergelijkbaar waren met die in de onderhavige zaak -, volstaat daarnaast niet om te kunnen concluderen dat is afgeweken van een bestendig patroon van beslissen in een groot aantal zaken. Ook het feit dat het OM tot 1500 sepots is overgegaan, waaronder zaken waarin voorlopige hechtenis is toegelaten, doet niet af aan de mogelijkhei Daarover overweegt de politierechter als volgt. 10.4 Bij de beoordeling van de noodzakelijkheid van een beperking op het recht van vrijheid van meningsuiting en betoging moet, zoals hiervoor onder het wettelijk kader al genoemd, een ‘overall’ toets worden aangelegd. Daarbij kan het zijn dat vanuit de jegens de demonstranten genomen maatregelen een zodanig temperend (‘chilling’) effect uitgaat dat die demonstranten en/of anderen in de toekomst geen gebruik meer durven maken van hun uit de artikelen 10 en 11 EVRM voortvloeiende grondrechten. Als dat het geval is, gaat volgens jurisprudentie van het EHRM de inperking te ver. 10.5 De politierechter stelt allereerst vast dat in de onderhavige situatie het demonstratierecht van verdachte en medeverdachten op het moment van de demonstratie zelf niet is ingeperkt. Verdachte en medeverdachten hebben van circa 19.45 tot 21.30 uur gedemonstreerd en zijn toen vrijwillig vertrokken. De demonstratie had een vreedzaam karakter. Met de uitvoering van de demonstratie hebben verdachten en zijn mededemonstranten de raadsvergadering circa 1 uur en drie kwartier verstoord. De vergadering is daarna beëindigd, naar de politierechter begrijpt zonder dat de punten die voor de raadsvergadering geagendeerd waren zijn behandeld. Verdachte en de medeverdachten hebben aldus de raadsvergadering, en daarmee een openbare vergadering, verstoord in de zin van artikel 144 Wetboek van Strafrecht. Evenals het recht op demonstratie is het recht op vrije vergadering een fundamenteel recht. Door de raadsvergadering onmogelijk te maken werd het democratisch proces - op lokaal niveau, maar daarmee niet minder van belang - verstoord. De demonstranten hebben hun demonstratie gehouden in het midden van de zaal waarin de raadsvergadering plaatsvond, terwijl zij ook de mogelijkheid hadden om te demonstreren op een alternatieve plek tijdens de vergadering, of een ander tijdstip, al dan niet op dezelfde locatie. De demonstranten zijn ten tijde van de demonstratie niet verwijderd en (toen of later) ook niet aangehouden. De beoogde demonstratie heeft dus ongehinderd kunnen plaatsvinden. De politie heeft in het najaar van 2024 meerdere malen gepoogd verdachte een uitnodiging te overhandigen voor verhoor. Verdachte is niet verschenen voor verhoor. 10.6 Het enige politieoptreden in deze zaak is geweest het uitnodigen voor het horen van verdachte op het politiebureau. Daarmee werden in de eerste plaats de rechten van verdachte gewaarborgd om te worden gehoord over de tegen hem gerezen verdenking en zijn kant van het verhaal te vertellen. De politierechter is van oordeel dat de wijze en het tijdstip van deze uitnodigingen - voor zover zij die op basis van het dossier kan vaststellen - ook niet van dien aard waren dat hiervan een zodanig temperend (‘chilling’) effect uitging dat verdachte of anderen in de toekomst geen gebruik meer durven te maken van hun demonstratierecht. Evenmin geldt dit voor de wijze waarop verdachte werd geïdentificeerd of, gezien de huidige belasting van het politieapparaat, de aard en ernst van de onderhavige verdenking en het feit dat verdachte niet gedetineerd was, voor het feit dat verdachte pas een jaar na het verhoor is gedagvaard. Ook gezien de reële strafbedreiging bij veroordeling voor de onderhavige gedraging (die in soortgelijke zaken doorgaans niet zwaar is), is de politierechter van oordeel dat onder de gegeven omstandigheden van een ‘chilling effect’ geen sprake is. 10.7 Gelet op het gehele opsporings- en vervolgingstraject, afgewogen tegen het door artikel 144 Wetboek van strafrecht te beschermen belang ziet de politierechter geen grond voor buiten toepassing laten van artikel 144 Wetboek van Strafrecht. De politierechter verwerpt daarom het verweer op dit punt. Het feit is strafbaar. 11 De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 12 Geen straf of maatregel Het standpunt van de